Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:857

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
200.359.304/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 1 BWArt. 1:401 lid 5 BWArt. 1:402a BWVerordening (EG) nr. 4/2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie wegens grove miskenning wettelijke maatstaven in ouderschapsplan

De zaak betreft een geschil over de kinderalimentatie voor twee minderjarige kinderen na echtscheiding. De rechtbank had de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot wijziging van de alimentatie, maar het hof vernietigt deze beschikking en wijzigt de alimentatie. De vader had destijds het ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant ondertekend zonder voldoende inkomen en zonder juridische bijstand, waardoor een wanverhouding ontstond tussen de overeengekomen alimentatie en wat de rechter zou hebben vastgesteld.

Het hof stelt vast dat de vader in 2022 een lager inkomen had dan de moeder en dat de verdeling van de kosten van de kinderen in het ouderschapsplan niet in lijn was met de wettelijke maatstaven. De vader wordt een fictieve verdiencapaciteit van €35.000 bruto per jaar toegekend per 1 juli 2026, waaruit een draagkracht van circa €300 per maand volgt. Voor de periode tot die datum wordt rekening gehouden met het werkelijke inkomen van de vader, wat leidt tot een lagere draagkracht.

De kinderalimentatie wordt vastgesteld op €25 per kind per maand vanaf 27 februari 2023 en €50 per kind per maand vanaf 31 maart 2026. De zorgkorting wordt toegepast vanwege de omgangsregeling. Het hof verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst het overige verzoek af.

Uitkomst: Het hof wijzigt de kinderalimentatie en legt een lagere bijdrage op met terugwerkende kracht vanaf de echtscheidingsdatum en een fictieve verdiencapaciteit per 1 juli 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.359.304/01
zaaknummer rechtbank: C/15/340655 / FA RK 23-2696
beschikking van de meervoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak van
[de vader],
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. S.L. Fronik te Haarlem,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. C.L. Verhoeven te Haarlem.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] (11 jaar) en [minderjarige 2] (9 jaar). De rechtbank heeft de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie.
De vader is het daarmee niet eens en wil dat het hof alsnog de kinderalimentatie wijzigt naar een lager bedrag. Hij stelt dat hij niet beschikt over voldoende inkomen om de kinderalimentatie te voldoen. Hij heeft destijds ingestemd met het ouderschapsplan en het echtscheidingsconvenant om de moeder niet in de weg te zitten, maar ook toen al had hij niet genoeg inkomen om de kinderalimentatie te kunnen betalen. De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking. Zij meent dat de vader meer inkomen heeft dan hij doet voorkomen, dan wel meer inkomen moet kunnen genereren en dat de rechtbank hem dan ook terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hof komt tot een andere beslissing dan de rechtbank en legt hierna uit waarom.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 16 september 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 19 juni 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).
2.2
De moeder heeft op 21 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 23 september 2025 met bijlage (proces-verbaal rechtbank),
- een bericht van de zijde van de moeder van 19 januari 2026 met bijlagen (prod. 5 en 6),
- een bericht van de zijde van de vader van 21 januari 2026 met bijlagen (prod. 11 t/m 14),
- een bericht van de zijde van de vader van 29 januari 2026, met bijlage (prod. 15).
2.4
De zitting heeft op 30 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en door J. Ankomah, tolk in de Pidgin-Engelse taal,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en door M.V. Babkina, tolk in de Engelse taal.
De advocaat van de moeder heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2014 in [plaats C] , Nigeria;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2016 in [plaats C] , Nigeria.
De ouders zijn getrouwd geweest [in] 2012 tot 27 februari 2023.
Het gezamenlijk gezag over de kinderen is na de echtscheiding in stand gebleven. De kinderen wonen bij de moeder.
3.2
Bij beschikking van 10 oktober 2022 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat het door de ouders op 24 mei 2022 respectievelijk 5 juni 2022 ondertekende convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking.
