Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het (verdere) verloop van het geding in hoger beroep
primair: het ontslag op staande voet te vernietigen en te bepalen dat [geïntimeerde] binnen veertien dagen na de te geven beschikking de arbeidsovereenkomst van [appellant] op alle onderdelen van de arbeidsvoorwaarden met terugwerkende kracht tot 5 december 2025 herstelt als zou dit ontslag niet hebben plaatsgevonden;
meer subsidiair: te beslissen als het hof in goede justitie vermeent te behoren alsmede [geïntimeerde] te gebieden binnen veertien dagen na de te geven beschikking de arbeidsovereenkomst op alle onderdelen te herstellen met terugwerkende kracht tot 5 december 2025 als zou het ontslag niet hebben plaatsgevonden;
2.Feiten
grief 1 in principaal appelbetoogt [appellant] dat de kantonrechter een aantal feiten onjuist en onvolledig heeft weergegeven en verzoekt zij het hof dit te herstellen. Het hof zal, voor zover de grief terecht is voorgesteld en in hoger beroep van belang, de door de kantonrechter vastgestelde feiten voor zover daarover geen geschil bestaat, aanvullen met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan. Samengevat komen de feiten neer op het volgende.
Thursday 5 December at 15:00. (…) If you have any questions please let me know. All the best during this challenging time. (…)”
Thursday 5 December at 15:00.
Thursday 5 December at 15:00at the [plaats] Noma office. Please let me know if you have any additional questions or concerns. Thank you and whishing you well. (…)”
3.De procedure in eerste aanleg
grief 2 in principaal appelbetoogt [appellant] dat de kantonrechter haar verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet ten onrechte heeft afgewezen wegens gebrek aan belang. [appellant] voert aan dat zij wel belang heeft bij een inhoudelijk oordeel. Volgens [appellant] kan en mag het niet zo zijn dat een werkgever onder gebruikmaking van de mogelijkheid van onverwijlde opzegging eenzijdig de dienstbetrekking kan beëindigen. Als dat dan toch is geschied en de werknemer gebruik heeft gemaakt van de wettelijke mogelijkheid vernietiging te vragen, kan het evenmin zo zijn dat de werkgever de arbeidsovereenkomst herstelt door middel van een eenzijdige verklaring tot herroeping/ongedaanmaking en daarmee het recht en belang van de werknemer bij een vernietiging - en dus ook van een bevestiging van de vernietigbaarheid en onrechtmatigheid van de opzegging - ontneemt. Op die manier zouden werkgevers steeds opnieuw (zieke) werknemers onder druk kunnen zetten met een ontslag op staande voet om vervolgens (vrijwel) straffeloos en zonder de aangewezen rechterlijke correctie daar eenzijdig van terug te komen. Door deze handelwijze zou de werkgever de werknemer op verdere kosten kunnen jagen als de werknemer in een aparte procedure moet aantonen dat het ontslag onrechtmatig was en de werkgever misbruik heeft gemaakt van zijn ontslagbevoegdheid. Dat kan en mag niet de bedoeling zijn van het systeem waarin de werknemer gewoon vernietiging moet kunnen vragen, ook als een werkgever daarna eenzijdig het ontslag mocht herroepen/ongedaanmaken maar tegelijkertijd niet alle arbeidsvoorwaarden herstelt en de werknemer ook belang heeft bij een volledige toewijzing van schade, wettelijke verhoging, kosten en rente. Voorts is het belang bij een rechterlijk oordeel over de vernietiging ook erin gelegen dat de rechter zich uitspreekt over de vraag in hoeverre de werkgever de aan hem gegeven opzeggingsbevoegdheid misbruikt in de zin van artikel 3:13 BW Pro. [appellant] meent dat [geïntimeerde] in de gegeven omstandigheden haar opzeggingsbevoegdheid heeft misbruikt en onrechtmatig heeft gehandeld (onder meer wegens strijd met de wet waaronder artikel 7:681 BW Pro en het opzegverbod van artikel 7:670 lid 1 BW Pro), althans dat haar handelen in strijd is met de eisen van goed werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:611 BW Pro. Daarnaast is een inhoudelijke beoordeling van het gegeven ontslag op staande voet ook van belang voor de beoordeling van de ingestelde nevenvorderingen. [appellant] meent dat het hof de vernietiging ook in hoger beroep kan uitspreken vanwege de aard van de civiele appelprocedure die tot doel heeft een in eerste aanleg gewezen onjuiste uitspraak te corrigeren. Artikel 7:683 BW Pro beperkt in zoverre niet de mogelijkheden van het hof om de vernietiging van de opzegging uit te spreken. Dit is slechts anders als de rechter in eerste aanleg het ontslag op staande voet inhoudelijk heeft getoetst en in stand heeft gelaten, in welk geval alleen herstel van de arbeidsovereenkomst kan worden verzocht. In het onderhavige geval heeft de kantonrechter de inhoudelijke toets ten onrechte achterwege gelaten. Daarom dient het hof alsnog te doen wat de kantonrechter had behoren te doen zodat [appellant] een bevestiging verkrijgt dat [geïntimeerde] misbruik heeft gemaakt van haar opzeggingsbevoegdheid en onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] . [appellant] verwijst in dit verband naar hof ‘s-Hertogenbosch 28 januari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:245 waar het hof onder 3.9 overwoog dat artikel 7:683 BW Pro geen limitatieve opsomming geeft van de uitspraken die de rechter in hoger beroep kan doen en dat hij vanwege de herstelfunctie van het hoger beroep alsnog een uitspraak kan doen die in eerste aanleg gegeven had moeten worden. De situatie waarin de kantonrechter een verzoek tot vernietiging van een ontslag op staande voet niet vernietigt zonder die situatie inhoudelijk te hebben getoetst en beoordeeld, is een situatie die de wetgever met artikel 7:683 BW Pro niet heeft voorzien, aldus steeds [appellant] .
