Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:948

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
200.357.153/01 OK
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:350 lid 4 BWArt. 3:84 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondernemingskamer gelast onderzoek naar beleid en gang van zaken DBMC NL B.V. na faillissement

Deze zaak betreft een verzoek van Optiallerverst, een 10%-aandeelhouder van de failliete vennootschap DBMC NL B.V., om een onderzoek te gelasten naar het beleid en de gang van zaken van DBMC over de periode 1 januari 2019 tot 24 september 2024. DBMC stond aan het hoofd van een groep Nederlandse en Duitse vennootschappen die zich bezighielden met projectontwikkeling, waaronder het project Schillerquartier in Duitsland. Investeerders hadden ruim € 41 miljoen geleend, maar deze investeringen zijn verloren gegaan zonder duidelijke verklaring.

Optiallerverst stelde dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan het beleid van DBMC, onder meer vanwege onduidelijkheid over de besteding van gelden, het ontbreken van een deugdelijke administratie, het niet voldoen aan accountantscontrole en de betrokkenheid van een veroordeelde persoon bij het beleid. Verweerders betwistten deels hun beleidsrol en wezen op externe oorzaken van het faillissement, zoals de Duitse vastgoedmarkt en macro-economische schokken.

De Ondernemingskamer oordeelde dat er gegronde redenen zijn om aan het beleid en de gang van zaken van DBMC te twijfelen. Het feitelijke bestuur lag mede bij een persoon zonder formele bestuurdersrol, die ook een strafrechtelijke veroordeling had. De Kamer wees het verweer van niet-ontvankelijkheid af en concludeerde dat het verzoek niet een zuiver vermogensrechtelijk geschil betreft. De Kamer gelastte een onderzoek, benoemde een onderzoeker en bepaalde dat de kosten voor rekening van DBMC komen, waarbij Optiallerverst bereid is deze voor te schieten.

De Kamer veroordeelde DBMC, [certificaathouder], Mavet B.V. en [enig bestuurder van Mavet] hoofdelijk in de kosten van de procedure en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Het onderzoek zal zich richten op het beleid van DBMC en haar rol als uitvoerend manager en aandeelhouder van de Duitse dochtervennootschappen, niet op het beleid van die dochtervennootschappen zelf.

Uitkomst: De Ondernemingskamer gelast een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van DBMC NL B.V. over 2019-2024 en veroordeelt partijen hoofdelijk in de kosten.

Uitspraak

beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.357.153/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 8 april 2026
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OPTIALLERVERST B.V.,
gevestigd te Delft,
VERZOEKSTER,
advocaat:
mr. C.F.W.A. Hamm, kantoorhoudende te Rotterdam,
t e g e n
de in staat van faillissement verkerende besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DBMC NL B.V.,
gevestigd te Breda,
VERWEERSTER,
e n t e g e n

1.[certificaathouder] ,

wonende te [plaats] ,
advocaten:
mr. L.L.M. Prinsenen
mr. C. Lathouwers, beiden kantoorhoudend te Breda,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MAVET B.V.,
gevestigd te Hedel,
3.
[enig bestuurder van Mavet] ,
wonende te [plaats] ,
advocaten:
mr. O.J. Hennisen
mr. M.C.J. Jonckers, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MTS MANAGEMENT B.V.,
gevestigd te Puth,
niet bij advocaat verschenen,
5.
mr. K.E.H. DE KLERK,
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van
DBMC NL B.V., kantoorhoudend te Tilburg,
6. de stichting
STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR AVECO,
gevestigd te ’s-Hertogenbosch,
BELANGHEBBENDEN.
Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen als volgt worden aangeduid:
verzoekster als:
Optiallerverst
verweerster als:
DBMC
belanghebbende sub 1 als:
[certificaathouder]
belanghebbende sub 2 en sub 3 als:
Mavet respectievelijk [enig bestuurder van Mavet] en gezamenlijk als Mavet c.s.
belanghebbende sub 4 als:
MTS
belanghebbende sub 5 als
De Klerk q.q.
belanghebbende sub 6 als
[enig bestuurder en aandeelhouder van MTS] (enig bestuurder en aandeelhouder van MTS) als:
STAK Aveco
[enig bestuurder en aandeelhouder van MTS]

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over DBMC, een inmiddels failliete vennootschap die aan het hoofd staat van een groep van vennootschappen die zich bezighouden met projectontwikkeling. Daaronder bevinden zich ook Duitse vennootschappen. DBMC en deze Duitse vennootschappen hebben voor de ontwikkeling van de projecten tot in 2023 aanzienlijke bedragen van investeerders geleend. Die investeringen zijn teloorgegaan zonder dat duidelijk is wat daarvan de oorzaak is. Optiallerverst, een 10%-aandeelhouder van DBMC, verzoekt om een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van DBMC teneinde onder meer op dat punt opheldering te verkrijgen.