In het ouderschapsplan is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen over de bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna: kinderalimentatie) die de vader aan de moeder dient te betalen:
Article 5 - Child Maintenance
5.1
Costs of the children
The costs of the children are estimated by the parents by mutual agreement according to Appendix Il at € 688 per child each month. This is in line with the Dutch standards ("NIBUD table")
Twice per year (in September and in March) the costs will be re-calculated and updated for any changes (among other things, so not exclusively) in the after-school clubs/activities or changes in BSO contributions. The responsibility to share the updated costs is with the Moher who will communicate it to the Father.
All new activities and the costs associated with them will be approved by both the Mother & the Father in consultation, as specified in Appendix II. Therefore, any changes to the total costs should not be a surprised to the Father at the time he receives the bi-annual update.
5.2
Child maintenance
With effect from January 1, 2023 and as long as the children have not reached the age of majority and live with the Mother, the Father shall pay the Mother maintenance for [minderjarige 1] and [minderjarige 2] of € 230 per child per month. This maintenance shall increase in line with statutory indexation as referred to in Section 1:402a of the Civil Code [Burgerlijk Wetboek], for the first time on 1st January 2024.
5.3
The parties shall each bear his or her own living-in expenses of the children when they live with him or her.
( ... )
Appendix II - Children Costs
Calculation of the current children's monthly costs, for both [minderjarige 1] and [minderjarige 2] (in Euro per child):
• clothes € 35 (source: ABN Amro)
• food € 128 (source: ABN Amro)
• BSO € 300 (source: actual calculation less Childcare Allowance)
• Piano € 60 (for only [minderjarige 2] , source: actual piano lessons cost)
• karate € 20 (for only [minderjarige 1] , source: actual cost)
• Judo € 20 (for only Data source: actual cost)
• Swimming € 100 (source: actual lessons cost € 1.200 per child)
• Other € 25 (estimation to cover for other clubs)
Cost per child per month: € 688
Total cost for both children per month: € 1.376
3.3
Bij inleidend verzoekschrift van 5 juni 2023 heeft de moeder verzocht – kort gezegd - het gezamenlijk gezag van partijen te beëindigen en haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen en de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen te schorsen voor de duur van 12 maanden. Bij het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van 24 mei 2024 heeft de vader verzocht de verzoeken van de moeder af te wijzen en de door hem te betalen kinderalimentatie te wijzigen naar een lager bedrag.
3.4
Bij beschikking van 27 juni 2024 heeft de rechtbank het verzoek van de moeder tot wijziging van het gezag afgewezen.
Daarnaast heeft de rechtbank, voor zover van belang, de volgende zorgregeling vastgesteld:
De kinderen hebben één keer per maand op een nader te bepalen zondag van 10:00 uur tot 17:00 uur omgang met de vader, waarbij de vader vijf dagen van tevoren aan de moeder laat weten of hij op de afgesproken datum en tijd aanwezig zal zijn;
- in onderling overleg uit te breiden met een extra zondag, wanneer de vader dit minstens vijf dagen van te voren vraagt aan de moeder en de moeder aangeeft dat dit voor de kinderen haalbaar is.
Tot slot heeft de rechtbank de beslissing over de kinderalimentatie pro forma aangehouden.
3.5
Op grond van de wettelijke indexering bedraagt de kinderalimentatie met ingang van
- 1 januari 2024 € 244,- per kind per maand;
- 1 januari 2025 € 260,- per kind per maand;
- 1 januari 2026 € 272,- per kind per maand.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, alsnog het ouderschapsplan, ondertekend op respectievelijk 24 mei 2022 en 5 juni 2022, en de beschikking van de rechtbank van 10 oktober 2022 te wijzigen, in die zin dat de vader met ingang van 23 februari 2023 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen voldoet van € 25,- per maand, en met ingang van datum uitspraak een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen voldoet van € 50,- per kind per maand, althans een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als het hof juist acht.
