ECLI:NL:GHARL:2013:BZ9320
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- R.W. van Zuijlen
- E.A.K.G. Ruys
- C.G. Nunnikhoven
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vergoeding voorlopige hechtenis na overlijden verdachte
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het verzoek van de erfgenamen van een overleden verdachte tot vergoeding van schade voortvloeiend uit voorlopige hechtenis en ondergane verzekering. De verdachte was veroordeeld voor seksueel binnendringen en verkrachting van een minderjarige, maar overleed voordat het hoger beroep werd afgerond. Hierdoor werd de vervolging niet-ontvankelijk verklaard, en eindigde de zaak zonder strafoplegging.
De erfgenamen dienden tijdig een verzoek in op grond van artikel 89 Wetboek Pro van Strafvordering, dat voorziet in vergoeding bij beëindiging van de zaak zonder strafoplegging. Het hof nam kennis van de processtukken, waaronder de bekennende verklaring van de verdachte, en de pleitnota van de raadsman. Hoewel de raadsman betoogde dat de verklaring uitgesloten had moeten worden wegens schending van het recht op effectieve rechtsbijstand, kon het hof deze verklaring meewegen bij de beoordeling van billijkheid.
Na afweging van alle omstandigheden, met name de bekennende verklaring, oordeelde het hof dat er geen gronden van billijkheid aanwezig waren om de gevraagde vergoeding toe te kennen. Het verzoek werd daarom integraal afgewezen. De beschikking werd uitgesproken tijdens de openbare zitting van 4 februari 2013 te Arnhem.
Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van schade door voorlopige hechtenis wordt integraal afgewezen wegens ontbreken van gronden van billijkheid.