ECLI:NL:GHAMS:2026:822

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
23-001120-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 141 SrArt. 6:101 BWArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor openlijke geweldpleging met mes tegen twee personen

Op 13 november 2021 vond in Heemskerk een gewelddadige confrontatie plaats tussen verdachte, zijn medeverdachte en twee benadeelden. Verdachte en zijn groep reisden vanuit Duitsland naar Nederland om een conflict met een van de benadeelden te beslechten. Tijdens twee confrontaties werden steekwapens gebruikt, waarbij beide benadeelden ernstig gewond raakten.

De rechtbank sprak verdachte vrij van poging tot doodslag, maar het openbaar ministerie ging in hoger beroep. Het hof vernietigde het vonnis en sprak verdachte vrij van poging tot doodslag wegens onvoldoende bewijs dat hij zelf stak of medepleegde met opzet. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte openlijk in vereniging geweld pleegde tegen de benadeelden, waarbij messen werden gebruikt.

Verdachte voerde noodweer en noodweerexces aan, maar het hof verwierp deze beroepen omdat de feiten wezen op een aanvallende houding van verdachte en zijn groep. De straf werd vastgesteld op 12 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. De benadeelden kregen deels schadevergoeding toegewezen, waarbij de eigen schuld van de benadeelden werd meegewogen, resulterend in een vermindering van de vergoedingen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf voor openlijke geweldpleging met mes, vrijspraak voor poging tot doodslag, en hoofdelijk aansprakelijk voor schadevergoeding aan benadeelden.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001120-24
datum uitspraak: 24 maart 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 mei 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-004961-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1997,
adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
10 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de raadsman naar voren heeft gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep ten aanzien van feit 2

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van wat aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is dus ook gericht tegen deze beslissing tot vrijspraak. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze beslissing tot vrijspraak. Nu het openbaar ministerie ook hoger beroep heeft ingesteld tegen voornoemd vonnis, specifiek tegen de vrijspraak ter zake van het onder 2 ten laste gelegde, is dit feit in hoger beroep wel aan de orde.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
Feit 1:
Primair
hij op of omstreeks 13 november 2021 te Heemskerk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde partij 1] veelvuldig, althans meerdere keren, met een mes in zijn (aan)gezicht/hoofd en/of arm(en) en/of be(e)n(en) en/of borst en/of rug en/of schouder(s), althans in zijn lichaam, heeft gesneden/gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Subsidiair
hij op of omstreeks 13 november 2021 te Heemskerk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere (snij- en/of steek)verwondingen in zijn (aan)gezicht en/of in/op zijn lichaam, die blijvende littekens zullen achterlaten, heeft toegebracht, door die [benadeelde partij 1] veelvuldig, althans meerdere keren, met een mes in zijn (aan)gezicht/hoofd en/of in zijn lichaam, te snijden/steken;
Meer subsidiairhij op of omstreeks 13 november 2021 te Heemskerk, openlijk, te weten aan de [straat] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij 1] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:
- ( terwijl verdachte en/of de medeverdachte(n) (een) mes(sen), althans scherpe/puntige voorwerpen droeg(en)/bij zich had(den))
- het opjagen van die [benadeelde partij 1] en/of het achterna rennen van die [benadeelde partij 1] en/of het duwen van die [benadeelde partij 1] en/of het laten vallen van die [benadeelde partij 1] , en/of
- ( terwijl die [benadeelde partij 1] op de grond lag) het vasthouden van die [benadeelde partij 1] en/of het op die [benadeelde partij 1] gaan zitten, en/of
- het een of meermalen slaan en/of schoppen van die [benadeelde partij 1] tegen het hoofd en/of het lichaam, en/of
- het een of meermalen steken/snijden met een mes, althans een puntig voorwerp, in het lichaam en/of (aan)gezicht van die [benadeelde partij 1] ;
Feit 2
Primair
