ECLI:NL:GHAMS:2026:655

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
23-001795-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Penitentiaire beginselenwetArt. 6:2:10 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis en verwerping psychische overmacht bij cocaïnesmokkel

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 10 maart 2026 het hoger beroep behandeld van een verdachte die was veroordeeld voor het uitvoeren van een cocaïnetransport. De verdachte voerde aan dat hij onder psychische overmacht handelde vanwege bedreigingen door schuldeisers, maar dit verweer werd door het hof verworpen omdat onvoldoende aannemelijk was dat sprake was van een van buiten komende drang waaraan hij geen weerstand kon bieden.

De verdediging stelde dat de bedreigende chatberichten, waaronder berichten van bijna tien maanden voor het feit, niet direct verband hielden met het drugstransport en dat de verdachte niet actief betrokken was bij georganiseerde drugssmokkel. Het hof oordeelde dat de context van de bedreigingen onduidelijk was en dat de verdachte zelf ook bedreigingen en beledigingen uitte, wat zijn verweer ondermijnde.

Verder concludeerde het hof dat de verdachte niet overtuigend had aangetoond dat latere bedreigingen bestonden die hem noopten tot het drugstransport. Ook de stelling dat de verdachte de chats enkel gebruikte om schuldafbetaling te vertragen werd niet geloofd, mede vanwege de inhoud van gesprekken waarin de verdachte een informerende rol over 'slikkers' aannam.

Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank Noord-Holland en bepaalde dat de opgelegde gevangenisstraf volledig zal worden uitgevoerd binnen de penitentiaire inrichting, met inachtneming van mogelijke deelname aan penitentiaire programma's of voorwaardelijke invrijheidsstelling. Daarnaast gelastte het hof de teruggave van in beslag genomen Amerikaanse bankbiljetten aan de verdachte.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis en verwerpt het beroep op psychische overmacht; teruggave van in beslag genomen bankbiljetten wordt gelast.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001795-25
datum uitspraak: 10 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 11 juli 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-404290-24 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1983,
thans gedetineerd in [detentieadres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 februari 2026 en in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit dan ook bevestigen met dien verstande dat het de overwegingen met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte vervangt door de navolgende en met dien verstande dat het hof het dictum aanvult ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf en een beslissing neemt over het beslag.
Hetgeen in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd, brengt het hof dus niet tot een andere beslissing dan de rechtbank, in het bijzonder ook niet tot een lagere straf.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens psychische overmacht. De verdachte heeft het cocaïnetransport uitgevoerd omdat hij werd bedreigd. Hij heeft (een deel van) de bedreigende chatberichten aan zijn partner doorgestuurd, maar zijn partner is haar telefoon verloren waardoor zij niet meer over de berichten beschikt. De berichten die door de verdachte zijn gestuurd waren een manier om de schuldafbetaling te vertragen en dienen niet te worden opgevat als het ronselen van bolletjesslikkers. De verdediging betwist uitdrukkelijk dat de verdachte zich al langer in de wereld van georganiseerde drugssmokkel begaf.
Het hof overweegt als volgt.
Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht moet kunnen worden vastgesteld, dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet hoeft te bieden. Daarnaast kan onder omstandigheden het feit dat een verdachte zich zelf heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend, in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht.
Het hof stelt voorop dat hetgeen ter onderbouwing van het verweer is aangevoerd onvoldoende aannemelijk is geworden. De verdachte heeft verklaard dat hij geld had geleend van ‘Colombianen’ en niet in staat was zijn schuld af te betalen. Hij werd daarom door hen onder druk gezet en bedreigd, om welke reden hij het cocaïnetransport heeft uitgevoerd.
Deze verklaring van de verdachte wordt op geen enkele wijze daadwerkelijk ondersteund. De verdediging heeft weliswaar gewezen op berichten van bedreigende aard, maar het hof is van oordeel dat de context van die gesprekken moeilijk is te duiden. In de chatberichten van 29 februari 2024 (bijna 10 maanden vóór het tenlastegelegde feit) tussen de verdachte en het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (‘ [persoon 1] ’) – daaronder begrepen de spraakmemo – lijkt sprake te zijn van bedreigingen in de richting van de verdachte en zijn partner. Gelet op de berichten van de verdachte, die ook bedreigingen en beledigingen in de richting van de ander bevatten, lijkt de verdachte ook niet onder de indruk van de bedreigingen aan het adres van hem en/of zijn partner.
Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat de bedreigingen in de chatberichten van 29 februari 2024 een zodanige van buiten komende drang op de verdachte hebben uitgeoefend waaraan hij redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden, overweegt het hof dat niet is gebleken dat deze bedreigingen verband houden met de uiteindelijke cocaïne invoer op 21 december 2024. Enige relatie tussen de (bedreigende) berichten van 29 februari 2024 en het drugstransport in december 2024 ontbreekt. De inhoud van de eerdere berichten is immers niet van dien aard dat daaruit blijkt dat de verdachte drugs moest smokkelen op een latere datum.
De verdachte heeft ook omstandig verklaard over latere bedreigingen in zijn richting, die zelfs tot op de dag van vandaag zouden voortduren. Maar hij heeft dit niet (afdoende) onderbouwd, het dossier biedt daarvoor geen steun en ook overigens is niet gebleken van bedreigingen. Het hof hecht daarom geen geloof aan de stelling van de verdediging dat hij de drugs heeft ingevoerd omdat hij geen weerstand zou kunnen en hoeven bieden aan bedreigingen. Het hof gelooft daarom ook niet dat – zoals door de verdachte gesuggereerd – er nog chatberichten bewaard zijn (geweest) die kunnen wijzen op dergelijke bedreigingen.
Het hof weegt tot slot mee dat uit gesprekken op 7 november 2024 tussen de verdachte en telefoonnummer [telefoonnummer 2] (‘ [persoon 2] ’) blijkt dat de verdachte spreekt over zogenoemde slikkers, waarbij de verdachte een informatieverstrekkende rol aanneemt. In die gesprekken zegt de verdachte namelijk onder meer:
‘Maximaal 24 uur, langer krijgen ze buikpijn en moeten ze schijten broer. 20 uur houden ze vol zonder problemen. Je telt 20 uur vanaf het eerste moment dat ze beginnen te eten.’. Dat de verdachte dergelijke gesprekken enkel en alleen heeft gevoerd om de schuldafbetaling (verder) te vertragen, acht het hof gelet op de inhoud daarvan onaannemelijk. Bovendien blijkt ook uit deze gesprekken niet van dreiging naar de verdachte.
Het beroep op psychische overmacht wordt dan ook verworpen.
Nu ook geen andere omstandigheden aannemelijk zijn geworden die het beroep op psychische overmacht kunnen doen slagen zodat de strafbaarheid van de verdachte wordt uitgesloten, is de verdachte strafbaar.

Beslag

Onder de verdachte zijn verschillende Amerikaanse bankbiljetten in beslag genomen, waarvan niet is gebleken dat deze aan hem zijn teruggegeven. De verdachte heeft geen afstand gedaan van deze voorwerpen. Het hof zal de teruggave van de bankbiljetten aan de verdachte gelasten.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met in achtneming van hetgeen hierboven is overwogen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1. Stuks Bankbiljet Coupure 20 Dollar, Waarde 2000.00 US Dollar;
2. 1 Stuks Bankbiljet Coupure 10 Dollar, Waarde 10.00 US Dollar;
3. 2 Stuks Bankbiljet Coupure 5 Dollar, Waarde 10.00 US Dollar;
4. 2 Stuks Bankbiljet Coupure 1 Dollar, Waarde 2.00 US Dollar.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. M.J.A. Plaisier en mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens en mr. S. den Hartog, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 maart 2026.