Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:858

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
200.357.844/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 1 BWArt. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wijziging en indexering kinderalimentatie na bedrijfsongeval vader

De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam over de vaststelling van kinderalimentatie voor hun minderjarige dochter. De vader betwistte de ingangsdatum van de alimentatie en de jaarlijkse indexering, en voerde aan dat een bedrijfsongeval zijn draagkracht aanzienlijk had verminderd.

Het hof oordeelde dat de vader gehouden blijft aan de afgesproken bijdrage uit het ouderschapsplan, inclusief de wettelijke indexering, ook al was de nadere vaststelling in 2021 uitgebleven. De rechtbank had de wijziging van omstandigheden erkend en de alimentatie aangepast met ingang van de datum van het verzoek in 2024.

De vader kon onvoldoende aantonen dat het bedrijfsongeval leidde tot een onherstelbaar inkomensverlies. Het hof stelde de draagkracht vast op basis van het gemiddelde inkomen over drie jaar en hield geen rekening met schulden wegens onvoldoende onderbouwing. De zorgkorting werd vastgesteld op 15% vanwege de zorgregeling.

De alimentatiebedragen werden aangepast en geïndexeerd tot 2026. Het hof bepaalde dat de moeder geen terugbetaling hoeft te doen als zij meer heeft ontvangen dan verschuldigd, gezien de betalingsachterstand van de vader. De bestreden beschikking werd vernietigd en opnieuw vastgesteld conform deze overwegingen.

Uitkomst: Het hof stelt de kinderalimentatie vast met ingang van 1 januari 2021 en wijzigt deze met ingang van 28 februari 2024 op basis van draagkracht en zorgkorting, met indexering tot 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.357.844/01
zaaknummer rechtbank: C/13/747219 / FA RK 24-1394 (VZ / MG)
Beschikking van de meervoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak van
[de vader] ,
briefadres te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. J.I. Vervest te Heemskerk,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. G.M. Haring te Amsterdam.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de kinderalimentatie voor [minderjarige 1] (11 jaar). De rechtbank heeft bepaald dat de vader met ingang van 1 januari 2021 kinderalimentatie aan de moeder moet betalen. De vader is het hier niet mee eens. Hij wil dat de kinderalimentatie op nihil wordt gesteld met ingang van 1 januari 2021. De moeder is het wel eens met de beslissing van de rechtbank.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 6 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 16 mei 2025, aangevuld bij beschikking van 25 juni 2025 (hierna gezamenlijk: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De moeder heeft op 18 september 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft verder nog de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 5 januari 2026 met bijlagen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 6 januari 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de vader van 6 januari 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 8 januari 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de vader van 8 januari 2026 met bijlage.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 15 januari 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren [in] 2014 te [plaats B] . De vader heeft [minderjarige 1] erkend en partijen hebben het gezamenlijk gezag over haar. [minderjarige 1] verblijft sinds het uiteengaan van partijen bij de moeder.
3.2
De moeder heeft nog een dochter uit een latere relatie: [minderjarige 2] , geboren [in] 2022 (hierna: [minderjarige 2] ).