hij op of omstreeks 13 november 2021 te Heemskerk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 2] opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde partij 2] veelvuldig, althans meerdere keren, met een mes in zijn (aan)gezicht/hoofd en/of hals/nek, althans in zijn lichaam, heeft gesneden/gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Subsidiair
hij op of omstreeks 13 november 2021 te Heemskerk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [benadeelde partij 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere (snij- en/of steek)verwondingen in zijn (aan)gezicht en/of hals/nek, die blijvende littekens zullen achterlaten, heeft toegebracht, door die [benadeelde partij 2] veelvuldig, althans meerdere keren, met een mes in zijn (aan)gezicht/hoofd en/of hals/nek, althans in zijn lichaam, te snijden/steken;
Meer subsidiair
hij op of omstreeks 13 november 2021 te Heemskerk, openlijk, te weten aan de [straat] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:
- ( terwijl verdachte en/of de medeverdachte(n) (een) mes(sen), althans scherpe/puntige voorwerp(en) droeg(en)/bij zich had(den))
- het opjagen van die [benadeelde partij 2] en/of het achterna rennen van die [benadeelde partij 2] en/of het duwen van die [benadeelde partij 2] , en/of het laten vallen van die [benadeelde partij 2] en/of
- het een of meermalen steken/snijden van die [benadeelde partij 2] met een mes, althans een puntig voorwerp, in diens lichaam en/of hals/nek en/of diens (aan)gezicht;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof, mede in verband met de in hoger beroep gewijzigde tenlastelegging, tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Vrijspraken van het onder 1 primair en subsidiair en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van wat aan hem onder 1 en 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd. In dat kader heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat nergens uit het dossier blijkt dat de verdachte de aangever
[benadeelde partij 1] (verder: [benadeelde partij 1] ) en/of de aangever [benadeelde partij 2] (verder: [benadeelde partij 2] ) heeft gestoken en dat geen sprake is geweest van het medeplegen van pogingen tot doodslag dan wel zware mishandeling omdat geen gezamenlijke geweldsuitoefening tegen [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] heeft plaatsgevonden.
Het oordeel van het hof ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde
Het hof stelt, mede op basis van de eigen waarneming naar aanleiding van het bekijken van de camerabeelden, de volgende feiten en omstandigheden vast.
Er was sprake van een al langer lopend conflict tussen de medeverdachte [medeverdachte] (verder: de medeverdachte) en [benadeelde partij 1] . Om [benadeelde partij 1] een lesje te leren zochten de medeverdachte, de verdachte en minimaal vijf andere personen hem op 13 november 2021 in Nederland op. Zij reden met meerdere auto’s vanuit Duitsland naar de [straat] , waar de auto’s in de buurt van het winkelcentrum werden geparkeerd. [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] bevonden zich op dat moment in de woning op het adres [adres 2] . De verdachte en twee anderen uit de groep van de (mede)verdachte liepen vervolgens naar de woning op het adres aan de [adres 2] toe en belden daar aan. De medeverdachte bleef op dat moment in zijn auto, die verderop in de straat bij het winkelcentrum stond, wachten. [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] kwamen daarop de woning uit. [benadeelde partij 1] had op dat moment een mes vast en [benadeelde partij 2] had een slagwapen (een stuk pijp). Vervolgens ontstond voor de woning een vechtpartij tussen enerzijds de verdachte en twee personen uit de groep van de (mede)verdachte en anderzijds [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] . Tijdens die vechtpartij maakte [benadeelde partij 1] op enig moment stekende bewegingen richting een van de personen uit de groep van de (mede)verdachte en pakte de verdachte op enig moment het slagwapen van [benadeelde partij 2] af, waarna hij dat ook als slagwapen gebruikte richting eerst [benadeelde partij 2] en daarna [benadeelde partij 1] .
Na ongeveer 20 seconden werden de verdachte en de twee anderen uit zijn groep door [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] bij de woning weggejaagd. Zij renden weg in de richting van het winkelcentrum en werden daarbij achtervolgd door [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] . [benadeelde partij 1] rende op dat moment met een mes in zijn hand achter de verdachte en de twee andere personen aan.