4.3
De moeder verzoekt het verzoek van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Bevoegdheid Nederlandse rechter en toepasselijk recht
5.1
Omdat de vader de Nigeriaanse nationaliteit heeft, de moeder de Bulgaarse, Poolse en Britse nationaliteit heeft en de kinderen de Bulgaarse nationaliteit hebben, draagt de zaak een internationaal karakter. Daarom moet eerst worden beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is. Kinderalimentatie valt onder het toepassingsgebied van de Verordening (EG) nr. 4/2009 (de Alimentatieverordening). De kinderen hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland, zodat op grond van artikel 3 sub b van Pro de Alimentatieverordening de Nederlandse rechter bevoegd is.
Het oordeel dat op het verzoek Nederlands recht van toepassing is niet in geschil, zodat ook het hof daarvan uitgaat.
Wettelijk kader
5.2
Op grond van artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
Een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (lid 5 van dit artikel). Met dit laatste is bedoeld dat, uitgaande van dezelfde gegevens, er geen duidelijke wanverhouding mag bestaan tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het gaat dan om gevallen waarin partijen zich op de wettelijke maatstaven hebben willen richten, maar als gevolg van een onjuist inzicht in de betekenis van de maatstaven, of omdat partijen uitgingen van onjuiste en onvolledige gegevens, tot een resultaat zijn gekomen dat evident in strijd is met de uitkomst waartoe toepassing van die maatstaven zou hebben geleid. Grove miskenning van de wettelijke maatstaven kan zich bovendien voordoen, wanneer de toekomstverwachting van partijen te optimistisch of te weinig realistisch was.
5.3
De vader doet primair een beroep op artikel 1:401 lid 5 BW Pro en subsidiair op artikel 1:401 lid 1 BW Pro. Hij stelt daartoe dat hij ten tijde van het ondertekenen van het ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant in 2022 volstrekt onvoldoende inkomsten had om de overeengekomen kinderalimentatie te kunnen betalen. Voor de vader kwam de echtscheiding als een verrassing en hij was daardoor flink van slag. Hij is met lege handen vertrokken en heeft geen aanspraak gemaakt op de overwaarde van de woning of op partneralimentatie. Hij is tijdens de echtscheiding niet bijgestaan door een advocaat en er is geen alimentatieberekening gemaakt. De vader heeft het ouderschapsplan en het convenant getekend om de moeder niet in de weg te zitten. Hierbij heeft hij zich niet gerealiseerd wat de gevolgen waren van zijn handtekening. Er is daardoor een enorme wanverhouding tussen de kinderalimentatie die is overeengekomen en wat een rechter zou hebben beslist. De vader had in 2022 een inkomen van € 5.903,- bruto (en € 486,- bruto in 2021). Hij werkte niet tijdens het huwelijk van partijen. Tot op heden is het hem niet gelukt om een zodanig inkomen te verwerven dat hij de overeengekomen kinderalimentatie kan voldoen.
5.4
De moeder voert verweer en stelt dat de vader ten tijde van het tekenen van het ouderschapsplan een fulltime baan had. Hij was verantwoordelijk voor het transport van nieuwe auto’s en verdiende omstreeks € 2.000,- netto per maand. Daarnaast ontving hij ook veel contante betalingen en had hij inkomsten uit Nigeria. De moeder betwist dan ook dat de vader in 2022 slechts een inkomen van € 5.903,- bruto op jaarbasis had. De vader heeft (voor zover de moeder heeft begrepen) de keuze gemaakt niet langer te willen werken. Dit dient geheel voor zijn rekening en risico te komen. Ook de in redelijkheid te verwerven inkomsten zijn van belang bij het bepalen van de draagkracht van een ouder. Partijen zijn in 2022 nadrukkelijk een periode van zeven maanden overeengekomen waarin de moeder alle kosten van de kinderen voor haar rekening zou nemen om de vader in de gelegenheid te stellen zijn financiën zo in te richten dat hij aan zijn onderhoudsverplichtingen kon voldoen. De vader heeft alle mogelijkheden gekregen om zijn leven op orde te krijgen in Nederland, waar de banen voor het oprapen liggen. De vader heeft echter de moeder met alle zorgen en kosten voor de kinderen laten zitten.
