Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, met producties.
3.Feiten
- tot 1991: [bedrijf 1] ,
- 1991-2006: [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ),
- 2006-2008: Leaf Holland Distribution B.V. (hierna: LHD),
- 2008-heden: Copar.
- tot 2005: Continental Sweets Belgium N.V. (hierna: Continental Sweets Belgium-oud),
- 2005-2012: Leaf Belgium Distribution N.V. (hierna: LBD),
- 2012-heden: CSB.
- [bedrijf 2] ,
- Continental Sweets Belgium-oud,
- de Franse vennootschap [bedrijf 3] S.A.S.
- LHD,
- LBD,
- Leaf France.
1. GRANT OF LICENSE
2.MAINTENANCE
4.TERM AND TERMINATION
4.Procedure bij de rechtbank
5.Beoordeling
.Hieruit volgt dat partijen bij het sluiten van (de koopovereenkomst betreffende de merken en) de licentieovereenkomst de intentie hebben gehad om de geografische verdeling zoals die al decennialang bestond – vanaf de jaren ’90 als zustervennootschappen en na de ontvlechting in 2008 als concurrenten – te handhaven, ongeacht welke partij eigenaar is van de merken en welke partij licentienemer is. Binnen de context van die reeds vóór het sluiten van de licentieovereenkomst bestendige relatie tussen partijen past dan niet dat de licentieovereenkomst eenzijdig kan worden opgezegd zonder dat sprake is van één van de overeengekomen opzeggingsgronden. Dat de licentieovereenkomst voorziet in opzegging in de hiervoor genoemde specifieke situaties (artikel 4.2) en bepaalt hoe partijen zich na opzegging tot elkaar verhouden (artikel 4.5), zoals CSB aanvoert, laat onverlet dat de overeenkomst niet-opzegbaar moet worden geacht indien die situaties zich niet voordoen. Dit geldt ook voor de opgenomen regeling dat Copar een koopoptie heeft indien CSB de merken niet wil verlengen (artikel 2.1.1). Deze koopoptie is erop gericht Copar in de gelegenheid te stellen het gebruik van de merken middels aankoop onverminderd voort te kunnen zetten als CSB de merken niet wil verlengen. Anders dan CSB betoogt, sluit dit juist aan bij de bedoeling van partijen Copar, zo nodig door middel van koop, een voortdurend recht op het gebruik van de merken te verschaffen. Met betrekking tot het betoog van CSB dat partijen een bepaling omtrent de niet-opzegbaarheid hadden moeten opnemen als zij dat beoogden, geldt dat partijen dit in feite hebben gedaan, namelijk door te kiezen voor de formulering van een eeuwigdurende licentie. De door CSB bij conclusie van antwoord in eerste aanleg in het geding gebrachte schriftelijke verklaring van haar toenmalige bestuurder maakt dat niet anders, reeds omdat uit zijn eenzijdige verklaring niet de gezamenlijke bedoeling van partijen kan worden afgeleid, hij niet ingaat op het feit dat de licentie aan Copar blijkens de tekst van de overeenkomst ‘perpetual’ (eeuwigdurend) zou zijn en de inhoud van deze verklaring bovendien gemotiveerd is weersproken door de toenmalige bestuurder van Copar ter zitting in eerste aanleg. Gelet op al deze omstandigheden heeft CSB aldus onvoldoende gemotiveerd betwist dat partijen ten tijde van het sluiten van de licentieovereenkomst hebben bedoeld dat deze niet-opzegbaar zou zijn.