2.Het verloop van het geding

2.1
Optiallerverst heeft bij verzoekschrift van 21 juli 2025 de Ondernemingskamer verzocht, samengevat, een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van DBMC over de periode 1 januari 2019 tot 24 september 2024 (de datum waarop DBMC failliet is verklaard) en daarna, voor zover de onderzoeker dat geraden acht, en DBMC te veroordelen in de kosten van de procedure. Zij heeft verzocht dat het onderzoek zich zal uitstrekken tot (i) het beleid van DBMC met betrekking tot het project Schillerquartier en tot enkele Duitse rechtspersonen die nauw aan DBMC verbonden zijn en ii) het verdwijnen van de aan de DBMC-groep geleende gelden en de daarvoor verantwoordelijke personen.
2.2
[certificaathouder] heeft bij verweerschrift van 30 oktober 2025 de Ondernemingskamer verzocht Optiallerverst primair niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, subsidiair zich onbevoegd te verklaren kennis te nemen van het verzoek, althans het verzoek af te wijzen.
2.3
Mavet c.s. hebben bij verweerschrift van 30 oktober 2025 de Ondernemingskamer verzocht zich onbevoegd te verklaren, althans Optiallerverst niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans het verzoek af te wijzen. Indien en voor zover de Ondernemingskamer een onderzoek gelast, verzoeken zij de reikwijdte daarvan te beperken in die zin dat het zich niet tot de Duitse rechtspersonen zal uitstrekken.
2.4
Het verzoek is behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 20 november 2025. De advocaten hebben toen de standpunten van de verschillende partijen toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen en, wat mr. Prinsen en mrs. Hennis en Jonckers betreft, onder overlegging van vooraf toegestuurde nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.

