Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:816

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
23-003266-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 404 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte in hoger beroep wegens onvoldoende bewijs witwassen

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor witwassen van contante geldbedragen en het maken van een gewoonte daarvan in de periode van 1 januari 2016 tot en met 28 maart 2018. De rechtbank had verdachte deels vrijgesproken, maar verdachte stelde hoger beroep in tegen het gehele vonnis.

Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen de eerdere vrijspraken wegens witwassen van kleinere bedragen en sieraden, omdat hoger beroep daarop niet openstond. Voor het overige vernietigde het hof het vonnis en sprak verdachte vrij. Het hof oordeelde dat er geen wettig en overtuigend bewijs was dat de contante bedragen direct uit een misdrijf afkomstig waren. De verdediging had een concrete, verifieerbare en niet onwaarschijnlijke verklaring gegeven dat de contante bedragen legaal waren verkregen, onderbouwd met bankafschriften en kasreconstructies.

Het openbaar ministerie had geen aanvullend onderzoek verricht naar deze verklaring, waardoor het hof niet kon concluderen dat witwassen bewezen was. Ook was niet bewezen dat verdachte wetenschap had van strafbare handelingen van haar echtgenoot met betrekking tot beroepsmatige handel in merkvervalste goederen. Het verzoek tot aanhouding van de zaak en het horen van een boekhouder werd afgewezen. Het hof sprak verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor witwassen van contante geldbedragen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-003266-21
Datum uitspraak: 25 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 november 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-993048-18 tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 februari 2026 en 25 maart 2026 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en haar raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is dus mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken.
De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan haar is ten laste gelegd, voor zover dit betrekking heeft op witwassen van de stortingen bij Ria Financial Services van in totaal € 5.715,65 (het achtste gedachtestreepje) en de 154 sieraden met een totale waarde van € 127.329,00 (het tiende gedachtestreepje).
Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Tenlastelegging

