Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:794

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
24/3087 t/m 24/3092
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 AWRArt. 27e AWRArt. 16 AWRArt. 11 AWRArt. 2 ZVW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen navorderingsaanslagen en vergrijpboeten inkomstenbelasting en ZVW taxibedrijf

Belanghebbende, exploitant van een taxibedrijf, werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en Zorgverzekeringswet (ZVW) voor de jaren 2016 tot en met 2018, inclusief vergrijpboeten wegens het niet doen van vereiste aangiften en het verzwegen van omzet. De inspecteur baseerde de aanslagen op een boekenonderzoek en gegevens van een taxiplatform ([bedrijf 2]) waaruit bleek dat de werkelijk gerealiseerde omzet aanzienlijk hoger was dan opgegeven.

De rechtbank had de vergrijpboeten ambtshalve verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende stelde beroep in tegen de aanslagen en boeten, maar het hof oordeelde dat de inspecteur terecht uitging van de door [bedrijf 2] verstrekte omzetgegevens en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de correcties onjuist waren. De bewijslast werd omgekeerd vanwege het ontbreken van vereiste aangiften.

Het hof bevestigde dat belanghebbende bewust onjuiste aangiften had gedaan, waardoor de vergrijpboeten terecht waren opgelegd. De boeten werden wel verminderd met 15% wegens termijnoverschrijding. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor verdere matiging of kostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vergrijpboeten worden verminderd, waarbij de navorderingsaanslagen worden bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerken 24/3087 tot en met 24/3092
3 februari 2026
uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] ,wonende te [Z] , belanghebbende,
tegen de uitspraak van 16 februari 2024 in de zaken met kenmerken HAA 22/3526 tot en met
HAA 22/3531 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
kenmerk 24/3087 (HAA 22/3526)
1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2016 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 161.230. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 35.909 en een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 8.979.
kenmerk 24/3088 (HAA 22/3527)
1.2. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 262.316. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 61.060 en een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 10.383.
kenmerk 24/3089 (HAA 22/3528)
1.3. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 163.016. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 25.264 en een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 2.351.
kenmerk 24/3090 (HAA 22/3529)
1.4. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2016 een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 52.763. Daarbij is een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 201.
kenmerk 24/3091 (HAA 22/3530)
1.5. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een navorderingsaanslag ZVW opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 53.701. Daarbij is een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 116.
kenmerk 24/3092 (HAA 22/3531)
1.6. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag ZVW opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 54.614.
Alle zaken
1.7. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 24 mei 2022 heeft de inspecteur de bezwaren tegen de (navorderings)aanslagen, vergrijpboeten en beschikkingen belastingrente ongegrond verklaard.
1.8. Tegen de uitspraken op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt op de beroepen beslist (belanghebbende en de inspecteur worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’) :
“De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar in de zaken met zaaknummers HAA 22/3526,
HAA 22/3527, HAA 22/3528, doch enkel voor wat betreft de beslissing omtrent de vergrijpboetes;
- vermindert de vergrijpboetes tot bedragen van € 30.522 (2016), € 51.901 (2017) en € 21.474 (2018); en
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar.”
1.9. Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 26 maart 2024. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.10. Bij uitspraak van 25 februari 2025 is het hoger beroep met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro niet-ontvankelijk verklaard. Het daartegen gedane verzet is bij uitspraak van 25 juli 2025 gegrond verklaard.
1.11. Op 1 april 2025, 4 oktober 2025 en 27 oktober 2025 (kennisgeving domicilie in Nederland) heeft belanghebbende nadere stukken ingediend.
1.12. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2. Feiten
2.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
“1. Eiser was volgens de gegevens van de Kamer van Koophandel (KvK) tot 1 oktober 2017 tezamen met [naam 1] (de jongere broer van eiser) vennoot in de vennootschap onder firma genaamd ‘ [bedrijf 1] ’ (hierna: de VOF). De VOF exploiteerde een taxionderneming. Vanaf 2015 wordt uitsluitend voor [bedrijf 2] gereden en incidenteel zijn er een aantal op factuur of per pin betaalde ritten. Per 1 oktober 2017 is de VOF volgens de gegevens van de KvK ontbonden en heeft eiser de taxionderneming voortgezet in de vorm van zijn eenmanszaak genaamd [bedrijf 3] (hierna: de eenmanszaak).