3.Feiten

3.1
DBMC is op 17 september 2019 opgericht en op 24 september 2024 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van De Klerk q.q. als curator. De aandelen in DBMC worden gehouden door Optiallerverst (10% van de aandelen), STAK Aveco (60%), MTS (20%) en Mavet (10%). Enig bestuurder van DBMC is MTS, waarvan [enig bestuurder en aandeelhouder van MTS] enig bestuurder en aandeelhouder is.
3.2
STAK Aveco heeft voor de door haar gehouden aandelen in DBMC certificaten van aandelen uitgegeven aan [certificaathouder] . [enig bestuurder van Mavet] is enig bestuurder en begunstigde van Mavet.
3.3
DBMC staat aan het hoofd van een groep Nederlandse en Duitse vennootschappen die zich bezighouden met projectontwikkeling. Een van de projecten van de groep is het project ‘Schillerquartier’ in het centrum van Mönchengladbach, Duitsland (hierna: het Project). Daarbij zijn, naast DBMC, verschillende Duitse (klein)dochtervennootschappen van DBMC betrokken.
3.4
[enig bestuurder en aandeelhouder van MTS] is ook, al dan niet via MTS, bestuurder van die Duitse vennootschappen.
3.5
[certificaathouder] heeft de investeerders voor het Project geworven en heeft zich daarbij gepresenteerd als
non-executive directorvan DBMC. In werkelijkheid had hij geen formele functie als bestuurder of toezichthouder bij DBMC en werkte hij voor DBMC op basis van een overeenkomst van opdracht. In de considerans van een ‘Consultancy-Agreement’ van 3 januari 2022 tussen DBMC en een vennootschap van [certificaathouder] staat dat DBMC “wishes the policy and strategy of its company to be performed by” de vennootschap van [certificaathouder] . Daarin staat verder dat de vennootschap van [certificaathouder] een minimum fee van € 14.000 per maand zal ontvangen, exclusief btw en onkosten.
3.6
[certificaathouder] is bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank Luxemburg van 31 januari 2019 in verband met zijn betrokkenheid bij een andere groep van vennootschappen die zich bezighield met projectontwikkeling (de Multiplan-groep) veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar voor misbruik van vennootschapsgoederen (
abus de biens sociaux) en witwassen. Dit vonnis is wat betreft de bewezenverklaringen bekrachtigd bij arrest van het Gerechtshof Luxemburg van 25 november 2020. Bij dit arrest is de straf voor [certificaathouder] verlaagd tot een gevangenisstraf van vier jaar. Het cassatieberoep van [certificaathouder] tegen dit arrest is begin 2022 verworpen.
3.7
[enig bestuurder en aandeelhouder van MTS] was in ieder geval vanaf oktober 2020 van de strafzaak tegen [certificaathouder] op de hoogte. [enig bestuurder van Mavet] was in ieder geval vanaf december 2021 van de strafzaak tegen [certificaathouder] op de hoogte. Bij e-mail van 3 december 2021 stuurde [certificaathouder] hem zonder toelichting een processtuk in de procedure voor de Luxemburgse Cour de Cassation, waarin staat vermeld waarvoor [certificaathouder] eerder door het Gerechtshof Luxemburg was veroordeeld.
3.8
Het Project is gefinancierd met leningen van 48 investeerders tot een totaalbedrag van ruim € 41 miljoen. Het grootste deel daarvan (ruim € 38 miljoen) hebben zij in de periode 2019-2023 geleend aan SQ Schillerquartier GmbH (hierna: Schillerquartier), een Duitse (indirecte minderheids)deelneming van DBMC. Daarnaast heeft Optiverder B.V., een vennootschap van [investeerder] (hierna: [investeerder] ), op 20 november 2019 een bedrag van € 3 miljoen aan DBMC geleend. Optiverder heeft kort nadien tevens 10% van de aandelen in DBMC verkregen, die zij enkele maanden later heeft overgedragen aan Optiallerverst, een vennootschap waarvan de kinderen van [investeerder] de begunstigden zijn. [investeerder] in privé behoort ook tot de investeerders. Hij heeft in 2020 en in juni 2023 aan Schillerquartier leningen verstrekt tot een totaalbedrag van € 7,5 miljoen.
3.9
Het Project bestaat uit drie delen. Ieder deel werd gebouwd op grond toebehorende aan een Duitse 100%-(klein)dochtervennootschap van DBMC. DBMC was tot haar faillietverklaring uitvoerend manager van het Project. Een andere Duitse (klein)dochtervennootschap was de uitvoerend aannemer van het Project. Eind 2021 zijn de drie delen van het project verkocht aan HIH Real Estate GmbH (hierna: HIH). Voor het eerste deel van het Project is de koopovereenkomst ook uitgevoerd.
3.1
In oktober 2023 heeft bestuurder [enig bestuurder en aandeelhouder van MTS] zich ziekgemeld. Vanaf die datum heeft hij geruime tijd geen noemenswaardige werkzaamheden als bestuurder meer verricht.
3.11
Op 23 november 2023 heeft [certificaathouder] aan [investeerder] meegedeeld dat er grote betalingsproblemen waren, dat er nog € 10 miljoen extra nodig was om het tweede en derde deel van het Project af te ronden en dat de reeds verstrekte geldleningen niet, althans niet tijdig, terugbetaald konden worden.
3.12
[investeerder] , Optiverder en Optiallerverst hebben naar aanleiding van deze mededeling op 25 en 28 november 2023 en op 1, 5, 11, 14 en 20 december 2023 informatie opgevraagd bij DBMC. Op 26 december 2023 hebben zij hun geldleningen opgeëist en nogmaals om opheldering en verstrekking van informatie verzocht.
3.13