3.3
Partijen hebben na het verbreken van hun relatie een ouderschapsplan opgesteld, dat door hen in april 2020 is ondertekend. Daarin staat, voor zover hier van belang, het volgende:

(…)
De verdeling van de kosten van de kinderen
(…)
4. De vader draagt naar evenredigheid bij in de verzorging en opvoeding van de minderjarige op basis van het gezamenlijk netto-inkomen van partijen. Daarbij wordt uitgegaan van het bij de leeftijd van het kind behorende aantal kinderbijslagpunten. Hij verplicht zich hiermede voort te gaan totdat de minderjarige de leeftijd van 18 jaar bereikt. In afwijking van het voorgaande betaalt de vader bereids en vooralsnog maandelijks bij vooruitbetaling een bedrag van € 150,- (eenhonderd en vijftig euro) aan de vrouw als bijdrage ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. De vader verplicht zich in ieder geval tenminste hiermede door te gaan totdat voormelde leeftijd van de minderjarige is bereikt. In dit bedrag is de aan de man toekomende zorgkorting reeds verdisconteerd. Het hiervoor bedoelde bedrag wordt elk jaar verhoogd me de jaarlijkse indexering. Uiterlijk in januari 2021 zullen partijen op basis van voormeld uitgangspunt voor de alimentatievaststelling komen tot een nadere vaststelling van de door de vader te betalen maandelijkse bijdrage. (…)
(…)
6. De kinderalimentatie is onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:401a BW, voor het eerst per 1 januari 2019. (…)
(…)
3.4
Bij (tussen)beschikking van 27 januari 2025 heeft de rechtbank Amsterdam, voor zover nu van belang, de beslissing op het verzoek van de moeder tot vaststelling van een door de vader aan haar te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] (hierna: kinderalimentatie) aangehouden. Daarnaast is een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] vastgesteld, waarbij [minderjarige 1] een weekend per twee weken, van vrijdag 17.00 uur (dan wel zaterdag na het voetbal) tot zondag 19.00 uur bij de vader verblijft. Ook is een verdeling van de zomervakantie en van een aantal feestdagen bepaald.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
Bij de bestreden beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover nu van belang, op verzoek van de moeder bepaald dat vader de volgende bedragen aan kinderalimentatie aan de moeder dient te betalen:
- met ingang van 1 januari 2021: € 150,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2022: € 153,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2023: € 158,- per maand;
- met ingang van l januari 2024: € 168,- per maand;
- met ingang van 28 februari 2024: € 180,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2025: € 192,- per maand.
4.2
De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie, althans de door de vader te betalen kinderalimentatie op nihil te stellen met ingang van 1 januari 2021 dan wel een datum die het hof geraden acht.
4.3
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de vader af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De vader heeft vijf grieven gericht tegen de bestreden beschikking. Het hof zal deze grieven per onderwerp bespreken. Eerst wordt ingegaan op de tussen partijen in 2020 afgesproken kinderalimentatie, waarna het hof de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie nader zal beoordelen. Voor zover hierna bedragen worden genoemd, zal het hof deze telkens afronden, tenzij anders vermeld. De door het hof gemaakte berekeningen in het kader van de kinderalimentatie zijn aan deze beschikking gehecht en maken hiervan deel uit.
Afgesproken kinderalimentatie
5.2
De vader stelt in zijn eerste grief dat de rechtbank de door hem te betalen kinderalimentatie ten onrechte heeft vastgesteld met ingang van 1 januari 2021. In het ouderschapsplan is weliswaar opgenomen dat partijen de kinderalimentatie met ingang van die datum opnieuw zouden berekenen, maar vaststaat dat zij dit hebben nagelaten. Dit leidt er, naar het hof begrijpt, volgens de vader toe dat hij met ingang van 1 januari 2021 geen kinderalimentatie (meer) aan de moeder verschuldigd is. Verder betoogt de vader in zijn tweede grief dat de rechtbank de in 2020 afgesproken bijdrage ten onrechte heeft geïndexeerd, omdat hiervoor geen rechtsgrond aanwezig is.
De moeder voert verweer. Zij is het eens met de beslissing van de rechtbank, die volgens haar enkel de tussen partijen in 2020 gemaakte afspraak heeft vastgelegd.
5.3
Het hof volgt de vader niet in zijn stellingen. Uit artikel 4 van Pro het ouderschapsplan (zie hierboven onder 3.3) volgt dat partijen zijn overeengekomen dat de vader, totdat [minderjarige 1] 18 jaar is, naar evenredigheid zal bijdragen in de kosten van haar verzorging en opvoeding op basis van het gezamenlijk netto-inkomen van partijen. Over de hoogte van de bijdrage hebben partijen afgesproken dat de vader vooralsnog een bijdrage van € 150,- per maand aan de moeder zou betalen en dat de ouders in januari 2021 tot een nadere vaststelling van de bijdrage zouden komen.
