ECLI:NL:GHARL:2013:8234

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 oktober 2013
Publicatiedatum
1 november 2013
Zaaknummer
CR 200.130.286-01 31-10-2013
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:261 BWArt. 1:262 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige na huiselijk geweld

De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind, geboren in 2008. Het kind is getuige geweest van huiselijk geweld en heeft geruime tijd in een onveilige en onvoorspelbare opvoedingssituatie verkeerd. De kinderrechter had de machtiging tot uithuisplaatsing reeds verlengd tot 16 december 2013.

De moeder betoogde dat zij inmiddels in staat was de zorg voor het kind op zich te nemen en dat het traject bij De Bron niet betekende dat zij niet voor het kind kon zorgen. Zij stelde zich begeleidbaar op en wilde meewerken aan dagbehandeling, waarbij het kind bij haar kon wonen. De moeder wees een plaatsing bij de vader af vanwege onbetrouwbaarheid en zorgpunten.

BJZ en de vader bestreden het beroep van de moeder en steunden de verlenging van de machtiging. Het hof oordeelde dat de gronden voor uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn. Het kind vertoont gedragsproblemen en heeft veel structuur nodig, die de moeder momenteel niet kan bieden. De moeder heeft moeite met grenzen stellen en het kind vertoont zorgelijk gedrag, ook op school. De onstabiele woonsituatie en financiële onzekerheid van de moeder verhinderen terugkeer.

Het hof concludeerde dat terugkeer naar de moeder niet mogelijk is en dat een neutrale plaatsing noodzakelijk blijft. Het hoger beroep van de moeder werd ongegrond verklaard en de bestreden beschikking bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van het minderjarige kind tot 16 december 2013.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.130.286/01
(zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad C/17/126213 FJ RK 13-358)
beschikking van de familiekamer van 31 oktober 2013
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. L.G. Mellens-Schrage, kantoorhoudend te Hoogezand,
tegen
Bureau Jeugdzorg Friesland,
gevestigd te Leeuwarden,
verder te noemen: BJZ,
verweerster in hoger beroep.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. E.H. Jansen, kantoorhoudende te Groningen.

1.Het geding in eerste aanleg

1.1
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 12 april 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 11 juli 2013, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 12 april 2013 (verder te noemen: de bestreden beschikking). De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, dan wel het beroep gegrond te verklaren en/of te bepalen dat de minderjarige [kind], geboren [in 2008], niet langer uit huis wordt geplaatst, in die zin dat de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing niet wordt verlengd, althans wordt verlengd voor een periode van drie maanden, althans een zodanige beslissing te geven als het hof juist acht.
2.2
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 5 augustus 2013, heeft BJZ het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing van het verzoek met bekrachtiging van de bestreden beschikking.
2.3
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 6 augustus 2013, heeft de vader het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing van het verzoek met bekrachtiging van de bestreden beschikking.
2.4
Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:
- op 18 september 2013 een brief van 13 september 2013 van BJZ met bijlagen;
- op 16 september 2013 een faxbericht van BJZ (met bijlagen).
2.5
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof van 30 september 2013. Verschenen zijn de moeder en haar advocaat, de vader en zijn advocaat en namens BJZ mw. Lautenbach (juriste) en mw. Van Eijsden (gezinsvoogdes). Namens BJZ zijn pleitaantekeningen overgelegd.