In de buurt van het winkelcentrum vond opnieuw een confrontatie plaats tussen de groep van de (mede)verdachte en [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] . [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] werden door de medeverdachte, die inmiddels was uitgestapt, de verdachte en een onbekend persoon ( [benadeelde partij 2] uit de groep van de (mede)verdachte achteruit gedreven en vielen kort daarna op de grond. De medeverdachte en [benadeelde partij 2] maakten vervolgens – terwijl [benadeelde partij 1] op de grond lag en de medeverdachte op hem zat – stekende bewegingen in de richting van [benadeelde partij 1] . De verdachte was op het moment dat [benadeelde partij 1] werd gestoken, buiten het beeld van de camera. Even later kwam de verdachte weer in beeld en rende hij samen met de anderen weg van [benadeelde partij 1] , die zeer ernstig gewond op de grond lag. Op het moment van wegrennen had de verdachte iets in zijn hand.
Gelet op voormelde gang van zaken gaat het hof ervan uit dat [benadeelde partij 1] pas bij de tweede confrontatie is gestoken en de verdachte niet één van de personen is geweest die [benadeelde partij 1] heeft gestoken. Op de beelden is immers niet te zien dat de verdachte op enig moment stekende bewegingen maakt richting [benadeelde partij 1] . Daar komt bij dat het hof op de camerabeelden wel heeft waargenomen dat de verdachte op het moment van wegrennen iets in zijn handen heeft, maar niet (met voldoende zekerheid) heeft waargenomen dat dit voorwerp een mes betrof. Het hof gaat daarmee voorbij aan het proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 522) waarin wordt gerelateerd dat de verdachte op het moment van wegrennen een steekwapen
lijktte hebben. In dat kader is bovendien relevant dat de verdachte op de camerabeelden die bij de woning aan de [adres 2] zijn gemaakt, op enig moment met een slagwapen (een stuk pijp) te zien is (dat hij van [benadeelde partij 2] had afgepakt) en, anders dan [benadeelde partij 1] , niet met een mes. Tot slot heeft de verdachte zelf telkens ontkend dat hij [benadeelde partij 1] heeft gestoken en heeft hij verklaard dat wat door de politieambtenaren op de camerabeelden is aangezien voor een steekwapen in werkelijkheid zijn witte mobiele telefoon was die hij in zijn hand had. Dit alles brengt het hof tot de conclusie dat de verdachte niet als (één van de) pleger(s) van de poging tot doodslag op [benadeelde partij 1] , in de zin van steker(s), kan worden aangemerkt.
De vraag die vervolgens aan het hof voorligt is of de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op [benadeelde partij 1] .
Het hof stelt voorop dat voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een ander of anderen. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De vraag of aan deze vereisten is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Daarbij kan van belang zijn in hoeverre de concrete omstandigheden van het geval door de rechter kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen. (Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474.)
Voor een bewezenverklaring van het medeplegen van een poging tot doodslag geldt dat het opzet van de verdachte zowel op de nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededader(s) als op de verwezenlijking van dat tenlastegelegde grondfeit moet zijn gericht. In dit geval zou dan moeten blijken dat het opzet van de verdachte erop was gericht om tezamen en in vereniging met anderen [benadeelde partij 1] van het leven te beroven, door met dat opzet [benadeelde partij 1] meermalen met een mes te steken.
Op basis van de stukken in het dossier kan het hof niet vaststellen dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van een mes bij de medeverdachte en [benadeelde partij 2] en van de mogelijkheid dat de medeverdachte en NN2 [benadeelde partij 1] daarmee op een kwetsbare plaats zouden steken. Dat de verdachte heeft deelgenomen aan het medeplegen van geweld tegen [benadeelde partij 1] (en [benadeelde partij 2] ), volstaat niet om die bewustheid aan te nemen.
Het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) een poging tot doodslag op [benadeelde partij 1] zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
Het oordeel van het hof ten aanzien van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde
Met de raadsman is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is wat de verdachte onder 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof kan op basis van het dossier niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid vaststellen op welk moment, op welke wijze en door wie [benadeelde partij 2] gewond is geraakt. Er zijn geen camerabeelden waarop te zien is dat [benadeelde partij 2] wordt verwond en de enkele zin in het proces-verbaal van bevindingen van 22 november 2021 (dossierpagina 550) waarin is opgenomen dat [benadeelde partij 2] bij de politie heeft verklaard dat hij de verdachte op een afbeelding herkent als degene die hem heeft gestoken en verwond, is onvoldoende voor een bewezenverklaring van het medeplegen van een poging tot doodslag of zware mishandeling van [benadeelde partij 2] door de verdachte.
Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 en 2 meer subsidiair ten laste gelegde
Het hof acht op basis van de gebruikte bewijsmiddelen wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 1 en 2 meer subsidiair ten laste gelegde, te weten de openlijke geweldpleging tegen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] . Daarbij gaat het om het geweld dat tegen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] is gepleegd tijdens de tweede confrontatie bij het winkelcentrum.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1 meer subsidiairhij op 13 november 2021 te Heemskerk, openlijk, te weten aan de [straat] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij 1] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:
- terwijl de medeverdachten messen bij zich hadden
- het laten vallen van [benadeelde partij 1] , en
- terwijl [benadeelde partij 1] op de grond lag het vasthouden van [benadeelde partij 1] en het op [benadeelde partij 1] gaan zitten, en
- het steken met een mes in het lichaam en gezicht van [benadeelde partij 1] .
Feit 2 meer subsidiair
hij op 13 november 2021 te Heemskerk, openlijk, te weten aan de [straat] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:
- terwijl de medeverdachten messen bij zich hadden
- het laten vallen van [benadeelde partij 2] en
- het steken van [benadeelde partij 2] met een mes in zijn hals en gezicht.
Wat onder 1 meer subsidiair en 2 meer subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer, dan wel op noodweerexces toekomt. Daartoe heeft de raadsman – samengevat – aangevoerd dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding toen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] de woning aan de [adres 2] met wapens uit kwamen rennen en de verdachte door hen werd belaagd, dat de verdachte [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] niet heeft aangevallen maar alleen heeft geprobeerd om de aanval te stoppen en weg te komen en dat de verdachte bij het winkelcentrum de medeverdachte heeft willen helpen toen hij daar werd aangevallen door [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] .
Voor aanvaarding van het beroep op noodweer is onder meer vereist dat de rechter van oordeel is dat de feitelijke grondslag van dat beroep, gelet op wat de verdachte daarover heeft verklaard en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Daarbij kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten. De last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag mag niet uitsluitend op de verdachte worden gelegd en enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht staat aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden niet in de weg.
Naar het oordeel van het hof is de gestelde feitelijke grondslag van het beroep op noodweer niet aannemelijk geworden.
Het hof gaat daarbij uit van de gang van zaken zoals die met name blijkt uit de camerabeelden van de situatie voor de woning aan de [adres 2] , de beelden van ‘ [bedrijf] ’ en de beelden van de [adres 3] .
De verdachte is, als eerder door het hof opgemerkt, in het kader van een al langer lopend conflict tussen de medeverdachte en [benadeelde partij 1] , tezamen met minimaal zes andere personen, waaronder de medeverdachte, vanuit Duitsland naar Heemskerk gereden om [benadeelde partij 1] een lesje te leren. De verdachte en twee anderen uit de groep van de (mede)verdachte hebben bij de woning aan de [adres 2] de confrontatie met [benadeelde partij 1] opgezocht en daar is een vechtpartij ontstaan. Na ongeveer 20 seconden zijn de verdachte en de twee anderen door [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] bij de woning weggejaagd. Zij zijn weggerend in de richting van het winkelcentrum, achtervolgd door [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] . [benadeelde partij 1] rende op dat moment met een mes in zijn hand achter de verdachte en de twee andere personen uit de groep van de (mede)verdachte aan.