In januari 2024 is aan [enig bestuurder van Mavet] gevraagd, gelet op zijn ervaring als projectontwikkelaar, om te helpen het Project vlot te trekken. Er is vervolgens over de wijze waarop het Project vlot getrokken moest worden een verschil van inzicht gerezen tussen [enig bestuurder van Mavet] en [certificaathouder] enerzijds – die een KfW-subsidie wilden behouden – en (onder anderen) [investeerder] , Optiverder en Optiallerverst anderzijds. De visie van de laatsten is uiteindelijk gevolgd.
3.14
In maart 2024 heeft de Coral Capital-groep een hypothecaire noodfinanciering van € 20 miljoen aan een van de projectvennootschappen verstrekt om te voorkomen dat deel 3 van het Project stil kwam te liggen.
3.15
HIH heeft op 5 juni 2024 de koopovereenkomst voor het tweede en derde deel van het Project ontbonden. Een vordering tot nakoming van de koopovereenkomst tegen HIH in kort geding bij een Duitse rechter is bij vonnis van 20 juni 2024 afgewezen.
3.16
Op 27 juni 2024 heeft Optiverder het faillissement van DBMC aangevraagd. Optiverder heeft die aanvraag ingetrokken nadat DBMC haar een betaling van € 150.000 had toegezegd.
3.17
Bij brief van 8 augustus 2024 heeft Optiallerverst haar bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken van DBMC kenbaar gemaakt.
3.18
Op 3 september 2024 heeft Optiverder het faillissement van DBMC opnieuw aangevraagd. Daarop is DBMC bij vonnis van 24 september 2024 failliet verklaard.
3.19
De jaarrekeningen van DBMC over 2021 tot en met 2023 zijn niet vastgesteld door de algemene vergadering. Over deze jaren zijn wel voorlopige jaarrekeningen gedeponeerd bij het handelsregister. De voorlopige jaarrekeningen over 2022 en 2023 zijn gedeponeerd op 6 september 2024.
3.2
Een schriftelijke verklaring van [directeur Realisatie] , Directeur Realisatie van het Project, van 12 april 2024, luidt als volgt:
[certificaathouder] heeft altijd beweerd dat de nog te maken bouwkosten voor het volledige
project Schillerquartier bouwdeel 302 € 9,1 miljoen excl. btw zouden bedragen. Vanaf
het eerste moment heb ik, als Directeur Realisatie tegen [certificaathouder] als leidinggevende,
met klem benadrukt dat dit bedrag veel te laag zou zijn en dat er zeker € 14,0-14,5
miljoen excl. btw nodig was om het Bouwdeel 302 te kunnen realiseren. Dit werd door
[certificaathouder] nadrukkelijk ontkend en tegengesproken, wat tot de nodige discussies heeft
geleid. lk heb geprobeerd om vanuit een rationele benadering het kostenbeeld helder
weer te geven, maar [certificaathouder] bleef onverstoord vasthouden aan zijn oorspronkelijke
€ 9,1 miljoen aan directe bouwkosten en daar moest het maar voor gemaakt worden.
Hierbij wil ik benadrukken dat de door mij genoemde € 14,0- € 14,5 miljoen slechts
betrekking had op de directe, nog te maken bouwkosten voor bouwdeel 302.
Hierbovenop zouden nog btw, algemene kosten, financieringslasten en een post voor
onvoorziene uitgaven moeten komen. Dit in aanmerking nemende wist [certificaathouder]
vanaf het begin dat de financieringsbehoefte veel hoger was, mede door bouwdeel 326
die er nog bij moest, dan door hem aangegeven. Hiermee was hij dus ook tijdens het
tekenen van de term sheet met Coral Capital op de hoogte dat de desbetreffende
financiering van in totaal € 15,1 miljoen ontoereikend zou zijn om bouwdeel 302 en 326
af te ronden.
3.21
Een schriftelijke verklaring van [enig bestuurder van Mavet] en [de] , Manager Investor Relations DBMC, van 12 april 2024 luidt, voor zover van belang:
[certificaathouder] had als een van de financiers van het project een bedrag van € 1,7 miljoen
geïnvesteerd in Schillerquartier. Dit bedrag had hij echter voor andere doeleinden, zonder
overleg, uit Schillerquartier onttrokken. Na constatering dat de kosten voor Schillerquartier volledig uit de hand waren gelopen en de kas leeg was, eisten de overige oorspronkelijke financiers dat [certificaathouder] het bedrag van € 1,7 miljoen zou terugstorten in de financieringsentiteit. Uiteindelijk heeft hij in het bovengenoemde gezelschap Martin
[enig bestuurder van Mavet] de hand geschud en gegarandeerd dat hij in ieder geval voor € 1 miljoen zou
meedoen aan de benodigde financiering om het project Schillerquartier te kunnen afronden. De hoogte van de oorspronkelijke financiering, € 15,1 miljoen, was gebaseerd op een berekening die door [certificaathouder] zelf was opgesteld. In de weken voorafgaand aan dit
gesprek met [certificaathouder] waren er meerdere signalen, vanuit onder andere de Directeur
Realisatie en gesprekken met onderaannemers, dat dit bedrag niet toereikend zou zijn. Dit
werd door [certificaathouder] consequent tegengesproken.
3.22
De al genoemde [directeur Realisatie] heeft in een e-mail van 28 oktober 2025 aan [enig bestuurder van Mavet] geschreven:
De verdachtmakingen dat [enig bestuurder van Mavet] ooit feitelijk leidinggevende zou zijn geweest zijn pertinent onjuist (…) In de dagelijkse gang van zaken waren feitelijk leidinggevenden [enig bestuurder en aandeelhouder van MTS] en [certificaathouder] . [certificaathouder] was mijn directe kontaktpersoon die zich tot in detail met het beleid van DBMC en de projecten incl. de budgetten en onderhandelingen met onderaannemers bezig hield. Dhr [certificaathouder] was verantwoordelijk gezien zijn opdrachten voor de uitvoering en planning met name Vught en Mönchengladbach. Alle opdrachten kwamen uit naam van DHR [certificaathouder] .

