Uitspraak
[appellante],
[geïntimeerde],
1.Het geding in eerste aanleg
13 mei 2009 en 7 december 2011 van de rechtbank Groningen.
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 7 februari 2012,
- de memorie van grieven (met producties),
- de memorie van antwoord (met producties),
- een akte van [appellante],
- een antwoordakte.
3.De beoordeling
De brief bevat voorts een kopje “
Voorbehouden”, waarna -onder andere- de volgende tekst is opgenomen:
23 juni 2006 volledig rond zou zijn.
De slotpassage van de brief luidt als volgt:
“Geachte heer [namens geïntimeerde 1],
4.Het geschil en de beslissing in eerste aanleg
5.De grieven
"Een ander belangrijk voorbehoud is dat voorafgaande goedkeuring nodig is van de Raad van Bestuur van NUON."
nietin te stemmen met de overeenkomst. Uit de hiervoor onder 5.2.4. genoemde rechtspraak volgt dat thans aan de orde dient te komen of [appellante] voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om een dergelijke uitleg van de voorwaarde te onderbouwen.
"Een ander belangrijk voorbehoud is dat voorafgaande goedkeuring nodig is van de Raad van Bestuur van NUON". In zijn brief van 15 juni 2006 gericht aan [namens Ernst & Young] herhaalt [namens geïntimeerde 1] deze zin letterlijk. Deze laatste brief wordt door [namens Ernst & Young] alsvolgt beantwoord in een e-mail van 21 juni 2006:
"Wij hebben uw brief in goede orde ontvangen en kunnen ons met de inhoud daarvan verenigen."[namens Ernst & Young] heeft als getuige onder ede verklaard dat de goedkeuring in het “voorstadium” zeer nadrukkelijk aan de orde is geweest. Onder deze omstandigheden kan het [appellante] niet zijn ontgaan dat het ging om een voor [geïntimeerde] zwaarwegend vereiste zoals in r.o. 5.2.8. al is overwogen.
nade fusie van Nuon en Essent. [appellante] heeft de fusie dan ook afgewacht, daarmee de onzekerheid aanvaardend dat de overname wellicht niet zou passen in het gefuseerde concern. Mede daarom kunnen de ervaringen aangaande de verlening van goedkeuring uit de periode
voorde fusie niet dienen ter onderbouwing van een gerechtvaardigd vertrouwen aangaande het verkrijgen van instemming door de Raad van Bestuur na de fusie.