In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter bevestigd dat de verdachte zijn levensgezel heeft mishandeld door haar met een vlakke hand tegen het hoofd te slaan terwijl hij een ring droeg, waardoor extra pijn werd veroorzaakt.
De verdediging voerde aan dat er geen opzet was en dat sprake was van noodweer omdat de aangeefster het kind van de verdachte vasthield en aan het kind trok. Het hof verwierp deze verweren omdat uit het dossier bleek dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of onmiddellijk dreigend gevaar voor het kind.
De mishandeling vond plaats in de gezamenlijke woning, een plek waar de aangeefster zich veilig moest voelen, en in bijzijn van hun jonge kind. Het hof achtte een geldboete niet passend gezien het huiselijk geweld en legde een voorwaardelijke taakstraf van 50 uren op met aftrek van voorarrest, te vervangen door 25 dagen hechtenis, en een proeftijd van 2 jaar.
De bewijsoverweging van de politierechter werd vervangen en de bewijsmiddelen zullen worden aangepast indien cassatie wordt ingesteld. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 12 maart 2026.