2. Eiser heeft op 3 oktober 2017 een aangifte IB/PVV 2016 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.441. De aanslag IB/PVV is met dagtekening
10 november 2017 overeenkomstig de aangifte vastgesteld.
3. Eiser heeft op 4 december 2018 een aangifte IB/PVV 2017 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.353. De aanslag IB/PVV is met dagtekening
10 november 2017 overeenkomstig de aangifte vastgesteld.
4. Eiser heeft op 8 augustus 2019 een aangifte IB/PVV 2018 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 67.616.
5. Op 1 oktober 2019 heeft verweerder aangekondigd een boekenonderzoek te starten naar de aanvaardbaarheid van de door de VOF gedane aangiften omzetbelasting over de tijdvakken in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018. Op 20 maart 2020 heeft de controleambtenaar tevens een boekenonderzoek over de jaren 2017 en 2018 aangekondigd betreffende de eenmanszaak. Dit boekenonderzoek had betrekking op de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken in de periode van 1 oktober 2017 tot en met 31 december 2018. Van het boekenonderzoek zijn controlerapporten opgemaakt met dagtekening 9 september 2020, één betreffende de VOF en één betreffende de eenmanszaak.
6. In het controlerapport betreffende de VOF is onder meer het volgende opgenomen:
“1.2 Gegevensuitwisseling
Op 14 maart 2019 heeft het Openbaar Ministerie (…), de Belastingdienst toestemming verleend om kennis te nemen van gegevens uit een strafrechtelijk onderzoek genaamd “ [naam 2] ” voor de heffing en inning van belastingen.
Uit dit dossier heb ik een afschrift ontvangen van een “proces-verbaal van verhoor verdachte” betreffende de heer [X] en kopieën van Excelspreadsheets van de door de Politie [plaats] in het kader van onderzoek “ [naam 2] ” opgevraagde bankgegevens.
(…)
2.3 Boekhouder
(…)
De aangiften omzetbelasting worden door de boekhouder ingediend aan de hand van een door de heer [X] per kwartaal ingediend Excelspreadsheet. De primaire stukken worden niet aan de boekhouder overgelegd.
De boekhouder dient ook de aangiften inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen van de vennoten in.
(…)
3.1.2 Omzet via [bedrijf 2]
De aangegeven omzet bestaat voor het grootste deel uit de via [bedrijf 2] gerealiseerde omzet. Een klein deel bestaat uit omzet van ritten op rekening voor vaste klanten. Die ritten worden per pin betaald of achteraf op de bankrekening gestort. Op het Excelspreadsheet voor de boekhouder staat dan per kwartaal het totaal onder “Pinbet. [bedrijf 4] ” of “ [bedrijf 5] per Bank”. De heer [X] heeft namens [bedrijf 1] aangegeven dat er geen contante ontvangsten zijn.
De controle op de verschuldigde omzetbelasting is beperkt tot de via [bedrijf 2] gerealiseerde omzet. Ik heb zelf bij [bedrijf 2] gegevens betreffende [bedrijf 3] (VOF) opgevraagd. Samen met de van de Politie verkregen gegevens kan de daadwerkelijke (de “Soll” positie) via [bedrijf 2] gerealiseerde omzet per jaar worden vastgesteld.
[bedrijf 2] geeft aan de Belastingdienst per jaar de volgende bedragen door:
Jaar
Oprijsom
[bedrijf 2] Commissie
Ob over [bedrijf 2] Commissie
Overige
Inhoudingen
(incl. Ob)
Overige
inkomsten
Uitbetaald
2016
651.201,03
152.645,00
32.057,70
536,33
-5.214,47
460.747,53
2017
942.280,93
232.008,00
48.729,23
5.933,77
13.586,44
669.196,37
In 2016 wordt uitbetaald op rekeningnummer [# 1] t.n.v.
[X] . In 2017 wordt uitbetaald op rekeningnummer [# 2] t.n.v. [bedrijf 1] .
Over deze twee jaren is volgens de opgaaf aan de Belastingdienst € 1.129.943,90 uitbetaald. Uit de betreffende bankgegevens blijkt dat over deze periode [bedrijf 2] dit bedrag, rekening houdend met de verwerkingstijd tussen factuur en daadwerkelijke betaling op een klein (verschuivings- met andere jaren)verschil van € 386,74 na, daadwerkelijk naar de betreffende rekeningen heeft overgemaakt. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat [bedrijf 2] aan de belastingdienst een correcte oprijsom ( dat is de bruto omzet van de taxiondernemer) heeft doorgegeven.
Aan de hand van de bankontvangsten kan de oprijsom voor het vierde kwartaal 2017 worden bepaald. De gegevens van [bedrijf 2] kunnen als uitgangspunt worden genomen voor de berekening van de verschuldigde belasting.
(…)
[bedrijf 1] heeft “ [bedrijf 2] omzet” aangegeven die sterk afwijkt van de volgens [bedrijf 2] gerealiseerde omzet. De betaalde bedragen die daadwerkelijk op de bankrekeningen van [bedrijf 1] en de heer [X] zijn ontvangen van [bedrijf 2] komen nagenoeg overeen met de opgaaf aan de Belastingdienst van die bedragen.
4 Overige belastingmiddelen
Naast de gevolgen voor de omzetbelasting hebben bovenstaande constateringen ook gevolgen voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De betreffende vennoten zullen hiervan apart op de hoogte worden gebracht.”
7. In het controlerapport betreffende de eenmanszaak is onder meer het volgende opgenomen (het rapport komt verder op veel punten overeen met het controlerapport betreffende de VOF):
“ 3.1.2 Omzet via [bedrijf 2]
(…)
[bedrijf 2] geeft aan de Belastingdienst per jaar de volgende bedragen door:
Jaar
Oprijsom
[bedrijf 2] Commissie
Ob over [bedrijf 2] Commissie
Overige
Inhoudingen
(incl. Ob)
Overige
inkomsten
Uitbetaald
2017
942.280,93
232.008,00
48.729,23
5.933,77
13.586,44
669.196,37
2018
487.085,80
118.529,48
24.897,65
2.115,67
5.540,19
347.083,23
In 2017 wordt uitbetaald op rekeningnummer [# 2] t.n.v.
[bedrijf 1] .
In 2018 wordt uitbetaald op rekeningnummer [# 2] t.n.v.
[bedrijf 1] / [X] en op rekeningnummer [# 3] t.n.v. [X] h/o [bedrijf 3] .
Over deze twee jaren is volgens de opgaaf aan de Belastingdienst in totaal
€ 1.016.279,60 uitbetaald. Uit de betreffende bankgegevens blijkt dat over deze periode [bedrijf 2] dit bedrag, rekening houdend met de verwerkingstijd tussen factuur en daadwerkelijke betaling op een klein (verschuivings- met andere jaren) verschil van € 1063,49 na, daadwerkelijk naar de betreffende rekeningen heeft overgemaakt. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat [bedrijf 2] aan de belastingdienst een correcte oprijsom ( dat is de bruto omzet van de taxiondernemer) heeft doorgegeven.
Aan de hand van de bankontvangsten kan de oprijsom voor het vierde kwartaal 2017 worden bepaald. De gegevens van [bedrijf 2] kunnen als uitgangspunt worden genomen voor de berekening van de verschuldigde belasting.
(…)
4 Inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen
4.1 Formele aspecten
De aangiften inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen van de heer [X] over de jaren 2016, 2017 en 2018 zijn niet gecontroleerd. Naast de gevolgen voor de omzetbelasting hebben de bevindingen uit hoofdstuk 3 van dit rapport en de bevindingen uit het bij [bedrijf 1] ingestelde boekenonderzoek echter wel gevolgen voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
4.2 Fiscale omzetverantwoording
Uit hoofdstuk 3 van dit controlerapport en hoofdstuk 3 van het controlerapport betreffende [bedrijf 1] blijkt, dat de in 2016, 2017 en 2018 via [bedrijf 2] gegenereerde omzet hoger ligt dan de omzet die in de jaarrekeningen is verantwoord. Als gevolg hiervan is de genoten winst uit onderneming hoger dan aangegeven.