5.5
Het hof overweegt als volgt.
Uit de stukken en de verklaringen van partijen tijdens de mondelinge behandeling is het hof gebleken dat de vader tijdens de echtscheiding niet is bijgestaan door een advocaat en dat het ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant zijn opgesteld door de moeder en haar advocaat. In het ouderschapsplan is opgenomen dat de kosten van de kinderen in 2022 € 1.376,- per maand bedragen en dat de moeder 2/3e deel van deze kosten draagt en de vader 1/3e deel. Desgevraagd heeft de moeder verklaard dat zij de kosten van de kinderen heeft berekend aan de hand van de Nibud-tabellen en dat zij heeft aangeboden om het merendeel van de kosten op zich te nemen omdat zij de hoofdverdiener was. De verhouding 2/3e - 1/3e is gebaseerd op de netto inkomens van partijen in 2022. Er is destijds niet gerekend met actuele gegevens, omdat de vader weigerde deze te delen. Om die reden is een inschatting gemaakt van het inkomen dat de vader verdiende met de baan die hij in januari 2022 was gestart, aldus de moeder.
Uit de overgelegde stukken is het hof gebleken dat de moeder in maart 2022 een salaris had van € 8.252,- netto per maand. Als de stelling van de moeder wordt gevolgd dat de vader in 2022 een inkomen had van € 2.000,- netto per maand, dan betekent dit dat de vader verantwoordelijk was voor 1/5e deel van het netto gezinsinkomen (€ 2.000,- van de in totaal € 10.251,-) en de moeder voor 4/5e deel (€ 8.251,- van de in totaal € 10.251,-). Toepassing van de wettelijke maatstaven zou in dat geval ertoe hebben geleid dat de kosten van de kinderen tussen de ouders zouden worden verdeeld op basis van de verhouding 1/5e deel voor de vader en 4/5e deel voor de moeder. Anders dan de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat de afspraken die partijen in het ouderschapsplan hebben gemaakt en die op 10 oktober 2022 in de beschikking zijn vastgelegd, zijn aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Het grote inkomensverschil tussen partijen had aan de zijde van de vader moeten leiden tot een aanzienlijk lager aandeel in de kosten van de kinderen. Het hof zal dan ook de kinderalimentatie opnieuw vaststellen.
Ingangsdatum/terugwerkende kracht
5.6
Ter zitting in hoger beroep heeft de vader verzocht de kinderalimentatie te wijzigen met ingang van de datum waarop de echtscheiding van partijen is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zijnde 27 februari 2023. De moeder heeft verzocht het verzoek van de vader af te wijzen.
Het hof overweegt als volgt. Hoewel de vader pas op 24 mei 2024 het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie heeft ingediend, ziet het hof aanleiding om voor de ingangsdatum aan te sluiten bij de echtscheidingsdatum. Bij dit oordeel weegt voor het hof mee dat uit de e-mail van de moeder aan haar advocaat op 11 mei 2022 blijkt dat de vader voorafgaand aan het ondertekenen van het ouderschapsplan heeft aangegeven dat hij de voorgestelde kinderalimentatie niet kon betalen. Weliswaar heeft de moeder vervolgens de vader nog enige maanden gegund om zijn financiën op orde te krijgen, maar dat laat onverlet dat zij naar het oordeel van het hof van meet af aan rekening heeft moeten houden met de mogelijkheid dat dit de vader niet zou lukken. Als kostwinner van het gezin kende zij immers de financiële positie van de vader.
Eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen (de behoefte)
5.7
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de kinderen in 2022 € 688,- per kind per maand bedroeg. Na indexering bedraagt deze in 2023 € 711,- per kind per maand, in 2024 € 756,- per kind per maand, in 2025 € 805,- per kind per maand en in 2026 € 842,- per kind per maand.
Draagkracht
5.8
.8 In geschil tussen partijen is de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders.