3.Feiten en achtergronden

3.1
[kind], thans vijf jaar oud, is geboren uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk tussen de vader en de moeder.
3.2
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [kind]. Zij is na de scheiding bij de moeder gaan wonen. De ouders hebben nog twee minderjarige kinderen, [kind 2] en [kind 3]. Ten aanzien van [kind 2] en [kind 3] zijn de ouders ontheven van het ouderlijk gezag. Zij verblijven in een pleeggezin.
3.3
[kind] is door de kinderrechter per 16 december 2011 onder toezicht gesteld.
3.4
Voorafgaand aan de ondertoezichtstelling van [kind] heeft hulpverlening in een vrijwillig kader plaatsgevonden. Zo is in de periode van december 2010 tot februari 2011 'Family First' ingezet en aansluitend Intensieve Ambulante Gezinsbegeleiding (IAG). Voorts is in 2011 gezinstherapie ingezet en heeft de moeder schuldhulpverlening gehad (WSNP).
3.5
De ondertoezichtstelling van [kind], laatstelijk door de kinderrechter verlengd tot 16 december 2013, heeft uithuisplaatsing van [kind] niet kunnen voorkomen.
3.6
De kinderrechter heeft met ingang van 22 juni 2012 machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 16 december 2012. Sinds juni 2012 verblijft [kind] op basis van voormelde machtiging in een pleeggezin. Bij beschikking van 14 december 2012 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] verlengd tot 16 april 2013.
3.7
De moeder en [kind] zijn van 2 januari 2013 tot 22 maart 2013 opgenomen geweest in de De Bron in Beilen. In het eindverslag van de behandelcoördinator [naam] van De Bron is als volgt geconcludeerd en geadviseerd:
"Moeder heeft hard gewerkt en heel veel inzet getoond om de emoties, voortkomend uit het
verleden, die haar parten spelen bij het opvoeden van [kind] onder controle te krijgen. Dat is
deels gelukt. Tegelijkertijd worden deze emoties bij stress, die in ieders leven toch altijd
voorkomt, heel snel getriggerd. Moeder heeft heel erg veel meegemaakt en is veel tekort
gekomen in haar jeugd. Moeder realiseert zich dat ze eerst tot verwerking van een aantal
dingen moeten komen. Als dat gebeurd is, zullen haar emoties minder heftig zijn en het voor
haar veel meer haalbaar zijn om ze te controleren. Pas dan zal moeder er volledig en
structureel voor [kind] kunnen zijn. In de tussentijd is het verstandig dat [kind] in een ander
gezin opgevoed wordt, waar ze meer stabiliteit en structuur kan ervaren. Daarin is het wel van
belang dat moeder en [kind] met grote regelmaat contact hebben. Moeder en dochter hebben
een band met elkaar en het is voor [kind] van belang dat haar moeder toestemming geeft om
elders te wonen. Daarnaast kan [kind] dan ook zien dat moeder hard aan het werk is om haar
emoties op orde te krijgen en kan [verzoekster] [kind] steeds weer uitleggen dat het niet aan
ligt dat ze niet samen wonen maar dat moeder eerst nog iets anders te doen heeft
voordat ze 100% ouder kan zijn."
3.8
Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 2 april 2013, heeft BJZ verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] gevraagd voor de duur van de ondertoezichtstelling (dus tot 16 december 2013). In dat verzoek is onder het kopje "De aanleiding van het verzoek is als volgt" onder meer opgemerkt dat tijdens de plaatsing van de moeder en [kind] in Beilen is gebleken dat het voor de moeder op korte termijn niet haalbaar is volledig voor [kind] te zorgen, hetgeen heeft geresulteerd in plaatsing van [kind] in een nieuw pleeggezin. Op dit moment is plaatsing van [kind] in een neutraal pleeggezin volgens BJZ noodzakelijk. [kind] heeft na een aantal hectische jaren behoefte aan rust. In de tussentijd zullen de mogelijkheden voor plaatsing van [kind] bij één van de ouders worden onderzocht en zal de moeder (eerst) een eigen hulpverleningstraject gaan volgen.
3.9
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter - na mondelinge behandeling van de zaak op 12 april 2013 - de termijn van machtiging uithuisplaatsing van [kind] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 16 april 2013 tot 16 december 2013.
3.1
De moeder is in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

