ECLI:NL:GHAMS:2026:654

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
23-000110-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3a OpiumwetLijst I bij de Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende overtuigend bewijs van vervoer en aanwezigheid cocaïne

Op 1 juni 2020 werd verdachte als passagier in een auto staande gehouden waarin 1,98 kilogram cocaïne werd aangetroffen. De bestuurder en bijrijder verklaarden dat verdachte de cocaïne in een oranje tas had geplaatst.

Hoewel deze verklaringen in beginsel voldoende wettig bewijs vormden, vond het hof dat zij onvoldoende werden ondersteund door andere bewijsmiddelen. De getuige had een groot eigen belang bij zijn verklaringen, omdat hij zelf als verdachte werd aangemerkt. Daarnaast werden geen aanvullende onderzoekshandelingen verricht, zoals het afnemen van sporen op de tas, waardoor niet kon worden vastgesteld of verdachte de tas daadwerkelijk had vastgehouden.

Het hof concludeerde dat de betrokkenheid van verdachte niet overtuigend was bewezen en sprak hem vrij. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en de zaak werd opnieuw beoordeeld door het hof, dat tot deze vrijspraak kwam.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende overtuigend bewijs van betrokkenheid bij het vervoer en aanwezig hebben van cocaïne.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000110-24
datum uitspraak: 10 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-146306-20 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1977,
ter terechtzitting opgegeven adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 februari 2026 en in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman en de verdachte naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 1 juni 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 1980 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Vrijspraak

Op 1 juni 2020 wordt [persoon 1] als bestuurder van zijn auto staande gehouden naar aanleiding van een ANPR-melding. In de auto bevinden zich ook [persoon 2] als bijrijder en de verdachte als passagier op de achterbank. Achter de bijrijdersstoel staat een oranje tas met daarin een handdoek en daaronder een plastic tas. In de plastic tas worden twee pakketten (blokken) met in totaal 1,98 kilogram cocaïne aangetroffen.
De drie personen zijn vanaf Amsterdam Bijlmer naar Den Haag gereden. Op de terugweg zijn zij staande gehouden. De verdachte heeft niet verklaard wat het doel van de reis was, noch waarom hij met de twee anderen is meegereden.
Volgens de verklaringen van [persoon 1] – afgelegd bij de politie en bij de rechter-commissaris – hadden [persoon 2] en de verdachte hem gevraagd naar Den Haag te rijden; in Den Haag is op een parkeerplaats een plastic tas met blokken aan [persoon 2] overhandigd, die [persoon 2] aan de verdachte heeft gegeven; de verdachte heeft de plastic tas vervolgens in de oranje tas gestopt; de verdachte had de oranje tas bij zich toen [persoon 1] hem en [persoon 2] ophaalde.
Het dossier bevat, onder meer gelet op deze verklaringen van [persoon 1] , in beginsel voldoende wettig bewijs dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde vervoer en aanwezig hebben van cocaïne.
Het hof vindt echter dat de verklaringen van [persoon 1] – die doorslaggevend zouden moeten zijn voor de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit – onvoldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, om op grond daarvan de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde naast wettig ook overtuigend te bewijzen.
Daarbij wordt meegewogen dat [persoon 1] een groot eigen belang heeft bij zijn afgelegde verklaringen, omdat hijzelf ook als verdachte van overtreding van de Opiumwet is aangemerkt en het vervoer in
zijnauto plaatsvond terwijl
hijde auto bestuurde. Daarenboven is nagelaten om onderzoekshandelingen te verrichten in de vorm van het afnemen van bijvoorbeeld (dactyloscopische) of andere sporen op (de inhoud van) de oranje tas. Als gevolg daarvan kan niet worden vastgesteld of de verdachte (de inhoud van) de oranje tas, zoals [persoon 1] heeft verklaard, ook daadwerkelijk heeft vastgehad.
Nu ook geen andere aanwijzingen bestaan voor de wetenschap van de verdachte van de aangetroffen cocaïne, acht het hof niet overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is tenlastegelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, mr. M.J.A. Plaisier en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 maart 2026.