Het hof zal dan ook de draagkracht van beide ouders vaststellen en een draagkrachtvergelijking maken. Daarbij zal het hof de aanbevelingen voor de berekening van de kinderalimentatie zoals opgenomen in het Rapport Alimentatienormen tot uitgangspunt nemen.
5.9
Bij het vaststellen van de draagkracht gaat het hof uit van het netto besteedbaar inkomen (NBI). Dit inkomen wordt vastgesteld door de som te nemen van het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn.
Draagkracht van de vader
5.1
Tussen partijen is de draagkracht van de vader in geschil. De moeder meent dat rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit van € 45.000,- bruto per jaar. De vader voert verweer en stelt dat hij in 2023 slechts € 2.977,- bruto heeft verdiend, in 2024 € 16.788,- bruto en in 2025 € 21.434,- bruto.
5.11
Het hof overweegt als volgt. Gebleken is dat op het moment dat het gezin zich vestigde in Nederland de vader geen werk had en de moeder de kostwinner was. In 2022 heeft de vader een korte periode gewerkt. Dat was ook de periode dat hij de echtelijke woning heeft verlaten en tijdelijk onderdak vond bij een bekende van hem. Deze huisvesting is hij kwijtgeraakt. Omdat het hem niet lukte om in [plaats B] vervangende woonruimte te vinden, is hij bij een vriend in Eindhoven ingetrokken. Zijn baan in de regio [plaats B] heeft hij om die reden moeten opzeggen. Vervolgens heeft de vader in 2024 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gehad van 4 juli 2024 tot 3 februari 2025. Hij is met ingang van 30 oktober 2024 ziek geworden en heeft na afloop van zijn arbeidsovereenkomst nog enige tijd een ziektewetuitkering ontvangen. Op 31 oktober 2025 heeft de vader een uitzendovereenkomst gesloten, maar deze is in de tweede helft van december 2025 geëindigd na het vertrek van een grote opdrachtgever van de werkgever. Ten tijde van de zitting in hoger beroep had de vader nog geen nieuw (uitzend)werk gevonden.
Naast de hiervoor genoemde banen heeft de vader in de afgelopen jaren geprobeerd een carrière als voetbalmakelaar op te bouwen. Naar eigen zeggen genereert hij daarmee nog geen inkomsten. De moeder betwist dit en verwijst onder meer naar de sociale mediapagina’s van de vader, waaruit blijkt dat hij regelmatig in het buitenland verblijft. De vader heeft daarop in zijn hoger beroepschrift en op de zitting in hoger beroep gemotiveerd toegelicht dat de inhoud van zijn sociale mediapagina’s slechts bedoeld is om een succesvol imago te profileren. Op deze pagina’s laat hij niet zien dat hij geen geld heeft en dat zijn reizen door anderen worden bekostigd. Het hof acht deze uitleg aannemelijk, gelet op de door de vader overgelegde stukken waaruit blijkt dat derden de reis- en verblijfkosten van de vader hebben betaald.
Dat de vader inkomen uit vermogen, contante verdiensten of inkomen uit Nigeria heeft, zoals de moeder heeft gesteld en de vader heeft betwist, is het hof niet gebleken.
Het hof is dan ook van oordeel dat de vader voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de afgelopen jaren niet meer inkomen heeft gehad dan blijkt uit de door hem overgelegde stukken van de Belastingdienst.