De verdachte wordt samenvattend – rekening houdend met de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging en voor zover in hoger beroep nog aan de orde – beschuldigd van het in de periode van 1 januari 2016 tot en met 28 maart 2018 als medepleger of alleen witwassen van geldbedragen en hiervan een gewoonte maken.
De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in de bij dit arrest gevoegde bijlage.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat het hof, anders dan de rechtbank, de verdachte zal vrijspreken van het tenlastegelegde.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard, in die zin dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] (de echtgenoot van de verdachte en tevens medevennoot van [bedrijf 1] ) zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan het witwassen van een bedrag van € 436.500,00. Deze contante gelden kunnen niet worden verklaard uit de privéopnames van [bedrijf 1] en niet is gebleken uit welke bron bedragen op die rekeningen zijn gestort. De verdediging stelt nu dat de contante gelden vanaf 2004 zijn gespaard, maar dat wordt op geen enkele manier onderbouwd en is, gelet op de slechte jaren van [bedrijf 1] , ook onwaarschijnlijk. Daarnaast is deze verklaring een aantal jaren na het wijzen van het vonnis naar voren gebracht en sluiten de door de verdediging genoemde bedragen elkaar uit.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. De rechtbank is uitgegaan van een onvolledig en onjuist beeld van de contante privé-onttrekkingen uit [bedrijf 1] . Bij een volledige reconstructie van de zakelijke bankrekening blijkt dat de door de rechtbank als witgewassen aangemerkte contante bedragen (in totaal € 436.501,67) volledig kunnen worden gedekt door legale contante privé-onttrekkingen uit de onderneming. De totale contante privé-onttrekkingen uit [bedrijf 1] bedragen € 475.323,38, te weten € 423.350,00 van de bankrekening (van 2004 tot en met 2017) plus € 51.973,38 uit de kas (van 2016 tot en met 2018). De verdediging heeft een concrete en verifieerbare verklaring gegeven voor de legale herkomst van de contante geldbedragen (bank- en kasreconstructie) en deze verklaring is niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk, gelet op de omvang van de onderneming en de aantoonbare contante privé-onttrekkingen. Het door de verdediging in dit verband ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juli 2023 overgelegde overzicht “conclusies uit bankrekeningafschriften [bedrijf 1] over de periode 2004 tot en met 2017” is door het openbaar ministerie niet weersproken.
Subsidiair heeft de raadsvrouw, indien het hof van oordeel is dat nader onderzoek noodzakelijk is, verzocht de zaak aan te houden en het openbaar ministerie op te dragen onderzoek te verrichten naar de bezoeken aan de kluis en de aangifte vermogensbelasting, door de adviseur te horen dan wel onderzoek te verrichten bij de belastingdienst. Voorts heeft de raadsvrouw, indien het hof van oordeel is dat sprake is van witwassen omdat niet duidelijk is hoe de privé-onttrekkingen van de zakelijke bankrekening weg zijn geboekt, een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van de boekhouder, de heer [getuige] .
Oordeel van het hof
Vooropgesteld wordt dat ten aanzien van de ten laste gelegde, in de gedachtestreepjes vermelde geldbedragen (te weten contante stortingen van € 10.695,00, € 10.640,00 en € 72.919,85, contante uitgaven van € 50.000,00, € 19.800,00, € 7.300,00, € 96.171,39 en € 17.333,43 en het in de kluis aangetroffen contante geldbedrag van € 151.400,00) er geen bewijs is dat deze gelden direct van misdrijf afkomstig zijn. Het hof zal daarom ten aanzien van deze geldbedragen het toetsingskader hanteren dat wordt toegepast ingeval van een vermoeden van witwassen waarbij geen direct bewijs voor de brondelicten aanwezig is.
Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan witwassen bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Indien de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de legale herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Naar het oordeel van het hof blijkt uit het dossier dat sprake is van een vermoeden van witwassen. Van belang daarbij is alleen al dat het bedrag dat aan contanten is uitgegeven, aangetroffen en gestort fors hoger is dan de inkomsten van de winkel, zoals deze volgen uit de grootboekrekeningen van de kas van [bedrijf 1] . [medeverdachte] heeft verklaard dat er geen verdere inkomsten waren dan die afkomstig uit [bedrijf 1] . Ook hebben meermalen contante stortingen plaatsgevonden op verschillende bankrekeningen, zijn er grote contante betalingen verricht en is contant geld aangetroffen. In de kluis van de verdachte en [medeverdachte] zijn meerdere coupures van € 500,00 aangetroffen en bij zeker één contante betaling, de betaling ten behoeve van de woning, is gebruikgemaakt van deze coupures. Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld in doorgaans grote coupures, terwijl coupures van € 500,00 in het normale betalingsverkeer een zeldzaamheid zijn. Het is tevens een feit van algemene bekendheid dat betalingen betreffende onroerend goed niet contant worden gedaan, maar via bankrekeningen (en de notaris) verlopen.
De verdachte heeft op de zitting in eerste aanleg verklaard dat de contante betalingen dan wel stortingen verantwoord kunnen worden ofwel vanuit de zakelijke rekening van [bedrijf 1] ofwel vanuit de contante inkomsten van [bedrijf 1] . Vanaf de zakelijke rekening werd vanaf de crisis (het hof begrijpt: 2008 à 2009) bij de Rabobank in [plaats] geld gepind om te sparen. De contante inkomsten werden ook gespaard en thuis in een spaarpot bewaard. Op de zitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het geld dat in 2016-2018 is uitgegeven uit de kluis is gehaald. Het betreft spaargeld dat is opgenomen en in de kluis is gelegd.
Kort samengevat komt het betoog van de verdediging erop neer dat het contant geld dat is uitgegeven in de periode van 1 januari 2016 tot en met 28 maart 2018 verklaard kan worden door het ‘sparen’ in de kluis van de Rabobank. De contante uitgaven zoals ten laste gelegd werden betaald uit de ‘voorraad’ contant geld in de kluis.
In dit verband heeft de verdediging onder meer de volgende stukken ingebracht:
  • een toelichting op het inkomen van 2014, 2015, 2016 en 2017 van [medeverdachte] en een toelichting op het inkomen van 2014 van de verdachte;
  • een specificatie bij de aangifte van 2014 van de verdachte en een specificatie bij de aangifte 2015 van [medeverdachte] ;
  • het rapport jaarrekening 2017 van [bedrijf 1] ;
  • een overzicht “conclusies uit bankrekeningafschriften [bedrijf 1] over de periode 2004 tot en met 2017”, opgesteld aan de hand van de bankafschriften van de zakelijke rekening van [bedrijf 1] .
Deze stukken en met name het ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juli 2023 overgelegde overzicht “conclusies uit bankrekeningafschriften [bedrijf 1] over de periode 2004 tot en met 2017” zijn door het openbaar ministerie niet weersproken.
Het hof is van oordeel dat de verdachte met deze stukken en de gegeven toelichtingen een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat de hiervoor genoemde ten laste gelegde (uitgegeven contante) geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn en dat het openbaar ministerie nader onderzoek naar die verklaring had kunnen verrichten. Nu nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte door het openbaar ministerie achterwege is gebleven, kan niet worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat deze geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dit betekent dat niet is bewezen dat de verdachte deze geldbedragen heeft witgewassen, zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken.
Aan [persoon] verkochte jassen
Wel valt op grond van de bewijsmiddelen een rechtstreeks verband te leggen tussen de geldbedragen die [medeverdachte] heeft ontvangen voor de verkoop van de jassen aan [persoon] en medeplichtigheid van [medeverdachte] aan beroepsmatige handel in merkvervalste goederen.
Het hof is echter van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van de strafbare handelingen van [medeverdachte] en daarmee van de criminele herkomst van deze geldbedragen, die vervolgens evenmin zijn opgenomen in de boekhouding van [bedrijf 1] . Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Het hof acht nader onderzoek naar de herkomst van de contant uitgegeven geldbedragen – nu de verdachte van het tenlastegelegde wordt vrijgesproken – niet noodzakelijk. Het verzoek van de raadsvrouw tot aanhouding van de zaak – om het openbaar ministerie op te dragen onderzoek te verrichten naar de bezoeken aan de kluis en de aangifte vermogensbelasting – wordt daarom afgewezen. Daarnaast heeft de raadsvrouw een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van de boekhouder, de heer [getuige] . Aan de gestelde voorwaarde – indien het hof van oordeel is dat sprake is van witwassen omdat niet duidelijk is hoe de privé-onttrekkingen van de zakelijke bankrekening weg zijn geboekt – is niet voldaan, zodat het hof niet toekomt aan de beoordeling van dit verzoek.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de beslissingen ter zake van het tenlastegelegde voor zover dit betrekking heeft op witwassen van de stortingen bij Ria Financial Services van in totaal € 5.715,65 (het achtste gedachtestreepje) en de 154 sieraden met een totale waarde van € 127.329,00 (het tiende gedachtestreepje).
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 maart 2026.
Mr. Meerbeek is niet in de gelegenheid dit arrest te ondertekenen.

