ECLI:NL:GHAMS:2026:848

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
200.360.783
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 335 RvArt. 143 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep tegen verstekvonnis wegens onjuiste rechtsmiddelkeuze

Appellant stelde hoger beroep in tegen een verstekvonnis van de rechtbank Noord-Holland, waarbij verstek was verleend wegens niet tijdige betaling van griffierecht. Volgens artikel 335 Rv Pro staat tegen een verstekvonnis niet hoger beroep, maar verzet open. Appellant had door een miscommunicatie hoger beroep ingesteld in plaats van verzet.

Het hof oordeelde dat deze fout niet tot ontvangst in hoger beroep kan leiden, omdat de uitzonderingssituatie van artikel 335 lid 2 Rv Pro niet van toepassing is. Hierdoor is appellant niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. De proceskosten zijn op nihil begroot en appellant is daarin veroordeeld.

Het arrest is gewezen door de meervoudige kamer van het Gerechtshof Amsterdam en op 17 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep tegen het verstekvonnis wegens onjuiste keuze van rechtsmiddel.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.360.783/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/363082 / HA ZA 25-140
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 maart 2026
inzake
[appellant],
wonend te [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. M.S. Rozenbeek te Haarlem,
tegen
ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Utrecht,
geïntimeerde,
niet verschenen.

1.Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 28 augustus 2025 heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen het tussen partijen onder bovengenoemd zaaknummer gewezen vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 28 mei 2025.
Appellant heeft de zaak aangebracht op de rol van 28 oktober 2025. Geïntimeerde is op die roldatum niet verschenen.
Vervolgens is appellant in de gelegenheid gesteld enkele ontbrekende stukken alsnog over te leggen. Hij heeft dit verzuim op de rol van 9 december 2025 hersteld.
Bij rolbeslissing van 9 december 2025 is appellant in de gelegenheid gesteld zich op de rol van 6 januari 2026 bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep en is bepaald dat geïntimeerde - indien zij alsnog in het geding verschijnt - op een termijn van twee weken bij antwoordakte daarop zal mogen reageren.
Appellant heeft zich, na een aanhouding van twee weken, op de rol van 20 januari 2026 bij akte uitgelaten over de ontvankelijkheid.
Op 26 januari 2026 is tegen geïntimeerde alsnog - na het herstel verzuim door appellant was nog geen verstekbeslissing genomen - verstek verleend.
Arrest is bepaald op heden.

2.Beoordeling

2.1.
Het bestreden vonnis is gewezen tussen geïntimeerde als eiseres en appellant als gedaagde. Tegen appellant is in die zaak verstek verleend, omdat het griffierecht namens hem niet (tijdig) is voldaan. Dit betekent dat voor appellant op grond van artikel 335 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) niet het rechtsmiddel van hoger beroep, maar dat van verzet (artikel 143 Rv Pro) heeft opengestaan.
2.2.
Bij akte heeft appellant verzocht hem toch in zijn hoger beroep te ontvangen, waartoe hij het volgende heeft aangevoerd. Door een miscommunicatie is tegen het bestreden vonnis – dat een verstekvonnis bleek te zijn – hoger beroep ingesteld en geen verzet, zoals had gemoeten. Appellant had in hoger beroep zijn verhaal willen doen en als hij daarin niet wordt ontvangen, zal hij, nog los van de uitkomst van de procedure, twee rechtsingangen – het hof begrijpt: instanties – missen.
2.3.
Het hof is van oordeel dat hetgeen appellant heeft aangevoerd niet ertoe kan leiden dat hij, in afwijking van de hiervoor onder 2.1 weergegeven hoofdregel van artikel 335 Rv Pro, van het bestreden verstekvonnis in hoger beroep kan komen. De uitzonderingssituatie van lid 2 van genoemd artikel doet zich hier niet voor. Dit betekent dat appellant niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen. Hij zal worden veroordeeld in de proceskosten, die op nihil worden begroot.

3.De beslissing

Het hof:
verklaart appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.W. Hoekzema en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.