Op camerabeelden van de ‘ [bedrijf] ’ is vervolgens te zien dat de verdachte en [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] aan komen lopen. Van een achtervolging of aanvallende handelingen vanuit [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] richting de verdachte, is op dat moment, anders dan door de verdediging is gesteld geen sprake. Anders gezegd, op dat moment was er geen sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding (dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar voor een zodanige aanranding) vanuit [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] richting de verdachte. Mogelijk was er daarvoor wel sprake van aanvallende handelingen van de zijde van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] richting de verdachte, maar, als daarvan al sprake was, die waren dan voor ‘ [bedrijf] ’ reeds geëindigd. Er was dan ook op dat moment geen noodzaak (meer) tot verdediging door de verdachte en/of de medeverdachte. Dat de verdachte en de medeverdachte, die een mes bij zich had, op dat moment naar [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zijn toegelopen, ziet het hof als handelingen die als aanvallend moeten worden beschouwd, in die zin dat door hen voor een tweede maal de confrontatie wordt gezocht, een confrontatie waarbij de medeverdachte ditmaal zelf ook fysiek betrokken is. Op camerabeelden van de [adres 3] is vervolgens te zien dat de verdachte, de medeverdachte en NN1 [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] achteruit drijven en laten vallen (waarbij ook de medeverdachte ten val komt) en dat vervolgens de verdachte, de medeverdachte en NN2 het hiervoor genoemde geweld op [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] toepassen.
Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat de verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het hof merkt deze gedragingen dan ook niet aan als verdedigend maar als in de kern aanvallend.
Nu niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een noodweersituatie verwerpt het hof het beroep op noodweer. Op diezelfde grond wordt ook het beroep op noodweerexces verworpen.
Dit maakt dat geen omstandigheden aannemelijk geworden zijn die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde of de verdachte uitsluiten, zodat het bewezenverklaarde en de verdachte strafbaar zijn.
Het onder 1 meer subsidiair en 2 meer subsidiair bewezenverklaarde levert telkens op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft het hof in het kader van de strafoplegging verzocht om – bij een bewezenverklaring van het onder 1 en 2 meer subsidiair ten laste gelegde – te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan openlijke geweld tegen zowel [benadeelde partij 1] als [benadeelde partij 2] . De groep van de verdachte heeft er – naar aanleiding van een al langer lopend conflict tussen [benadeelde partij 1] en de medeverdachte – voor gekozen om naar Nederland af te reizen om [benadeelde partij 1] een lesje te leren. Het gebruik van geweld op een openbare plek zorgt ervoor dat onschuldige voorbijgangers ongevraagd geconfronteerd kunnen worden met dit geweld, waardoor zij zich minder veilig voelen. Uiteindelijk is [benadeelde partij 1] levensbedreigend gewond geraakt door toegebracht steekletsel en ook aan [benadeelde partij 2] is steekletsel toegebracht. Daarnaast heeft het incident bij hen geleid tot psychische klachten. De impact van de gewelddadige gebeurtenis is op beiden groot (geweest), zoals blijkt uit de onderbouwingen van de vorderingen tot schadevergoeding, die in hoger beroep nog nader zijn aangevuld.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie uit Duitsland van
14 juli 2022 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld voor een delict dat bij een ander (zwaar) lichamelijk letsel teweeg heeft gebracht. Dit wordt in zijn nadeel gewogen.
Het hof heeft gelet op de straf die in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd en die zijn weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden genoemd voor openlijke geweldpleging, zwaar lichamelijk letsel ten gevolgde hebbend (per misdrijf). Het hof ziet in de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, geen aanleiding hiervan in het voordeel van de verdachte af te wijken.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot € 51.726,00 te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze bestaat uit een bedrag van € 1.726,00 ter compensatie van materiële schade (een bedrag van € 186,00 aan ziekenhuisdaggeldvergoeding en een bedrag van € 1.540,00 als vergoeding voor eigen risico) en een bedrag van € 50.000,00 ter compensatie van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft geadviseerd om de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen en gevorderd dat ter zake daarvan een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.
De raadsman heeft het hof primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering omdat aan de verdachte een geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Meer subsidiair heeft de raadsman het hof verzocht om het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade te matigen met minimaal 50% gelet op het eigen aandeel dat de benadeelde partij in het geweld heeft gehad.
Ten aanzien van het beroep van de verdediging op eigen schuld van de benadeelde partij aan de gevorderde schade overweegt het hof als volgt.