Bijlage: tenlastelegging

Aan de verdachte is – gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging en voor zover in hoger beroep nog aan de orde – ten laste gelegd dat:
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 28 maart 2018 te Rijsenhout en/of Amsterdam en/of Hoofddorp en/of Amstelveen, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) van een of meerdere voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedrag(en) en/of een of meerdere goed(eren) te weten
- 10.695,- euro en/of 10.640,- euro, bestaande uit een of meer bijschrijving(en) op rekening * [nummer] tnv [verdachte] met als omschrijving ‘voor een huis’ en/of
- 72.919,85 euro, bestaande uit een of meer contante storting(en) op rekening * [nummer] tnv [verdachte] en/of
- 50.000 euro, bestaande uit een contante betaling mbt roerende zaken woning en/of
- 19.800 euro, bestaande uit een contante betaling mbt een keuken en/of
- 7.300 euro, bestaande uit een contante betaling mbt een badkamer en/of
- 96.171,39 euro, althans 57.159,64 euro, bestaande uit een of meer contante betaling(en) voor verbouwing aan de woning en/of
- 17.333,43 euro, bestaande uit een of meer contante betaling(en) aan [bedrijf 2] BV en/of
- 151.400 euro, bestaande uit een of meer contante geldbedrag(en) aangetroffen in een kluis en/of
althans (telkens) enig(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren),
de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op voornoemd(e) voorwerp(en) is/zijn en/of voornoemd(e) voorwerp(en) voorhanden gehad,
(lid 1 onder sub a)
en/of voornoemd(e) voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van die/het voorwerp(en) gebruik gemaakt,
(lid 1 onder sub b)
terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s), (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moet(en) vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en van het witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt.