Uitspraak
HAA 22/3531 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
HAA 22/3527, HAA 22/3528, doch enkel voor wat betreft de beslissing omtrent de vergrijpboetes;
10 november 2017 overeenkomstig de aangifte vastgesteld.
10 november 2017 overeenkomstig de aangifte vastgesteld.
[bedrijf 2] geeft aan de Belastingdienst per jaar de volgende bedragen door:
Inhoudingen
(incl. Ob)
inkomsten
[X] . In 2017 wordt uitbetaald op rekeningnummer [# 2] t.n.v. [bedrijf 1] .
Aan de hand van de bankontvangsten kan de oprijsom voor het vierde kwartaal 2017 worden bepaald. De gegevens van [bedrijf 2] kunnen als uitgangspunt worden genomen voor de berekening van de verschuldigde belasting.
Inhoudingen
(incl. Ob)
inkomsten
[bedrijf 1] .
In 2018 wordt uitbetaald op rekeningnummer [# 2] t.n.v.
[bedrijf 1] / [X] en op rekeningnummer [# 3] t.n.v. [X] h/o [bedrijf 3] .
€ 1.016.279,60 uitbetaald. Uit de betreffende bankgegevens blijkt dat over deze periode [bedrijf 2] dit bedrag, rekening houdend met de verwerkingstijd tussen factuur en daadwerkelijke betaling op een klein (verschuivings- met andere jaren) verschil van € 1063,49 na, daadwerkelijk naar de betreffende rekeningen heeft overgemaakt. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat [bedrijf 2] aan de belastingdienst een correcte oprijsom ( dat is de bruto omzet van de taxiondernemer) heeft doorgegeven.
(…)
De correctie 2017 bedraagt € -/- 42.703.
De correctie 2018 bedraagt € - /- 15.530.
[bedrijf 3] ontvangen.
J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van
mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 3 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.