Artikel 6:101, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) schrijft voor dat de vergoedingsplicht bij eigen schuld wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Uit hetzelfde artikellid volgt dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist. Ten eerste dient een causaliteitsafweging te worden gemaakt, die erop neerkomt dat moet worden beoordeeld in welke mate enerzijds het gedrag van de benadeelde partij en anderzijds het gedrag van de verdachte aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen. Vervolgens volgt een beoordeling van de mate van verwijtbaarheid van zowel de een als de ander met daarbij, indien van toepassing, een billijkheidscorrectie. Wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval kan de billijkheid immers een andere verdeling eisen dan de maatstaf van wederzijdse causaliteit met zich zou brengen. Bij deze billijkheidscorrectie mag ook de ernst van het letsel van de benadeelde partij worden betrokken.
Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij een escalerend aandeel heeft gehad in de eerste confrontatie tussen hem en de verdachte en de twee andere personen uit de groep van de verdachte bij de woning aan de [adres 2] en aldus in enige mate heeft bijgedragen aan de latere confrontatie bij het winkelcentrum en aan het ontstaan van de schade. Het hof is echter – anders dan de raadsman in het kader van de vordering tot schadevergoeding naar voren heeft gebracht – van oordeel dat de billijkheid wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten eist, dat de schade in overwegende, na te melden, mate voor rekening van de verdachte blijft.
Het hof komt dan ook tot de volgende beoordeling van de gevorderde schadeposten.
Materiële schade
Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte tot een bedrag van € 1.726,00 rechtstreeks materiële
schade heeft geleden, in aanmerking genomen dat de onderbouwde stellingen van de benadeelde partij
van de zijde van de verdachte niet gemotiveerd zijn betwist. Dit deel van de vordering, dat het hof niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, ligt dan ook in beginsel voor toewijzing gereed. In verband met de toepassing van artikel 6:101 BW Pro, zoals hiervoor overwogen, zal het hof het in dit kader te betalen bedrag evenwel vaststellen op € 1.036,00. De vordering zal voor het meerdere deel worden afgewezen.
Immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten een snijwond ter hoogte van zijn borst, een diepe snijverwonding in zijn voorhoofd, bloed in zijn borstholte en een hangend ooglid. Daarnaast is sprake van geestelijk letsel in de vorm van PTSS, in combinatie met depressieve en angstklachten, gepaard gaande met psychotische symptomen waarvoor hij een langdurige en intensieve behandeling nodig heeft om tot herstel te kunnen komen. De benadeelde partij heeft in dat verband recht op vergoeding van immateriële schade. Het hof stelt de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW Pro naar billijkheid vast op € 50.000,00. Daarbij heeft het hof in het bijzonder gelet op:
  • de aard, de ernst en de verwijtbaarheid van het onrechtmatige handelen van de verdachte, alsmede de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt;
  • de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft gehad op het dagelijkse leven van de benadeelde partij;
  • de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters wordt opgelegd.
In verband met de toepassing van artikel 6:101 BW Pro, zoals hiervoor overwogen, zal het hof het in dit kader te betalen bedrag vaststellen op € 30.000,00. De vordering zal voor het meerdere deel worden afgewezen.
Totaal toegewezen bedrag
De verdachte is tot vergoeding van de hierboven weergegeven schade ter hoogte van (in totaal)
€ 31.036,00 gehouden zodat de vordering tot dat bedrag
hoofdelijkzal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat die schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot € 270.031,00 te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze bestaat uit een bedrag van € 250.031,00 ter compensatie van materiële schade (een bedrag van € 250.000,00 aan gederfde winst/verlies arbeidsvermogen en een bedrag van € 31,00 aan ziekenhuisdaggeldvergoeding) en een bedrag van € 20.000,00 ter compensatie van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep, in verband met de beslissing tot vrijspraak, niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en het te vorderen bedrag naar beneden bijgesteld tot een bedrag van in totaal € 20.031,00, waarbij het eerder gevorderde bedrag aan gederfde winst/verlies arbeidsvermogen is komen te vervallen.