(…)
Over de jaren 2016 en 2017 is de aangegeven winst op 50/50 basis verdeeld tussen de vennoten [X] en [naam 1] . Nu er vanaf het vierde kwartaal 2017 sprake is van een eenmanszaak van de heer [X] komt vanaf 1 oktober 2017 sowieso 100% van de niet aangegeven omzet aan de heer [X] toe.
Het is mij echter op dit moment volstrekt onduidelijk of de helft van de gedurende de VOF- periode niet aangegeven omzet ook aan medevennoot de heer [naam 1] ten goede is gekomen. Doordat tot op heden geweigerd is door mij gevraagde informatie te verstrekken, moet ik dit onderzoek en het onderzoek betreffende [bedrijf 1] naar eigen inzicht afhandelen, rekening houdend met de mij tot op dit moment bekende gegevens. Nu de heer [X] heeft aangegeven dat alleen hij de administratie voerde, hij voor [bedrijf 1] onbeperkt bevoegd was en er een groot deel van de betreffende [bedrijf 2] - inkomsten op zijn (privé)rekening is gestort, stel ik mij op het standpunt dat de verzwegen omzet hem voor 100% ten goede is gekomen en zal ik de hiermee samenhangende winstcorrectie geheel bij de winst van de heer [X] corrigeren.
Een en ander resulteert in de volgende correcties:
2016
2017
2018
Aangegeven saldo fiscale winstberekening
39.601
46.443
85.904
Correctie meer omzet
160.22
272.05
110.93
Gecorrigeerd saldo fiscale winstberekening
199.821
318.493
196.834
Voor de berekeningen, zie bijlage 2 bij dit rapport.
4.3 Mkb-winstvrijstelling
De hoogte van de Mkb- winstvrijstelling bedroeg in 2016 € 3.816. Wijziging van de winst heeft tot gevolg dat Mkb- winstvrijstelling ook wijzigt. Na de correctie op de winst in 2016 wordt de Mkb-winstvrijstelling € 26.247.
De hoogte van de Mkb-winstvrijstelling bedroeg in 2017 € 4.616. Wijziging van de winst heeft tot gevolg dat Mkb- winstvrijstelling ook wijzigt. Na de correctie op de winst in 2017 wordt de Mkb-winstvrijstelling € 42.703.
De hoogte van de Mkb- winstvrijstelling bedroeg in 2018 € 11.008. Wijziging van de winst heeft tot gevolg dat Mkb- winstvrijstelling ook wijzigt. Na de correctie op de winst in 2017 wordt de Mkb-winstvrijstelling € 26.538.
De correctie 2016 bedraagt € -/- 22.431.
De correctie 2017 bedraagt € -/- 42.703.
De correctie 2018 bedraagt € - /- 15.530.
4.4 Omkering van de bewijslast
Voor wat betreft de over het controletijdvak ingediende aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen is er gelet op de aard en omvang van de aan te brengen correcties zoals genoemd in hoofdstuk 4 van dit rapport sprake van een zowel verhoudingsgewijs als absoluut omvangrijk bedrag. Hierdoor zijn niet de vereiste aangiften als bedoeld in artikel 25, derde lid, letter a AWR gedaan. Op grond van artikel 25, lid 3 en artikel 27e, lid 1 AWR kan de bewijslast in fiscale procedures (bezwaar en beroep) bij de belastingplichtig komen te liggen.
(…)
5.2 Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen
Jaren
2016
2017
2018
Correctie paragraaf 4.2
160.22
272.05
110.93
Correctie paragraaf 4.3
-/- 22.431
-/- 38.087
-/- 15.530
Totaal correcties
137.789
233.963
95.4
Belastbare winst volgens aangifte
23.441
28.353
67.616
Gecorrigeerde belastbare winst
tevens gecorrigeerd Box 1 inkomen
161.23
262.316
163.016
Over de jaren 2016 en 2017 wordt in verband met bovengenoemde correcties een navorderingsaanslag opgelegd op grond van artikel 16 AWR Pro.