4.De gronden van de beslissing

4.1
Optiallerverst heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van DBMC, omdat – kort gezegd – onduidelijk is waar het geïnvesteerde geld is gebleven en er belangrijke aanwijzingen zijn dat binnen de DBMC-groep is gehandeld in strijd met elementaire beginselen van behoorlijk ondernemerschap. Als toelichting heeft Optiallerverst – samengevat – het volgende naar voren gebracht:
a. In totaal hebben investeerders ruim € 41,5 miljoen geleend aan de DBMC-groep voor het Project en dat geld is enkele jaren later geheel verloren gegaan. De vele pogingen tot opheldering van de besteding van het geïnvesteerde geld en waardoor het verloren is gegaan, zijn mislukt. Hoofdrolspelers [certificaathouder] , [enig bestuurder van Mavet] en [enig bestuurder en aandeelhouder van MTS] hebben geen opheldering verschaft.
b. Er zijn belangrijke aanwijzingen dat bij het aantrekken van de gelden onjuiste of misleidende informatie is verstrekt en dat gelden voor andere doelen zijn gebruikt dan waarvoor zij zijn verstrekt.
c. Er is geen deugdelijke administratie gevoerd, zodat geen behoorlijk inzicht bestond in de rechten en verplichtingen van DBMC en haar projecten.
d. DBMC heeft geen accountantscontrole op haar jaarrekeningen sinds 2019 toegepast en niet voldaan aan haar deponeringsverplichtingen.
e. Het feitelijke bestuur bij de DBMC-groep is overgelaten aan [certificaathouder] , tegen wie ernstige bezwaren bestonden in verband met een strafrechtelijke veroordeling van begin 2019, die in 2020 en 2022 door hogere rechters is bekrachtigd.
f. In 2021 en 2022 hebben [certificaathouder] en Mavet als insiders geldleningen die zij of aan hen gelieerde partijen aan Schillerquartier hadden verstrekt, laten terugbetalen tot een totaalbedrag van € 3,3 miljoen, terwijl zij wisten dat de groep toen al in ernstige liquiditeitsproblemen verkeerde.
4.2
Daartegenover hebben [certificaathouder] en Mavet c.s. gemotiveerd verweer gevoerd. De Ondernemingskamer zal hieronder waar nodig op dit verweer ingaan.
Bevoegdheid Ondernemingskamer
4.3
Anders dan Mavet c.s. hebben betoogd, is de Ondernemingskamer bevoegd tot kennisneming van het verzoek nu dat ertoe strekt dat een onderzoek wordt gelast naar het beleid en de gang van zaken van de Nederlandse vennootschap DBMC en niet naar het beleid en de gang van zaken van haar Duitse (klein)dochtervennootschappen.
Ontvankelijkheid Optiallerverst
4.4
Het meest vergaande verweer van [certificaathouder] is dat Optiallerverst niet-ontvankelijk is in haar verzoek. Volgens [certificaathouder] is Optiallerverst geen aandeelhouder van DBMC geworden omdat haar rechtsvoorganger Optiverder de aandelen in DBMC zou hebben verkregen in strijd met het fiducia-verbod van artikel 3:84 lid 3 BW Pro. De overdracht aan Optiverder was daarom nietig, zodat Optiverder beschikkingsonbevoegd was en Optiallerverst ook geen aandeelhouder is geworden, aldus [certificaathouder] .
4.5
[certificaathouder] wijst in dit verband op de volgende bepalingen in de overeenkomst van geldlening tussen Optiverder en DBMC van 20 november 2019, waarin ook de verkrijging door Optiverder van aandelen DBMC overeengekomen is:
1. [Optiverder] verkrijgt een belang van 10% in het aandelenkapitaal van [DBMC], de 10% aandelen zullen als uitbreiding op het huidige aandelenkapitaal worden bijgeplaatst.
2. [Optiverder] verklaart hiermee dat hij ter verkrijging van het aandelenkapitaal zoals
bedoeld onder 1, een bedrag van € 3.000.000- (zegge: drie miljoen euro), ten laatste 5 dagen
na ondertekening van deze overeenkomst overmaakt op het rekeningnummer van DBMC (…)
3. De door [DBMC] te vergoeden rente bedraagt 5% per jaar (…)
4. De lening zal afgelost worden op 31.12.2024, na aflossing van de lening zullen de aandelen
weer toekomen aan DBMC NL B.V. In onderling overleg kan besloten worden de looptijd van de lening te verlengen.
4.6
De Ondernemingskamer stelt vast dat aan deze afspraak tot verkrijging van aandelen in DBMC door Optiverder uitvoering is gegeven bij notariële akte van uitgifte van aandelen van 24 januari 2020, die Optiallerverst ook bij haar verzoekschrift in het geding heeft gebracht. Bij die akte heeft DBMC 125 aandelen in haar kapitaal uitgegeven aan Optiverder en heeft Optiverder verklaard de door haar verkregen aandelen onverwijld na het verlijden van de akte van uitgifte vol te storten.
4.7
Van een overdracht van aandelen aan Optiverder is dus geen sprake geweest. De aandelen zijn door DBMC aan Optiverder uitgegeven. Het bepaalde in artikel 3:84 lid 3 BW Pro is van toepassing op een overdracht van aandelen, maar niet op een uitgifte van aandelen. Het betoog van [certificaathouder] dat Optiallerverst haar aandelen heeft verkregen van een beschikkingsonbevoegde faalt daarmee, zodat het beroep op niet-ontvankelijkheid van Optiallerverst niet opgaat. De stelling van [certificaathouder] dat Optiverder en later Optiallerverst geen interesse hebben getoond in de gang van zaken bij DBMC zolang de leningen maar werden voldaan, kan – ook indien juist – geen afbreuk doen aan de ontvankelijkheid van Optiallerverst. Dat de drijfveer van Optiallerverst om gebruik te maken van haar enquêtebevoegdheid mogelijk mede gelegen is haar wens om voor de belangen van aan haar gelieerde schuldeisers op te komen, levert geen misbruik van die bevoegdheid op en staat niet in de weg aan haar ontvankelijkheid.