Gebleken is dat deze nadere vaststelling niet heeft plaatsgevonden. Anders dan de vader betoogt, neemt dit niet weg dat hij gehouden is de afgesproken bijdrage van € 150,- per maand aan de moeder te blijven betalen totdat [minderjarige 1] in ieder geval de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Dit zijn partijen immers uitdrukkelijk in artikel 4 van Pro het ouderschapsplan overeengekomen.
Verder blijkt uit artikel 4 van Pro het ouderschapsplan dat partijen zijn overeengekomen dat de afgesproken bijdrage van € 150,- per maand elk jaar wordt verhoogd met de jaarlijkse indexering. Bovendien volgt uit artikel 1:402a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat, voor zover nu van belang, bij overeenkomst vastgestelde bijdragen voor levensonderhoud van rechtswege jaarlijks worden geïndexeerd. De wettelijke indexering geldt dus ongeacht of hierop aanspraak is gemaakt. De wettelijke indexering kan wel bij overeenkomst worden uitgesloten op grond van het vijfde lid van voornoemd artikel, maar gesteld noch gebleken is dat dit in de onderhavige zaak het geval is. Partijen zijn het alimentatiebedrag in 2020 overeengekomen en van rechtswege geldt dan dus de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2021. Anders dan de vader betoogt is dan ook geen sprake van indexeren met terugwerkende kracht. De rechtbank heeft beslist dat de indexering dient te geschieden met ingang van 1 januari 2022. Tegen deze datum is op zichzelf niet gegriefd, zodat het hof eveneens van deze datum zal uitgaan.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat deze beide grieven van de vader falen. Omwille van de duidelijkheid zal het hof, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de door de vader te betalen kinderbijdragen met ingang van 1 januari 2021 opnieuw vaststellen.
Nadere beoordeling kinderalimentatie
Wijziging van omstandigheden, ingangsdatum en draagkracht vader
5.4
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW Pro en heeft de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie opnieuw vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank als ingangsdatum van de wijziging de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift van de moeder, 28 februari 2024, tot uitgangspunt genomen. Dit is tussen partijen op zichzelf niet in geschil, zodat het hof ook hiervan zal uitgaan.
5.5
Wel stelt de vader in zijn vierde grief dat de rechtbank bij de vaststelling van de kinderalimentatie ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het bedrijfsongeval dat hem op 5 juni 2023 is overkomen, en de financiële gevolgen hiervan. Volgens de vader vormt het bedrijfsongeval een ingrijpende wijziging van omstandigheden, omdat hij sindsdien zijn werk niet meer kan uitoefenen en in een financieel lastige positie zit. Hij heeft diverse schulden en dus geen draagkracht (meer) om kinderalimentatie te betalen.
De moeder heeft verweer gevoerd. Zij voert - kort samengevat - aan dat niet gebleken is van een verlies van verdiencapaciteit van de vader als gevolg van het bedrijfsongeval.
5.6
Het hof overweegt als volgt.
De vader heeft een eenmanszaak, genaamd [X] . Hij werkt in de bouw en heeft op 5 juni 2023 een bedrijfsongeval gehad, waarbij hij zijn pols heeft verwond. Uit de door de vader overgelegde IB-aangiften kan worden afgeleid dat de behaalde winst uit onderneming in 2024 is afgenomen ten opzichte van 2023 en 2022. Echter is niet, althans onvoldoende gebleken dat deze afname het gevolg is van het bedrijfsongeval. Het had op de weg van de vader gelegen om stukken over te leggen ter onderbouwing van zijn stellingen, zoals dat hij sinds het ongeval geen kracht meer heeft in zijn hand en dat hij opdrachtgevers is kwijtgeraakt als gevolg van het ongeval. De vader heeft dit niet gedaan. Daarnaast heeft de vader niet aangetoond welke inspanningen hij heeft verricht om het inkomensverlies te compenseren, door bijvoorbeeld andere opdrachtgevers of een baan in loondienst te zoeken.