Over het jaar 2018 wordt in verband met bovengenoemde correcties een aanslag opgelegd op grond van artikel 11 AWR Pro.
6 Zorgverzekeringswet
Op grond van artikel 2 Zorgverzekeringswet Pro (hierna: ZVW) is belastingplichtige verzekeringsplichtig voor de ZVW. In artikel 41 ZVW Pro staat dat iedere verzekeringsplichtige een inkomensafhankelijke bijdrage is verschuldigd. De inkomensafhankelijke bijdrage over een jaar wordt geheven over het bijdrage- inkomen van dat jaar. De bevindingen zoals in hoofdstuk 4 van dit rapport hebben gevolgen voor dit inkomen. Als gevolg hiervan kunnen ZVW- (navorderings)aanslagen worden opgelegd.
(…)
8.2 Vergrijpboete inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen
Over de correctie betreffende de in 2016 en 2017 meer genoten inkomsten zoals genoemd in paragraaf 5.2 ben ik van plan om naast de navorderingsaanslagen een vergrijpboete op te leggen. Deze vergrijpboete is gebaseerd op artikel 67e AWR en paragraaf 25 en 27 BBBB. De grondslag van de boete is het belastingbedrag dat als gevolg van grove schuld of (voorwaardelijke)opzet niet, gedeeltelijk niet, of niet tijdig is betaald.
Over de correctie betreffende de in 2018 meer genoten inkomsten zoals genoemd in paragraaf 5.2 ben ik van plan om naast de aanslag een vergrijpboete op te leggen. Deze vergrijpboete is gebaseerd op artikel 67d AWR en paragraaf 25 en 26 BBBB.
De grondslag van de boete is het belastingbedrag dat als gevolg van grove schuld of (voorwaardelijke) opzet niet, gedeeltelijk niet, of niet tijdig is betaald.
Ten aanzien van de niet aangegeven omzet ben ik van mening dat sprake is van verzwegen omzet. Uit de door [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] verstrekte informatie, die voor u ook online bij [bedrijf 2] raadpleegbaar was, blijkt duidelijk dat de daadwerkelijk gerealiseerde omzet aanzienlijk hoger is dan de in de aangiften inkomstenbelasting aangegeven omzet. Dit verschil is dermate groot dat het u niet kan zijn ontgaan.
Door te lage omzetbedragen te vermelden op de Excelspreadsheets die aan de boekhouder zijn verstrekt en hem ook niet op een andere wijze te informeren over alle gerealiseerde omzet, is willens en wetens het risico aanvaard dat door de boekhouder onjuiste aangiften inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen zouden worden ingediend.
Het is aan uw (voorwaardelijke) opzet te wijten dat de aanslagen inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen over 2016 en 2017 op te lage bedragen zijn vastgesteld en dat over het jaar 2018 een onjuiste aangifte is gedaan.
De vergrijpboete bedraagt 50% van de te betalen belasting.”
8. In de bijlagen bij de controlerapporten zijn onder meer door [bedrijf 2] verstrekte overzichten van bankoverboekingen met betrekking tot de in de controlerapporten aangehaalde bankrekeningen en de door [bedrijf 2] aan verweerder verstrekte omzetgegevens opgenomen.
9. Eiser en [naam 1] hebben op 2 oktober 2023 een vaststellingsovereenkomst gesloten. In deze vaststellingsovereenkomst is onder meer verklaard dat [naam 1] per 31 juli 2015 als vennoot tot de VOF is toegetreden, maar dat partijen nog vóórdat [naam 1] enige betrokkenheid heeft gehad bij de VOF, zijn overeengekomen dat [naam 1] met terugwerkende kracht uit de onderneming zou treden en dat eiser de onderneming alleen zou voortzetten. Voorts is verklaard:
“Artikel 1
1.1 De onderneming [bedrijf 3] is sinds 31 juli 2015 feitelijk door [eiser] als eenmanszaak gedreven en [eiser] was derhalve gerechtigd tot 100% van de winst van [bedrijf 3] .