5.12
Het hof is echter met de moeder van oordeel dat inmiddels van de vader mag worden verwacht dat hij zijn verdiencapaciteit meer benut dan hij nu doet. Hij heeft immers een onderhoudsplicht jegens de kinderen. Anders dan de moeder meent, zal het hof de vader niet met terugwerkende kracht een hogere verdiencapaciteit toekennen. Het hof zal voor de periode van 27 februari 2023 tot heden aan de zijde van de vader uitgaan van het inkomen dat bij de Belastingdienst bekend is. Voor de (nabije) toekomst oordeelt het hof anders. Zoals het hof op de zitting in hoger beroep aan de orde heeft gesteld, mag van de vader, die 40 jaar oud is, worden verwacht dat hij zijn verdiencapaciteit uitbreidt. De vader is naar eigen zeggen universitair geschoold en heeft erkend dat hij meer moet kunnen verdienen dan hij tot nu toe heeft gedaan. Daarbij heeft hij opgemerkt dat hij voor functies die in lijn zijn met zijn studie geen reactie krijgt op sollicitaties en dat hij mede daarom aangewezen is op productiewerk op basis van een uitzendovereenkomst zoals hij de laatste tijd heeft verricht. Ook indien het hof dit in aanmerking neemt, kan de vader een hoger inkomen genereren indien hij gedurende meer uren werkzaam is dan hij in 2025 is geweest. Het hof betrekt in deze beoordeling het UWV-verzekeringsbericht van 18 januari 2026. De daarin opgenomen gegevens over de maand november 2025 tonen dat de vader met zijn werk bij [X] een Sv-loon realiseerde van € 2,854,- bij 154 gewerkte uren in die maand. Dit in acht nemend is het hof van oordeel dat van de vader in redelijkheid mag worden verwacht dat hij per 1 juli 2026 zijn verdiencapaciteit uitbreidt tot een inkomen van € 35.000,- bruto per jaar. Het door de moeder voorgestelde bedrag van € 45.000,- bruto acht het hof op dit moment niet reëel, nu dit meer dan het dubbele is van wat de vader in 2025 heeft verdiend. Ook bij voltijds werken door de vader is dat bedrag onder de huidige omstandigheden niet haalbaar.
5.13
Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting komt het NBI van de man per 1 juli 2026 uit op € 2.562,- per maand.
De draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule, zoals deze in 2026 geldt:
70% x (NBI – (0,3 NBI + 1.365,-)). Deze benadering houdt in dat het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 1.365,- aan overige lasten, en dat van het bedrag dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.
Op basis van deze formule bedraagt de draagkracht van de vader per 1 juli 2026 afgerond € 300,- per maand.
5.14
Voordat het hof zal berekenen wat de draagkracht van de vader in de periode van 27 februari 2023 tot 1 juli 2026 is, zal het hof eerst de draagkracht van de moeder berekenen per 1 juli 2026 en een draagkrachtvergelijking maken.
Draagkracht van de moeder
5.15
Omdat het hof niet beschikt over actuele gegevens van de moeder uit 2026, zal worden gerekend met de gegevens over 2025. Uit de overgelegde salarisspecificaties blijkt dat de moeder in 2025 een inkomen had van € 15.104,- bruto per maand, te verminderen met de pensioenpremie van € 597,- per maand en de premie Disability insurance van € 18,- per maand en te vermeerderen met 8% vakantiegeld. Rekening houdend met de algemene heffingskorting van nihil, de arbeidskorting van nihil en de inkomensafhankelijke combinatiekorting komt het NBI van de moeder uit op € 9.019,- per maand.
Op basis van voornoemde formule 2026 bedraagt de draagkracht van de moeder per 1 juli 2026 afgerond € 3.464,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
5.16
De draagkracht van de vader en de moeder samen (€ 3.764,- per maand) is voldoende om in de (naar 2026 geïndexeerde) behoefte van de kinderen (€ 1.684,- per maand) te voorzien. Het hof zal de draagkracht verdelen naar rato van behoefte. Het aandeel van de vader in de kosten van de kinderen is dan € 134,- per maand (300/3.764 x 1.684).
Zorgkorting
5.17
Op dit aandeel dient de zorgkorting te worden toegepast. De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. Omdat sprake is van een zorgregeling van minder dan één dag per week, zal het hof een percentage van 5% in aanmerking nemen, zijnde € 84,- per maand. Hoewel de uitvoering van de zorgregeling volgens de moeder te wensen overlaat, heeft wel te gelden dat de vader voor de omgang moet reizen tussen [plaats A] en [plaats B] en alleen al daarmee zijn de nodige kosten gemoeid.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vader per 1 juli 2026 aan de moeder een bedrag van € 50,- (€ 134 - € 84) per maand dient te voldoen. De vader heeft echter verzocht te bepalen dat hij per datum van de beschikking van het hof aan de moeder € 50,- per kind per maand aan kinderalimentatie dient te betalen. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.
