ECLI:NL:GHARL:2013:BZ9816
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over kwijtingsbeding en fraudevordering werknemer tegen werkgever
In deze civiele procedure vordert [geïntimeerde], een grote detailhandelaar in woninginrichting, van haar voormalige werknemer [appellant] schadevergoeding wegens het ontvangen van steekpenningen via een Zwitserse bankrekening. [Appellant] betwist de vordering en beroept zich op een kwijtingsbeding uit de beëindigingsovereenkomst, dat volgens hem alle vorderingen uit de arbeidsovereenkomst omvat, inclusief de fraudevordering.
Het hof stelt dat de bewijslast voor het toepassingsbereik van het kwijtingsbeding bij [appellant] ligt. De uitleg van het beding moet worden bepaald aan de hand van de redelijke verwachtingen van partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Omdat [geïntimeerde] destijds niet op de hoogte was van de fraude, kan het beding niet zonder meer ook de fraudevordering omvatten.
Er is discussie over de authenticiteit van overschrijvingsbewijzen van JACV aan [appellant] via Credit Suisse. Het hof gelast een comparitie om bewijs te leveren en een minnelijke regeling te verkennen. Tevens wordt de schadebegroting nader onderzocht, waarbij moet worden vastgesteld of en hoeveel schade [geïntimeerde] heeft geleden door de vermeende betalingen. De procedure wordt aangehouden voor nadere bewijslevering en comparitie.
Uitkomst: De zaak wordt aangehouden voor nader bewijs en comparitie over de authenticiteit van betalingen en de uitleg van het kwijtingsbeding.