Gegronde redenen
4.8
De Ondernemingskamer komt dus toe aan de vraag of er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij DBMC te twijfelen. [certificaathouder] en Mavet c.s. hebben slechts in beperkte mate betwist dat daarvan sprake is. Zij zijn in hun verweerschriften vooral ingegaan op hun eigen rol bij DBMC. [certificaathouder] heeft betwist dat hij beleidsbepaler is geweest bij DBMC. [enig bestuurder van Mavet] heeft op zijn beurt ook betwist dat hij beleidsbepalend is geweest. [certificaathouder] heeft verder aangevoerd dat de primaire oorzaken van het faillissement van DBMC buiten de onderneming liggen, met name in de scherpe neergang van de Duitse vastgoedmarkt vanaf 2022 en de macro-economische schokken na de Russische inval in Oekraïne. Daarnaast heeft volgens [certificaathouder] en Mavet c.s. ook aan het faillissement bijgedragen de keuze die, tegen hun advies in, begin 2024 is gemaakt om de KfW-subsidie niet veilig te stellen. Volgens [certificaathouder] heeft [enig bestuurder en aandeelhouder van MTS] als bestuurder bovendien een aantal verkeerde keuzes gemaakt, onder andere bij het uitonderhandelen van de inhoud van de koopovereenkomst met HiH.
4.9
De Ondernemingskamer komt tot de conclusie dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan juist beleid en een juiste gang van zaken van DBMC. Dat wordt hierna toegelicht.
4.1
DBMC is een houdstervennootschap die tot aan haar faillissement werkzaamheden voor haar dochtervennootschappen verrichtte en onder andere optrad als uitvoerend manager van het Project, dat in een aantal Duitse dochtervennootschappen werd gerealiseerd. Het uitblijven van (voldoende) inkomstenstromen vanuit de dochtervennootschappen heeft tot het faillissement van DBMC geleid. DBMC maakte namelijk kosten voor haar eigen werknemers (acht tot tien in aantal) en eigen financiering, die zij doorbelastte aan haar dochtervennootschappen. [enig bestuurder en aandeelhouder van MTS] heeft ter zitting verklaard dat de Duitse dochtervennootschappen die doorbelaste kosten niet betaalden. De problemen bij de Duitse dochtervennootschappen hebben – mogelijk naast problemen bij andere dochtervennootschappen – het faillissement van DBMC veroorzaakt.
4.11
Het moet ervoor worden gehouden dat DBMC het beleid van de Duitse dochtervennootschappen in vergaande mate bepaalde. Er was sprake van een centrale leiding over het Project vanuit DBMC. Dat werd vergemakkelijkt doordat [enig bestuurder en aandeelhouder van MTS] niet alleen bij DBMC, maar ook bij de Duitse dochtervennootschappen, de enige (indirect) bestuurder was. DBMC kon niet zelf als bestuurder van de Duitse dochtervennootschappen optreden, omdat naar Duits recht alleen een natuurlijk persoon bestuurder (
Geschäftsführer) van een GmbH kan zijn.
4.12
Er kunnen veel vraagtekens worden geplaatst bij het beleid dat DBMC heeft gevoerd ten aanzien van haar dochtervennootschappen. In korte tijd zijn aanzienlijke verliezen ontstaan. Ogenschijnlijk plotseling en onverwacht bleek in de loop van 2023 aanvullende bouwfinanciering nodig om het Project af te kunnen ronden. Er zijn serieuze aanwijzingen dat de verliezen en de noodzaak van aanvullende financiering (mede) te wijten zijn aan een aanzienlijke en voor DBMC voorzienbare overschrijding van de geprognosticeerde bouwkosten (zie 3.20 en 3.21). Een rol kan ook hebben gespeeld dat, naar [certificaathouder] in zijn verweerschrift heeft bevestigd, de administratie bij de Duitse dochtervennootschappen niet op orde was.
Verder rijzen er vragen over de betalingen die Schillerquartier in 2021 en 2022 heeft verricht aan [certificaathouder] en aan hem gelieerde (rechts)personen tot een totaalbedrag van € 2,3 miljoen en, zij het in mindere mate, over de betaling van Schillerquartier aan [enig bestuurder van Mavet] van € 1 miljoen. [enig bestuurder van Mavet] heeft toegelicht wat de achtergrond van de betaling aan hem is geweest: het was een vooraf overeengekomen terugbetaling van een kortlopende brugfinanciering totdat HiH haar eerste betaling zou doen; de terugbetaling is gedaan uit de van HiH in oktober 2022 ontvangen koopsom. [certificaathouder] heeft nagelaten een toelichting gegeven op de betalingen aan hem, zijn schoonvader en enkele met [certificaathouder] bevriende (rechts)personen en is ook niet ingegaan op de stelling van Optiallerverst dat deze betalingen werden gedaan terwijl andere schuldeisers onbetaald bleven en de groep toen in ernstige liquiditeitsproblemen verkeerde. Daarmee roepen met name de betalingen aan [certificaathouder] en aan hem gelieerde partijen vragen op.
4.13
Optiallerverst heeft als aandeelhouder vanaf november 2023, toen zij van [certificaathouder] verontrustende informatie ontving over de financiële situatie van de groep, herhaaldelijk legitieme verzoeken om informatie gericht tot DBMC. Betwijfeld kan worden of daarop voldoende adequate antwoorden zijn gekomen. De zorgelijke financiële situatie van de groep ging ook Optiallerverst als 10%-aandeelhouder aan, zodat Optiallerverst – ook buiten het verband van een algemene vergadering – om een uitgebreide toelichting op de gang van zaken en de financiële situatie van de groep mocht vragen. Zo was haar verzoek om een cash-flowprognose te mogen ontvangen legitiem. Dat daarop een adequate reactie is gekomen is niet gebleken.
4.14
Verder zijn geen jaarrekeningen over de jaren vanaf 2021 ter vaststelling aan de algemene vergadering van DBMC voorgelegd. De niet-vastgestelde jaarrekening van DBMC over 2022 is bovendien pas op 6 september 2024, en dus te laat, gepubliceerd. Mogelijk – het is in deze procedure in ieder geval niet betwist – heeft DBMC ook ten onrechte nagelaten accountantscontrole op haar (laatste) jaarrekeningen te laten uitvoeren. De Ondernemingskamer beschikt niet over voldoende gegevens om daarover nu te oordelen.
4.15
Bovendien staat vast dat de enige (al dan niet indirecte) bestuurder van DBMC en haar dochtervennootschappen vanaf oktober 2023 ziek is geweest en geruime tijd geen noemenswaardige werkzaamheden meer heeft verricht. Onduidelijk is wie vanaf dat moment de verantwoordelijkheid voor het beleid van DBMC op zich heeft genomen.
4.16
Daarnaast zijn er sterke aanwijzingen dat [certificaathouder] in ieder geval feitelijk het beleid van DBMC mede bepaalde in de periode tot oktober 2023, toen [enig bestuurder en aandeelhouder van MTS] nog niet ziek was. Hij bekleedde weliswaar niet een vennootschappelijke rol bij DBMC en haar dochtervennootschappen, maar het lijkt erop dat hij het beleid bij DBMC (mede ten aanzien van haar dochtervennootschappen) ten minste mede vorm gaf. Daarop wijst:
  • de considerans van de overeenkomst van opdracht tussen DBMC en (de vennootschap van) [certificaathouder] (zie 3.5);
  • de hoogte van de vaste maandelijkse minimum-fee van [certificaathouder] ( [certificaathouder] heeft niet weersproken dat die het dubbele bedroeg van de fee van formele bestuurder [enig bestuurder en aandeelhouder van MTS] );
  • de eigen stelling van [certificaathouder] dat zijn beslissing om niet (de uitvoerend) bestuurder van DBMC te worden verband hield met destijds nog lopende procedure in Luxemburg;
  • de omstandigheid dat [enig bestuurder en aandeelhouder van MTS] voor de oprichting van DBMC de rechterhand en vertrouwenspersoon van [certificaathouder] was in diens rol van bestuurder van het vergelijkbare bedrijf Multiplan;
  • de in 3.20 tot en met 3.22 vermelde verklaringen van Van Loo en [enig bestuurder van Mavet] ;
  • de notulen van de vergaderingen van de raad van advies, waarin de naam van [certificaathouder] staat vermeld onder de aanwezigen namens DBMC respectievelijk onder “Senior Management Team van DBMC”;
  • dat [certificaathouder] zich regelmatig ten onrechte presenteerde als non-executive director van DBMC, bijvoorbeeld tegenover de investeerders, en die titel ook gebruikte onder uitgaande e-mails;
  • de verklaring van [enig bestuurder en aandeelhouder van MTS] ter zitting dat [certificaathouder] hem in grote lijnen vertelde wat hij moest doen en dat hij soms werd overruled door [certificaathouder] .
4.17
Deze ogenschijnlijke discrepantie tussen de formele en de feitelijke invulling van de bestuurstaken geeft te denken. Dit geldt te meer nu diverse betrokkenen (onder wie in ieder geval [enig bestuurder en aandeelhouder van MTS] en [enig bestuurder van Mavet] ) vanaf zeker moment (zie 3.6) op de hoogte waren van de strafrechtelijke veroordeling van [certificaathouder] die begin 2019 in Luxemburg is uitgesproken (en daarna tot in hoogste instantie in stand is gebleven) voor misbruik van vennootschapsgoederen en witwassen, terwijl die veroordeling voor de buitenwacht, waaronder de investeerders, in het algemeen verborgen bleef.
4.18
Hetgeen in 4.10 tot en met 4.17 is overwogen levert, in onderlinge samenhang bezien, gegronde redenen op om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van DBMC te twijfelen. Uit het voorgaande volgt ook dat, anders dan [certificaathouder] heeft betoogd, geen sprake is van een zuiver vermogensrechtelijk geschil.
Belangenafweging
4.19
[certificaathouder] en Mavet c.s. hebben betoogd dat de Ondernemingskamer in dit geval op basis van een belangenafweging het gelasten van een onderzoek achterwege zou moeten laten. Zij wijzen erop dat de curator in het faillissement van DBMC onderzoek naar de oorzaken van het faillissement en eventuele onregelmatigheden kan doen en een dergelijk onderzoek inmiddels ook daadwerkelijk verricht; dat zij aan dat onderzoek willen meewerken; dat de curator ook maatregelen kan nemen als uit dat onderzoek van misstanden blijkt en dat de curator zelf geen aanleiding heeft gezien een verzoek tot het gelasten van een enquête te doen. DBMC heeft volgens hen onder deze omstandigheden geen belang bij het gevraagde onderzoek – dat voor alle betrokkenen onevenredig belastend zou zijn – en kan de kosten daarvan ook niet dragen.