grief 3 in principaal appelkomt [appellant] op tegen de beslissing tot afwijzing van haar verzoek het lopende loon te betalen wegens gebrek aan belang. Ter toelichting voert [appellant] aan dat zij er belang bij heeft dat [geïntimeerde] het loon blijft betalen en dat het verzoek daarom alsnog wordt toegewezen. De grief faalt omdat [geïntimeerde] de loonbetaling heeft hervat en de reguliere maandelijkse loonbetaling tot op heden wordt verricht, zoals van een en ander ter zitting in hoger beroep is gebleken. [appellant] heeft tegen deze achtergrond onvoldoende toegelicht welk afzonderlijk belang zij heeft bij haar verzoek.
grief 5 in principaal appelkomt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de wettelijke rente alleen over de toegewezen vorderingen wordt toegekend. Inzet van het hoger beroep is dat alle (geld)vorderingen - zowel in eerste aanleg als in hoger beroep ingesteld - alsnog worden toegewezen, met inbegrip van de daarover gevorderde wettelijke rente, aldus [appellant] .
grief 7 in principaal appelkomt [appellant] op tegen de afwijzing van haar verzoek tot het verstrekken van bruto-netto specificaties en het verzoek tot het opleggen van een dwangsom. [appellant] voert in dit verband aan dat zij weliswaar thans loonstroken kan inzien en downloaden in het daarvoor beschikbare systeem maar dat die loonstroken compleet onnavolgbaar zijn. Zij meent daarom dat zij nog steeds belang heeft bij een veroordeling van [geïntimeerde] tot het verstrekken van (volledig begrijpelijke) specificaties met betrekking tot de aan haar verrichte betalingen, verrekeningen, wettelijke verhogingen, rente, kosten e.d., evenals oplegging van een dwangsom.
grief 8 in principaal appel, ten slotte, betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte niet de werkelijke door haar gemaakte proceskosten heeft toegewezen maar alleen forfaitaire bedragen. [appellant] meent dat de omstandigheid dat [geïntimeerde] met het ontslag op staande voet - in de volle wetenschap dat dit ontslag niet houdbaar zou zijn - en haar weigering nadien om op eerste verzoek van [appellant] het ontslag ongedaan te maken, maken dat [geïntimeerde] alle kosten van rechtsbijstand - met inbegrip van de kosten die [appellant] van 21 december 2024 tot 11 maart 2025 heeft gemaakt - dient te dragen. Door de opstelling van [geïntimeerde] is [appellant] op kosten gejaagd terwijl haar geen enkele schuld treft en [geïntimeerde] heel goed wist, onder meer uit de e-mail van haar partner van 4 november 2024, hoe kwetsbaar zij was. Daarom is volgens [appellant] een veroordeling in de werkelijke proceskosten op zijn plaats.
grief in incidenteel appelkomt [geïntimeerde] op tegen de beslissing van de kantonrechter tot toekenning van de wettelijke verhoging van 10% over het loon van 6 december 2024 tot en met 31 december 2024 en over het gedeelte van het loon van januari 2025 dat na verrekening met de deelbetaling van 28 januari 2025 resteert. [geïntimeerde] verzoekt het hof de bestreden beschikking op dit punt te vernietigen en de wettelijke verhoging alsnog af te wijzen, althans te matigen tot nihil.
€ 2.428,-(tarief II, 2 punten)