Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:841

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
200.353.203/01 KG
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging toewijzing minderjarige en voorlopig gebruiksrecht woning na bodemvonnis

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de voorzieningenrechter waarin de minderjarige aan de vader werd toevertrouwd en het voorlopig gebruiksrecht van de woning aan de vader werd toegewezen. De vader vorderde bevestiging van het vonnis, mede gelet op een bodemvonnis dat het huurrecht aan hem toekent.

Het hof overweegt dat het oordeel van de voorzieningenrechter in kort geding in beginsel moet worden afgestemd op het bodemvonnis, tenzij sprake is van een duidelijke misslag of gewijzigde omstandigheden. De moeder stelde geen misslag of relevante wijzigingen sinds het bodemvonnis van 18 december 2025.

Het hof neemt het bodemvonnis als uitgangspunt, waarin het belang van de vader bij behoud van de woning en de continuïteit in de verzorging van de minderjarige zwaarder weegt dan dat van de moeder. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis en wijst de moeder's grieven af. De kosten worden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten. Het incidenteel hoger beroep van de vader wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis waarbij de minderjarige aan de vader wordt toevertrouwd en het voorlopig gebruiksrecht van de woning aan hem wordt toegewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.353.203/01 KG
zaaknummer rechtbank: C/15/361691/ KG ZA 25-54
arrest van de meervoudige familiekamer van 24 maart 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
appellante,
advocaat: mr. B.E.C. de Jong te Amsterdam,
tegen
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. I.M. Thieme te Zaandam.

1.De procedure in hoger beroep

1.1
Partijen worden hierna respectievelijk de moeder en de vader genoemd.
1.2
De moeder is bij dagvaarding van 20 maart 2025 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter (hierna: het bestreden vonnis) in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de voorzieningenrechter) van 25 februari 2025, in kort geding gewezen tussen de vader als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en de moeder als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie.
1.3
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- een memorie van grieven van 6 mei 2025 met producties;
- een memorie van antwoord tevens incidenteel hoger beroep van 3 juni 2025 met producties;
- een memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van 1 juli 2025;
- een bericht van de zijde van de vader van 13 november 2025 met producties;
- een bericht van de zijde van de moeder van 14 november 2025 met producties;
- een bericht van de zijde van de vader van 19 november 2025 met productie;
- een bericht van de zijde van de moeder van 20 november 2025 met productie;
- een bericht van de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Alkmaar (hierna: de raad) van
25 november 2025.
1.4
De moeder heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de minderjarige [minderjarige] voorlopig zal toevertrouwen aan haar zorgen. Daarnaast heeft zij geconcludeerd dat het voorlopig gebruiksrecht van de bij partijen in gebruik zijnde woning, gelegen aan de [A-straat] te [plaats A] , per direct dan wel per een datum die het hof juist acht aan haar zal worden toegewezen, met bepaling dat de vader de woning niet langer mag betreden anders dan met toestemming van de moeder alsmede de zich in de woning bevindende inboedel ter vrije beschikking van de moeder te stellen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 250,-. De moeder vordert veroordeling van de vader in de proceskosten in beide instanties.
In incidenteel hoger beroep heeft de moeder geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vader in zijn vorderingen, dan wel afwijzing van zijn vorderingen.
1.5
De vader heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de moeder in haar grieven, dan wel deze ongegrond te verklaren.
In incidenteel hoger beroep heeft de vader geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen enkel daar waar het de overwegingen aangaande de gezamenlijke gezagsuitoefening betreft en te overwegen dat voorshands moet worden aangenomen dat de moeder en de vader gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen.
1.6
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 26 november 2025, waar partijen zijn verschenen met hun advocaten. De raad is opgeroepen maar niet verschenen.
Van de zijde van de moeder zijn ter zitting pleitnotities overgelegd.
1.7
Na de mondelinge behandeling zijn nog de volgende stukken ingekomen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 22 december 2025 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de vader van 22 december 2025 met producties;
- een bericht van de zijde van de moeder van 21 januari 2026;
- een bericht van de zijde van de vader van 22 januari 2026.
Het hof zal de producties R tot en met V van de zijde van de vader buiten beschouwing laten, omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld andere stukken over te leggen dan die verband houden met de bodemprocedure betreffende het huurrecht van de woning aan de [A-straat] te [plaats A] .
1.8
Tot slot is arrest gevraagd.