Gelet hierop is het hof van oordeel dat de vader zijn stelling dat het bedrijfsongeval heeft geleid tot onherstelbaar inkomensverlies, tegenover de gemotiveerde betwisting hiervan door de moeder, onvoldoende heeft onderbouwd. Het bedrijfsongeval leidt dus ook niet, anders dan de vader betoogt, tot een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW Pro.
Het voorgaande betekent dat het hof de door de vader te betalen kinderalimentatie opnieuw zal beoordelen met ingang van 28 februari 2024.
5.7
Het hof zal de draagkracht van de vader over de periode vanaf 28 februari 2024 vaststellen aan de hand van de meest recente inkomensgegevens, te weten de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2022, 2023 en 2024. Uit de overgelegde IB-aangiften volgt dat deze (€ 63.177 + € 45.634 + € 12.733 / 3 =) € 40.515,- bedraagt. Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, MKB-winstvrijstelling en de gebruikelijke heffingskortingen, berekent het hof de draagkracht van de vader op € 594,- per maand.
Voor zover de vader stelt dat bij de vaststelling van zijn draagkracht rekening dient te worden gehouden met aflossing op schulden, gaat het hof daaraan voorbij. De vader heeft een overzicht van zijn schulden per 15 januari 2025 overgelegd, waarbij niet is toegelicht welke schulden nu nog bestaan, of hierop werd en wordt afgelost, en zo ja, hoeveel. De vader heeft dan ook onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze met welke schulden rekening dient te worden gehouden.
5.8
Ten aanzien van de derde grief van de vader, inhoudende dat hij door de rechtbank strenger is beoordeeld dan de moeder als het gaat om het voldoen aan de stelplicht en de bewijslast, overweegt het hof als volgt. Vooropgesteld wordt dat, waar de vader mogelijke fouten en omissies in de behandeling van de procedure bij de rechtbank aan de orde stelt, het hoger beroep mede ertoe dient deze te herstellen. De vader is in hoger beroep in de gelegenheid geweest alsnog stukken te overleggen ter onderbouwing van zijn stellingen. Gebleken is dat de vader in de procedure in hoger beroep zijn IB-aangifte over 2024 heeft overlegd, waardoor het hof zich - anders dan de rechtbank - voldoende in staat heeft geacht zijn inkomen in 2024 vast te stellen. Ten aanzien van de schulden is het hof echter, net als de rechtbank, van oordeel dat de vader ook in de procedure in hoger beroep niet heeft voldaan aan zijn stelplicht gelet op hetgeen hierboven onder 5.7 reeds is overwogen.
Behoefte [minderjarige 1]
5.9
De rechtbank heeft de behoefte van [minderjarige 1] vastgesteld op € 412,- per maand in 2020. Deze behoefte is tussen partijen niet in geschil, zodat het hof hiervan ook zal uitgaan. Na indexering bedraagt de behoefte € 475,- per maand in 2024.
Draagkracht moeder
5.1
De rechtbank heeft de draagkracht van de moeder over de periode vanaf 28 februari 2024 berekend op € 556,- per maand en is ervan uitgegaan dat de moeder haar volledige draagkracht kan aanwenden voor [minderjarige 1] , omdat de draagkracht van de vader van [minderjarige 2] niet kan worden vastgesteld. Dit is tussen partijen in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof eveneens van de volledige draagkracht van de moeder van € 556,- per maand zal uitgaan.
Draagkrachtvergelijking
5.11
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt (€ 556 + € 594 =) € 1.150,- per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 1] te voorzien. Om vast te kunnen stellen welk deel van de behoefte van [minderjarige 1] door de vader dient te worden gedragen, wordt een draagkrachtvergelijking gemaakt. Het aandeel van de vader in de behoefte van [minderjarige 1] wordt berekend door zijn aandeel in de totale draagkracht te vermenigvuldigen met de behoefte van [minderjarige 1] . Hieruit volgt dat het aandeel van de vader ((€ 594 / € 1.150) x € 475 =) € 245,- per maand bedraagt.
