Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[appellant sub 1],
[appellante sub 2],
[appellante sub 3],
[appellante sub 4],
1.[geïntimeerde sub 1],
[geïntimeerde sub 2],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak vorderden appellanten de ontbinding van een pachtovereenkomst met geïntimeerden, omdat het perceel zonder hun toestemming was onderverpacht aan een derde partij. De rechtbank had appellanten deels niet-ontvankelijk verklaard en hun vorderingen afgewezen. In hoger beroep oordeelde het hof dat appellant sub 1 mede als verpachter moest worden aangemerkt en dat ook geïntimeerde sub 2 partij bij de pachtovereenkomst was, waardoor hun vorderingen ontvankelijk zijn.
Het hof stelde vast dat sprake was van onderverpachting zonder schriftelijke toestemming, hetgeen volgens artikel 7:355 BW Pro niet is toegestaan. De stelling van geïntimeerden dat appellanten op de hoogte waren en dat vruchtwisseling plaatsvond, rechtvaardigde de onderverpachting niet. Het hof vond dat de gevolgen van ontbinding voor geïntimeerden onvoldoende waren toegelicht, waardoor ontbinding gerechtvaardigd was.
Het hof ontbond de pachtovereenkomst en veroordeelde geïntimeerden tot ontruiming van het perceel uiterlijk 1 juni 2014, met een dwangsom bij niet-naleving en machtiging tot gedwongen ontruiming. De vordering tot oplevering in oorspronkelijke staat werd afgewezen, omdat oplevering in goede staat volstaat. Ook werd geïntimeerden veroordeeld in de proceskosten. Het arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De pachtovereenkomst wordt ontbonden en geïntimeerden worden veroordeeld tot ontruiming van het perceel met dwangsom en machtiging tot gedwongen ontruiming.