2.Feiten

2.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, die is geëindigd in 2023. Zij zijn de ouders van [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren [in] 2016 te [plaats A] . Zij oefenen sinds 29 oktober 2025 gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
De ouders hebben daarnaast een meerderjarige zoon genaamd [zoon] .
2.2
Bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) van 29 oktober 2025 is bepaald dat de ouders gezamenlijk met de uitoefening van het gezag over [minderjarige] worden belast en is de raad verzocht om een onderzoek te verrichten naar welke hoofdverblijfplaats en zorgregeling in het belang zijn van [minderjarige] . De behandeling van de zaak is daartoe pro forma aangehouden.
2.3
Bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaanstad (hierna: de kantonrechter) van 18 december 2025 is, voor zover hier van belang, bepaald dat het huurrecht van de woning gelegen aan de [A-straat] te [plaats A] wordt toegewezen aan de vader met ingang van 1 januari 2026, met uitsluiting van de moeder.
De moeder heeft hoger beroep van dit vonnis ingesteld.

3.Beoordeling

3.1
De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis, voor zover hier van belang, bepaald dat [minderjarige] wordt toevertrouwd aan de vader en dat het voorlopig gebruiksrecht van de bij partijen in gebruik zijnde woning en de zich in de woning bevindende inboedel, gelegen aan de [A-straat] te [plaats A] , aan de vader wordt toegewezen met ingang van 28 februari 2025, met bepaling dat de moeder de woning met ingang van 28 februari 2025 niet langer mag betreden anders dan met toestemming van de vader. Ook is de vader verlof verleend om elke overtreding van voornoemd verbod te handhaven met behulp van de sterke arm van politie en justitie. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Verder heeft de voorzieningenrechter de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Principaal hoger beroep
3.2
Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering is de moeder met twee grieven opgekomen.
3.3
Het hof overweegt dat de rechter die in kort geding beslist over een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, in beginsel zijn oordeel dient af te stemmen op het oordeel van die bodemrechter, ongeacht of het vonnis van de bodemrechter in kracht van gewijsde is gegaan. Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit uitgangspunt. Dit kan het geval zijn als het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht, of zich na het vonnis een zodanige wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter, als hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen (zie Hoge Raad 7 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0015).
3.4
Bij vonnis van de kantonrechter van 18 december 2025 is het huurrecht van de woning gelegen aan de [A-straat] te [plaats A] toegewezen aan de vader met ingang van 1 januari 2026, met uitsluiting van de moeder. Het hof heeft de ouders in deze procedure op 20 januari 2026 in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over wat – in verband met de hiervoor onder 3.3 genoemde afstemmingsregel – de gevolgen van het vonnis van de kantonrechter van 18 december 2025 in de bodemzaak ten aanzien van het huurrecht zijn – en daarmee samenhangend de toevertrouwing van [minderjarige] – voor de onderhavige procedure.
3.5
De moeder heeft het hof op 21 januari 2026 bericht dat zij zich ervan bewust is dat zij bij een beslissing van het hof omtrent het voorlopig gebruiksrecht van de woning – en daarmee samenhangend de toevertrouwing van [minderjarige] aan een van de ouders – mogelijk geen (direct) belang meer heeft, maar eraan hecht dat het hof zich alsnog inhoudelijk uitlaat over het bestreden vonnis aangezien een dergelijk waardeoordeel de moeder mogelijk een zekere mate van erkenning en herstel kan bieden en van belang kan zijn voor de nog lopende procedures tussen de ouders.
3.6
De vader heeft het hof op 22 januari 2026 bericht dat hij er belang bij heeft dat het hof bevestigt dat de in kort geding getroffen voorzieningen in overeenstemming worden gebracht met het bodemvonnis van 18 december 2025 betreffende het huurrecht.
3.7