Zorgkorting
5.12
Het hof zal, net als de rechtbank, uitgaan van een zorgkorting van 15%. [minderjarige 1] verblijft op grond van de hierboven onder 3.4 vermelde zorgregeling een weekend per twee weken, van vrijdag 17.00 uur (dan wel zaterdag na het voetbal) tot zondag 19.00 uur bij de vader, alsook een aantal feestdagen en een week in de zomervakantie. De moeder heeft onweersproken gesteld dat [minderjarige 1] in de praktijk vaak pas vanaf zaterdagmiddag tot zondag bij de vader verblijft en dat de (zomer)vakantieregeling niet wordt nagekomen. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding om van een hogere zorgkorting uit te gaan, zoals de vader in zijn vijfde grief heeft betoogd.
De zorgkorting wordt berekend over de behoefte van [minderjarige 1] en bedroeg aldus (0,15 x € 475 =) € 71,- per maand in 2024. Partijen hebben samen voldoende draagkracht om in de behoefte van [minderjarige 1] te voorzien. De zorgkorting wordt daarom in mindering gebracht op het aandeel van de vader in de behoefte van [minderjarige 1] . De door de vader te betalen bijdrage over de periode vanaf 28 februari 2024 komt dan uit op (€ 245 -/- € 71 =) € 174,- per maand.
Indexering
5.13
Op grond van artikel 1:402a BW gaat de wettelijke indexering over de bijdrage die de vader moet betalen per 28 februari 2024 pas per 1 januari 2027 in. Het hof zal daarom ambtshalve de door de vader te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] met ingang van 1 januari 2025 en met ingang van 1 januari 2026 verhogen gelijk met het percentage dat van toepassing zou zijn als de wettelijke indexering wel zou gelden (HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165). Geïndexeerd per 1 januari 2025 bedraagt de door de vader te betalen bijdrage € 185,- per maand en per 1 januari 2026 € 194,- per maand.
Conclusie
5.14
Uit het bovenstaande volgt dat de vader de volgende bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] dient te betalen:
- met ingang van 1 januari 2021: € 150,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2022: € 153,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2023: € 158,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2024: € 168,- per maand;
- met ingang van 28 februari 2024: € 174,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2025: € 185,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2026: € 194,- per maand.
5.15
Hieruit volgt in beginsel een terugbetalingsverplichting voor de moeder. Volgens vaste rechtspraak dient van de bevoegdheid om met terugwerkende kracht een wijziging aan te brengen in een eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage met behoedzaamheid gebruik te worden gemaakt, met name als dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van het teveel betaalde.
Gebleken is echter dat de vader een aanzienlijke betalingsachterstand heeft. Naar verwachting zal daarom geen sprake zijn van de omstandigheid dat de moeder te veel ontvangen alimentatie moet terug betalen. Mocht dit toch het geval zijn, dan is het hof van oordeel dat terugbetaling in redelijkheid niet van de moeder kan worden gevergd, omdat de ontvangen alimentatie naar verwachting zal zijn verbruikt ten behoeve van [minderjarige 1] . Het hof zal daarom beslissen dat voor zover de vader meer kinderalimentatie heeft betaald dan waartoe hij gehouden was, de moeder het meerdere niet hoeft terug te betalen.
5.16
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij een door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] is vastgesteld, en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt, met wijziging van de tussen partijen in 2020 afgesproken bijdrage in het ouderschapsplan in zoverre, de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] :
- met ingang van 1 januari 2021: € 150,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2022: € 153,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2023: € 158,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2024: € 168,- per maand;
- met ingang van 28 februari 2024: € 174,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2025: € 185,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2026: € 194,- per maand,
voor zover het de toekomstige termijnen betreft telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met dien verstande dat voor zover de vader meer heeft betaald dan waartoe hij op grond van deze beschikking gehouden was, de moeder niet dit meerdere niet hoeft terug te betalen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. D.H. Steenmetser-Bakker en mr. G.J. Baken, in tegenwoordigheid van mr. A. Paats als griffier en is op 31 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.