5.18
Dan rest de beslissing over de periode vanaf 27 februari 2023 tot 1 juli 2026. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, heeft de vader voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in die periode beduidend minder heeft verdiend dan de verdiencapaciteit die het hof aan hem per 1 juli 2026 heeft toegekend. Zijn hoogst geregistreerde inkomen is € 21.434,- bruto per jaar geweest. Daarbij hoort een NBI van € 1.716,- per maand en een draagkracht van € 50,- per maand.
De moeder heeft daarentegen in de afgelopen jaren een nagenoeg gelijk netto-inkomen gehad. Tot 1 september 2025 heeft zij gebruik kunnen maken van de fiscale 30%-regeling voor buitenlandse werknemers en per 1 september 2025 heeft zij haar werkzaamheden uitgebreid om een gelijk nettosalaris te kunnen behouden. Waar zij in maart 2022 € 11.146,- bruto / € 8.251,- netto per maand verdiende, verdiende zij in december 2025 € 15.104,- bruto / € 8.156,- netto per maand, exclusief vakantiegeld.
Als het hof op basis van deze inkomens van partijen zou overgaan tot een draagkrachtvergelijking, dan zou het aandeel van de vader in de kosten van de kinderen uitkomen op een lager bedrag dan de hierboven genoemde € 50,- per maand. Daarop strekt dan nog een eventuele zorgkorting in mindering. Omdat het inkomen van de vader in 2023 en 2024 nog lager was dan zijn inkomen in 2025, komt het hof dan ook tot de conclusie dat het verzoek van de vader om te bepalen dat hij met ingang van 27 februari 2023 aan de moeder een kinderalimentatie van € 25,- per kind per maand zal betalen, dient te worden toegewezen. Een kopie van de berekeningen zal worden aangehecht.
5.19
Met inachtneming van het door de Hoge Raad overwogene in rechtsoverweging 3.2.6. van de beschikking van 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1165) zal het hof beoordelen of aanleiding bestaat de door de vader verschuldigde onderhoudsbijdrage te verhogen per 1 januari 2024, 1 januari 2025 en 1 januari 2026, gelet op de gevolgen die de jaarlijkse indexering als bedoeld in art 1:402a BW zou hebben gehad voor de hoogte van de kinderalimentatie indien de datum van de onderhavige beschikking zou zijn samengevallen met de ingangsdatum. Evident is dat de moeder en de kinderen belang hebben bij toepassing van een indexering gelijk aan de wettelijke indexering. In deze zaak zal het hof daarmee echter geen rekening houden, nu aannemelijk is dat de vader in de afgelopen periode nauwelijks tot geen draagkracht heeft gehad voor het betalen van kinderalimentatie. Gelet op de datum van deze beschikking zal de wettelijke indexering voor het eerst van toepassing zijn per 1 januari 2027.
Terugbetaling
5.2
Volgens vaste rechtspraak geldt dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, dient te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard.
De moeder heeft een overzicht van het LBIO in het geding gebracht waaruit blijkt dat de vader over de periode van januari 2023 tot en met 19 januari 2026 een totaalbedrag van € 1.168,52 aan kinderalimentatie aan haar heeft voldaan. Het hof neemt dan ook aan dat geen sprake is van een terugbetalingsverplichting aan de zijde van de moeder.
5.21
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 19 juni 2025, en opnieuw beschikkende:
wijzigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 10 oktober 2022 en het aangehechte door partijen op 24 mei 2022 respectievelijk 5 juni 2022 ondertekende ouderschapsplan en bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van 27 februari 2023 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 25,- per kind per maand dient te betalen en dat hij met ingang van heden 31 maart 2026 € 50,- per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. A.N. van de Beek en mr. A.R. van Wieren, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Betlem als griffier en is op 31 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.