Gelet op de afstemmingsregel neemt het hof de beslissing van de kantonrechter in het vonnis van 18 december 2025 met betrekking tot het huurrecht tot uitgangspunt. Daarin is overwogen dat gelet op het feit dat de vader in de woning verblijft met [minderjarige] en al langere tijd in overwegende mate de dagelijkse zorg heeft over haar, zijn belang bij het behoud van de woning en het huurrecht daarvan zwaarder weegt dan het belang van de moeder. Ook vanuit het oogpunt van stabiliteit en continuïteit in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] is het volgens de kantonrechter van belang dat de huidige situatie wordt voortgezet en dat [minderjarige] in haar vertrouwde woonomgeving kan blijven. Dat de beslissing van de kantonrechter in de bodemzaak op een klaarblijkelijke misslag berust, is door de moeder niet gesteld. De moeder heeft ook geen relevante wijzigingen van feiten en omstandigheden sinds de datum van het vonnis in de bodemzaak gesteld, die zouden rechtvaardigen dat een uitzondering op de afstemmingsregel wordt gemaakt. Het hof heeft er oog voor dat het voor de moeder lastig is om invulling te geven aan het ouderschap en dat het voor [minderjarige] van belang is dat zij in een veilige omgeving contact heeft met haar moeder. Dit is evenwel geen omstandigheid die leidt tot een andere afweging en beslissing dan die van de kantonrechter.
3.8
Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat zich in dit geval geen uitzondering voordoet op de hiervoor geformuleerde afstemmingsregel, hetgeen betekent dat het hof zijn arrest dan ook zal afstemmen op genoemd vonnis van 18 december 2025. Dit betekent dat het oordeel van de voorzieningenrechter, waarbij de vordering van de vader om het voorlopig gebruiksrecht van de woning aan de [A-straat] te [plaats A] aan hem toe te wijzen, is toegewezen, in hoger beroep zal worden bekrachtigd.
3.9
Gelet op hetgeen hierboven onder 3.7 is overwogen met betrekking tot de stabiliteit en continuïteit in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en het belang van haar om in haar vertrouwde woonomgeving te kunnen blijven, alsmede de omstandigheid dat de moeder momenteel geen woning heeft waar zij langere tijd kan verblijven zal het hof het oordeel van de voorzieningenrechter waarbij [minderjarige] is toevertrouwd aan de vader, volgen. De moeder heeft er nog op gewezen dat [minderjarige] zorgelijke uitspraken heeft gedaan over onveiligheid bij de vader. Zoals overwogen in de beschikking van 29 oktober 2025 is [minderjarige] daarin ook wisselend geweest en kan er sprake zijn van een loyaliteitsconflict. De raad was al een beschermingsonderzoek gestart en de rechtbank heeft in genoemde beschikking van 29 oktober 2025 verzocht dit onderzoek uit te breiden met de vraag welke hoofdverblijfplaats en zorgregeling in het belang van [minderjarige] zijn. Het hof ziet in de stellingen van de moeder dan ook geen aanleiding om op dit moment anders te oordelen over de toevertrouwing van
[minderjarige] . Het hof zal het bestreden vonnis ten aanzien van de toevertrouwing bekrachtigen.
Proceskosten
3.1
Het hof zal de kosten van de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep compenseren aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt, gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan.
Incidenteel hoger beroep
3.11
Ter zitting in hoger beroep heeft de vader zijn incidenteel hoger beroep ingetrokken, gelet op de beslissing van de rechtbank van 29 oktober 2025 waarin de ouders zijn belast met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] .
Het hof maakt hieruit op dat de vader de gronden van het incidenteel hoger beroep niet handhaaft. Dit brengt mee dat het hof de vader niet-ontvankelijk zal verklaren in het incidenteel hoger beroep.
4. Beslissing
Het hof:
in het incidenteel hoger beroep:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;
in het principaal hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de kosten van de procedures in eerste aanleg en hoger beroep tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.C. Louwinger-Rijk, J.M. van Baardewijk en S. van Gestel en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.