1.2 [[ [naam 1] ] is nooit gerechtigd geweest tot enig winstaandeel uit [bedrijf 3] en heeft conform deze gerechtigdheid ook nooit enige winstuitkering van
[bedrijf 3] ontvangen.
Artikel 2
2.1 Partijen zullen zich gezamenlijk inspannen om vóór 31 december 2023 de nodige stappen te ondernemen om de boekhouding, waaronder in ieder geval de aangiften inkomstenbelasting, voor zover nodig, te corrigeren, c.q. te doen laten corrigeren in overeenstemming met de winstgerechtigdheid van Partijen zoals opgenomen onder Artikel 1 van Pro deze Overeenkomst.
(…)”
2.2. Het Hof gaat ook uit van de hiervoor vermelde feiten.
3. Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of de (navorderings)aanslagen en de vergrijpboeten zoals deze door de rechtbank zijn verminderd, terecht en niet naar te hoge bedragen zijn vastgesteld en opgelegd.
4. Beoordeling van het geschil
Vooraf
4.1.1. Het gegeven dat belanghebbende in het stafrechtelijk onderzoek ‘ [naam 2] ’ als verdachte is aangemerkt – naar eigen zeggen werd hij verdacht van terrorisme en witwassen - maar hij ter zake niet (verder) is vervolgd, staat er niet aan in de weg dat materiaal verzameld in dat onderzoek, na verkregen toestemming van het Openbaar Ministerie, wordt gebruikt als bewijs in de onderhavige zaken.
4.1.2. De belastingrechter dient immers met inachtneming van het in fiscale zaken toepasselijke procesrecht zelfstandig te beoordelen welke feiten als vaststaand kunnen worden aangenomen. Hij is daarbij niet gebonden aan enige beslissing van de strafrechtelijke autoriteiten. Dit met dien verstande dat de uitspraak van de belastingrechter gelet op de bewoordingen daarvan geen twijfel mag oproepen aan de juistheid van de beslissing belanghebbende niet (verder) strafrechtelijk te vervolgen (vgl. HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643, r.o. 2.6.2 en 2.6.6).
4.2. De omstandigheid dat – naar belanghebbende stelt – in een in 2017 uitgevoerd boekenonderzoek zou zijn geconcludeerd dat de administratie wel correct was, brengt niet mee dat het de inspecteur niet vrij zou staan in een later onderzoek op grond van nadien naar voren komende feiten tot een ander oordeel te komen.
Het betoog van belanghebbende inhoudende dat bij hem een bedrag van € 136.500 in beslag is genomen dat ten onrechte is verrekend met belastingaanslagen, mist voor dit geding betekenis omdat dit de juistheid van de onderhavige (navorderings)aanslagen en boeten niet raakt.
Hoogte van de (navorderings)aanslagen
4.3.1. In dit geding staat naar het oordeel van het Hof buiten redelijke twijfel vast dat [bedrijf 2] aan de Belastingdienst een correcte oprijsom (dat is de bruto omzet van de taxiondernemer) heeft doorgegeven en dat deze gehele oprijsom als omzet van belanghebbende moet worden beschouwd. Dit omdat sprake is van daarmee overeenstemmende betalingen op bankrekeningen van belanghebbende en zijn v.o.f., en er naar het oordeel van het Hof volstrekt onvoldoende aanwijzingen zijn voor enig ander scenario waarin de oprijsom niet correct is en/of de omzet gedeeltelijk aan anderen moet worden toegerekend. De gegevens van [bedrijf 2] kunnen alsdan als uitgangspunt worden genomen voor de berekening van de verschuldigde belasting.