De advocaat-generaal heeft geadviseerd om de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen en gevorderd dat ter zake daarvan een schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.
De raadsman heeft het hof primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering omdat aan de verdachte een geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Meer subsidiair heeft de raadsman het hof verzocht om het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade te matigen met minimaal 50% gelet op het eigen aandeel dat de benadeelde partij in het geweld heeft gehad.
Ten aanzien van het beroep van de verdediging op eigen schuld van de benadeelde partij aan de gevorderde schade verwijst het hof allereerst naar wat hiervoor over artikel 6:101 lid 1 BW Pro is overwogen.
Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij een escalerend aandeel heeft gehad in de eerste confrontatie tussen hem en de verdachte en de twee andere personen uit de groep van de verdachte bij de woning aan de [adres 2] en aldus in enige mate heeft bijgedragen aan de latere confrontatie bij het winkelcentrum en aan het ontstaan van de schade. Het hof is echter – anders dan de raadsman in het kader van de vordering tot schadevergoeding naar voren heeft gebracht – van oordeel dat de billijkheid wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten eist, dat de schade in overwegende, na te melden, mate voor rekening van de verdachte blijft.
Het hof komt dan ook tot de volgende beoordeling van de gevorderde schadeposten.
Materiële schade
Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte tot een bedrag van € 31,00 rechtstreeks materiële
schade heeft geleden, in aanmerking genomen dat de onderbouwde stellingen van de benadeelde partij van de zijde van de verdachte niet gemotiveerd zijn betwist. Dit deel van de vordering, dat het hof niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, ligt dan ook in beginsel voor toewijzing gereed. In verband met de
toepassing van artikel 6:101 BW Pro, zoals hiervoor overwogen, zal het hof het in dit kader te betalen bedrag evenwel vaststellen op € 19,00. De vordering zal voor het meerdere deel worden afgewezen.
Immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten een steekverwonding in zijn gezicht en een steekverwonding in zijn hals. Daarnaast is sprake van geestelijk letsel in de vorm van PTSS-klachten en aanhoudende angstklachten waarvoor hij EMDR-therapie ondergaat. De benadeelde partij heeft in dat verband recht op vergoeding van immateriële schade. Het hof stelt de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW Pro naar billijkheid vast op € 20.000,00. Daarbij heeft het hof in het bijzonder gelet op:
  • de aard, de ernst en de verwijtbaarheid van het onrechtmatige handelen van de verdachte, alsmede de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt;
  • de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft gehad op het dagelijkse leven van de benadeelde partij;
  • de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters wordt opgelegd.
In verband met de toepassing van artikel 6:101 BW Pro, zoals hiervoor overwogen, zal het hof het in dit kader te betalen bedrag vaststellen op € 12.000,00. De vordering zal voor het meerdere deel worden afgewezen.
Totaal toegewezen bedrag
De verdachte is tot vergoeding van de hierboven weergegeven schade ter hoogte van (in totaal)
€ 12.019,00 gehouden zodat de vordering tot dat bedrag
hoofdelijkzal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat die schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep, voor zover dat ziet op de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van feit 2;
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 meer subsidiair en 2 meer subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 31.036,00 (eenendertigduizend zesendertig euro) bestaande uit € 1.036,00 (duizend zesendertig euro) materiële schade en
€ 30.000,00 (dertigduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 31.036,00 (eenendertigduizend zesendertig euro) bestaande uit € 1.036,00 (duizend zesendertig euro) materiële schade en € 30.000,00 (dertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 161 (honderdeenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 januari 2023
en van de immateriële schade op 13 november 2021.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 12.019,00 (twaalfduizend negentien euro) bestaande uit € 19,00 (negentien euro) materiële schade en € 12.000,00 (twaalfduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 12.019,00 (twaalfduizend negentien euro) bestaande uit € 19,00 (negentien euro) materiële schade en
€ 12.000,00 (twaalfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 85 (vijfentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op
13 november 2021.
Heft ophet bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de straf.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. E.J Hofstee en mr. J.F. van Halderen, in tegenwoordigheid van
mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
24 maart 2026.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]