4.2
De Ondernemingskamer ziet na een belangenafweging geen aanleiding om af te zien van het gelasten van een onderzoek. De curator heeft ter zitting verklaard, kort gezegd, dat hij over een te beperkt budget beschikt om zelf goed onderzoek te doen naar de omstandigheden die gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij DBMC opleveren. Ook heeft hij zich bereid verklaard met een eigen onderzoek te wachten totdat een door de Ondernemingskamer te gelasten onderzoek zal zijn voltooid. Optiallerverst heeft zich ter zitting bereid verklaard de kosten van een door de Ondernemingskamer te gelasten onderzoek voor te schieten. Bij deze stand van zaken staat aan het gelasten van een onderzoek niet in de weg dat de curator zelf ook onderzoek kan doen of om een enquête kan verzoeken en evenmin dat DBMC niet in staat is de kosten van een door de Ondernemingskamer te gelasten onderzoek te dragen.
4.21
De Ondernemingskamer verwerpt ook de stelling van [certificaathouder] dat Optiallerverst geen rechtens te respecteren belang bij een onderzoek heeft omdat zij de haar toekomende informatie langs de geëigende wegen kan verkrijgen. Op herhaalde informatieverzoeken van Optiallerverst als aandeelhouder heeft DBMC onvoldoende adequaat gereageerd.
Omvang onderzoek
4.22
Het onderzoek zal zich uitstrekken tot de periode zoals verzocht. Het zal mede betrekking hebben op het beleid dat DBMC heeft gevoerd ten aanzien van het Project en de daarbij betrokken Duitse vennootschappen Schillerquartier, CQ Haus GmbH, CQ Haus 2 GmbH, CQ Haus 4 GmbH. CQ Haus 5 GmbH en CQ Haus 6 GmbH. Dat is niet hetzelfde als een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de Duitse (klein)dochtervennootschappen. Een dergelijk onderzoek is niet gevraagd en kan de Ondernemingskamer – zoals [certificaathouder] en Mavet c.s. terecht opmerken – ook niet bevelen. Voorwerp van onderzoek kan wel zijn het beleid dat DBMC heeft gevoerd in haar hoedanigheden van uitvoerend manager van het Project en (indirect) aandeelhouder van haar Duitse dochtervennootschappen en deelnemingen.
4.23
Anders dan [enig bestuurder van Mavet] heeft verzocht, is er geen reden om aan de onderzoeker als uitgangsput mee te geven dat [enig bestuurder van Mavet] geen feitelijk beleidsbepaler is geweest. Onvoldoende reden daarvoor is dat er op dit moment geen aanwijzingen zijn dat [enig bestuurder van Mavet] feitelijk beleidsbepaler is geweest; de onderzoeker is in beginsel vrij in de inrichting van het onderzoek.
Kosten
4.24
De Ondernemingskamer zal de kosten van het onderzoek voor rekening brengen van DBMC. De curator heeft verklaard dat DBMC die kosten (op dit moment) niet kan betalen. Nu Optiallerverst zich ter zitting bereid heeft verklaard die kosten voor te schieten, gaat de Ondernemingskamer ervan uit dat Optiallerverst daartoe zal overgaan.
4.25
De Ondernemingskamer zal het bedrag dat het onderzoek maximaal mag kosten niet meteen vaststellen. De onderzoeker wordt verzocht om binnen zes weken een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen. De Ondernemingskamer zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over die begroting en vervolgens het onderzoeksbudget vaststellen.
4.26
De Ondernemingskamer zal DBMC, [certificaathouder] en Mavet c.s. hoofdelijk veroordelen in de kosten van de procedure.

5.De beslissing

De Ondernemingskamer:
beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van DBMC NL B.V. over de periode vanaf 1 januari 2019 tot 24 september 2024, zoals omschreven in rechtsoverweging 4.18 en 4.22 van deze beschikking;
benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon om het onderzoek te verrichten;
houdt in verband met het bepaalde in 4.25 de vaststelling van het onderzoeksbudget aan en verzoekt de onderzoeker binnen zes weken na de beschikking waarbij hij/zij als onderzoeker wordt aangewezen een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen;
bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van DBMC NL B.V. en dat zij dan wel Optiallerverst B.V. voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoeker voor het begin van zijn/haar werkzaamheden zekerheid moet stellen;
benoemt mr. E. Loesberg tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW Pro;
veroordeelt DBMC NL B.V., [certificaathouder] , Mavet B.V. en [enig bestuurder van Mavet] hoofdelijk in de kosten van de procedure tot op heden aan de kant van Optiallerverst B.V. begroot op € 4.697;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Loesberg, voorzitter, mr. A.W.H. Vink en mr. A.P. Wessels, raadsheren, en drs. V.G. Moolenaar en W. Wind, raden, in tegenwoordigheid van mr. N.E.M. Keereweer, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. A.P. Wessels op 8 april 2026.