4.3.2. Het Hof acht de inspecteur er daarmee in geslaagd overtuigend aan te tonen dat belanghebbende, gelet op het verschil tussen de aangegeven winst en daadwerkelijk (via [bedrijf 2] ) gerealiseerde winst aanzienlijke inkomsten heeft genoten die ten onrechte niet zijn aangegeven, met voor de jaren 2016 en 2017 als gevolg dat die inkomsten ten onrechte niet in aanmerking zijn genomen bij het vaststellen van de primitieve aanslagen. Het voor de Belastingdienst verzwegen inkomen is gelet op het hiervoor bedoelde verschil in 2016, 2017 en 2018 dermate groot dat de volgens de aangiften verschuldigde belasting, zowel verhoudingsgewijs als op zichzelf beschouwd, aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Het kan niet anders of belanghebbende is zich hiervan ten tijde van het doen van de aangiften bewust geweest. Belanghebbende heeft derhalve voor elk van die jaren niet de vereiste aangifte gedaan.
4.3.3. Nu belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan is de bewijsrechtelijke sanctie van de ‘omkering en verzwaring’ van de bewijslast van toepassing (artikel 27e, lid 1, AWR). Derhalve dient als uitgangspunt te worden genomen dat het beroep van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Het is derhalve aan belanghebbende om te doen blijken – dat wil zeggen: op overtuigende wijze aan te tonen – dat de door de inspecteur toegepaste correcties onjuist zijn.
4.3.4. Belanghebbende is met al hetgeen hij heeft aangevoerd er niet in geslaagd overtuigend aan te tonen dat de door de inspecteur toegepaste correcties onjuist zijn. Hij heeft zijn betoog dat er alleen sprake was van leasevoertuigen met taxivergunningen die ter beschikking werden gesteld aan zelfstandig werkende chauffeurs, op geen enkele wijze onderbouwd.
4.3.5. Het Hof is voorts van oordeel dat de inspecteur, door zijn correcties te baseren op gegevens van [bedrijf 2] en de daarmee overeenstemmende betalingen op bankrekeningen van belanghebbende en zijn v.o.f., de (navorderings)aanslagen heeft doen berusten op een redelijke schatting en niet naar willekeur heeft vastgesteld. Het Hof ziet ook geen reden de schatting voor de betreffende jaren te verminderen met, zoals belanghebbende aanvoert, een aftrek ten minste 1/3e van de omzet als kosten voor het beheer van het wagenpark en 1/3e van de omzet als personeelskosten, nu het hier slechts gaat om blote beweringen van belanghebbende.
Vergrijpboeten
4.4.1. Het aangeven van een veel te lage winst in de aangiften is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het verzwijgen van die winst voor de inspecteur dat het niet anders kan dan dat belanghebbende zich er ten tijde van het doen van die aangiften van bewust was dat hij te lage aangiften deed en hij het gevolg dat bij vaststellen van de aanslagen conform de aangiften te weinig belasting zou worden geheven bewust heeft aanvaard. Het staat daarmee naar het oordeel van het Hof buiten redelijke twijfel vast dat belanghebbende opzettelijk onjuiste aangiften heeft gedaan hetgeen voor de jaren 2016 en 2017 het aan hem te wijten gevolg heeft gehad dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven. De inspecteur heeft belanghebbende dan ook terecht vergrijpboeten opgelegd als bedoeld in artikel 67d AWR (jaar 2018) en artikel 67e AWR (2016 en 2017).
4.4.2. Het Hof acht de boeten, zoals deze door de rechtbank ambtshalve zijn verminderd met 15% in verband met de overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak, passend en geboden. Gelet op de datum waarop de redelijke termijn is aangevangen (aankondiging boeten op 9 december 2020 in het controlerapport) en de datum van de onderhavige uitspraak is de redelijke termijn van vier jaar voor bezwaar, beroep en hoger beroep met meer dan één jaar maar met minder dan twee jaar zijn overschreden. Voor een verdere matiging van de boeten in verband met de duur van de behandeling van de zaak ziet het Hof dan ook geen aanleiding. Ook overigens zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die reden geven de boeten verder te matigen.
Slotsom
4.5. Het hoger beroep is ongegrond.
5. Kosten
Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
6. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, M.J. Leijdekker en
J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van
mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 3 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op