4.De motivering van de beslissing

4.1
Ter beoordeling staat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 16 april 2013 tot 16 december 2013. Tot de stukken behoort een indicatiebesluit van BJZ dat daarmee in overeenstemming is.
4.2
Ingevolge de artikelen 1:261 lid 1 en 1:262 lid 1 BW kan de rechter BJZ op zijn verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid en kan die maatregel telkens voor ten hoogste een jaar worden verlengd indien de gronden daarvoor nog bestaan.
4.3
De moeder is blijkens het beroepschrift en het verhandelde ter zitting kort samengevat van mening dat de beëindiging van het traject bij de De Bron niet betekent dat zij de zorg voor [kind] niet op zich kan nemen. De moeder begrijpt wel de conclusie van De Bron dat zij aan zichzelf moet werken, maar merkt op dat zij zich begeleidbaar opstelt en mee wil werken aan dagbehandeling. Tijdens de dagbehandeling kan [kind] volgens de moeder bij haar wonen omdat bij de moeder thuis ook begeleiding en voldoende zorg aanwezig is. De moeder woont begeleid en daarnaast is er de ondertoezichtstelling. Dit biedt volgens de moeder voldoende waarborgen voor het welzijn en de veiligheid van [kind]. In ieder geval wil de moeder niet dat [kind] bij de vader gaat wonen. Hij is onbetrouwbaar in het nakomen van afspraken rondom de omgang en de moeder is bang dat alle contacten tussen [kind] en de moeder dan worden geblokkeerd, nog afgezien van de andere zorgpunten die de moeder omtrent de vader naar voren heeft gebracht.
4.4
BJZ en de vader hebben het standpunt van de moeder gemotiveerd bestreden en scharen zich achter de bestreden beschikking.
4.5
Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat, anders dan de moeder betoogt, de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] nog steeds aanwezig zijn en de onderhavige verlenging noodzakelijk is.
4.6
Uit de stukken blijkt dat [kind] vóór haar uithuisplaatsing in de thuissituatie bij de moeder getuige is geweest van huiselijk geweld en geruime tijd in een onveilige en onvoorspelbare opvoedingssituatie heeft verkeerd. De gevolgen daarvan ondervindt [kind] nog steeds. Zij vertoont gedragsproblemen en heeft daardoor veel structuur en voorspelbaarheid nodig. Uit de ouderschapsbeoordeling van De Bron blijkt dat de moeder eerst aan haar problemen moet werken. De moeder is op eigen initiatief gestopt met het traject in Beilen. BJZ achtte het op dat moment in belang van [kind] dat zij in een pleeggezin zou worden opgevangen. Tijdens de behandeling in Beilen is gebleken dat de moeder zeer veel moeite heeft om [kind] structuur te bieden, grenzen te stellen, consequent te zijn en een goede balans te vinden tussen straffen en belonen. De moeder heeft na beëindiging van het traject in Beilen aangegeven dat zij zelf hulp zou inschakelen bij de GGZ maar dat is (nog) niet van de grond gekomen. De moeder heeft moeite om [kind] te begrenzen. [kind] vertoont zorgelijk gedrag. Zij is zeer druk in het pleeggezin en ook op school is zij niet te handhaven door haar drukke gedrag waardoor er een indicatie voor speciaal onderwijs moet worden aangevraagd. [kind] is beschadigd en vereist bijzondere opvoedingsvaardigheden die de moeder haar op dit moment niet kan bieden. Naar het oordeel van het hof is duidelijk dat een terugkeer van [kind] naar de moeder niet tot de mogelijkheden behoort. Dit wordt zo mogelijk nog duidelijker doordat ter zitting van het hof is gebleken dat het leven van de moeder ook in praktische zin nog verre van stabiel is. Zo is de moeder dit jaar in korte tijd ten minste twee keer verhuisd en woont zij sinds september 2013 in [plaats] met haar nieuwe partner die zij drie maanden ervoor heeft ontmoet. Door de verhuizing wordt volgens de moeder het beschermingsbewind dat voor haar in december 2012 is ingesteld 'stopgezet'. De onduidelijkheid over de financiële situatie van de moeder en de bestendigheid van haar woonsituatie staan eveneens in de weg aan terugkeer van [kind] naar de moeder.
4.7
Voor zover de moeder bezwaar heeft tegen een plaatsing van [kind] bij de vader, daargelaten dat zulks niet tot de conclusie kan leiden dat [kind] naar de moeder kan terugkeren, merkt het hof ten slotte op dat BJZ momenteel een en ander nog in onderzoek heeft maar vooralsnog een neutrale plaatsing voorstaat.

5.De slotsom

5.1
Aangezien ook overigens niets is aangevoerd dat tot een ander oordeel kan leiden betekent het voorgaande dat het hoger beroep van de moeder geen doel treft en het hof de bestreden beschikking dus zal bekrachtigen.

6.De beslissing

Het gerechtshof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.
Deze beschikking is gegeven door R. Feunekes, I.A. Vermeulen en D.J. Buijs en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 31 oktober 2013 in bijzijn van de griffier.