Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:65

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
23-000445-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitieArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep: bewezenverklaring en veroordeling voor bezit van vuurwapens categorie III

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam vernietigd en de verdachte veroordeeld voor het bezit van twee vuurwapens van categorie III en munitie. Het hof acht bewezen dat de verdachte op 20 juli 2021 een geladen revolver in een barbecue op het balkon van de woning van zijn moeder had en dat hij in de periode van 1 maart 2020 tot 20 juli 2021 een pistool in een videoclip van een drillrapgroep in Amsterdam voorhanden had.

Het bewijs bestond uit onder meer DNA-onderzoek dat het DNA van de verdachte op de revolver aantoonde, waarnemingen ter terechtzitting, en herkenning van de verdachte in de videoclip. De verdediging voerde aan dat het wapen op het balkon voor anderen toegankelijk was en dat DNA-sporen niet bewijzen dat de verdachte het wapen heeft aangeraakt, maar het hof verwierp deze bezwaren.

De rechtbank had de verdachte vrijgesproken van deze feiten, maar het hof oordeelde anders en legde een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, rekening houdend met de ernst van de feiten, recidive en overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast werden de wapens en munitie onttrokken aan het verkeer en de sok verbeurd verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, voor bezit van vuurwapens categorie III.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000445-22
datum uitspraak: 14 januari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-194105-21 en de afzonderlijke beslissing van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2022 op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in de zaak met parketnummer 13-137619-19 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1997,
adres: [adres 1] ,
feitelijk verblijvende te: [adres 2] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 augustus 2023, 10 december 2024, 18 december 2025 en 14 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft beperkt hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis en voormelde beslissing. Het hoger beroep heeft enkel betrekking op de vrijspraak van de feiten 1 en 2.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is, voor zover in hoger beroep aan de orde, aan de verdachte tenlastegelegd dat:
feit 1
hij op of omstreeks 20 juli 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (doorgeladen) revolver, van het merk BBM/Bruni, type Olympic 38, kaliber .22 long rifle, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool,
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 3 patronen, althans een of meerdere stuk(s) munitie, type loden projectiel van het kaliber .22 long rifle
voorhanden heeft gehad;
feit 2
hij in of omstreeks de periode gelegen van 1 maart 2020 tot en met 20 juli 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Glock, type 19, kaliber 9x19mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Bewijsoverwegingen

Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, te weten telkens het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III van de Wet wapens en munitie.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft zij in de kern het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de plaats waar het wapen is aangetroffen, geen bewijs oplevert dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van het wapen en dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Het wapen is aangetroffen in een barbecue op het balkon van de woning van de moeder van de verdachte en de rechtbank heeft terecht overwogen:
“Dit betreft een plek die ook voor anderen, meer in het bijzonder familie, toegankelijk is.”
Wat betreft de resultaten van de verschillende DNA-onderzoeken, heeft de raadsvrouw primair verzocht om die deskundigenrapporten niet voor het bewijs te gebruiken, omdat de resultaten van de DNA-onderzoeken tegenstrijdig en nog altijd onvolledig zijn. Subsidiair heeft de raadsvrouw benadrukt dat ook indien er een DNA-spoor van mogelijk de verdachte op het wapen is aangetroffen, dit niet bewijst dat hij het wapen ooit heeft aangeraakt. Er moet onderscheid worden gemaakt tussen bronniveau en activiteitenniveau.
“Het risico op contaminatie is enorm, juist gelet op het feit dat het wapen is aangetroffen op het balkon behorend bij de woning waar cliënt ook kwam. Zijn DNA is in die woning op tal van plekken aanwezig, bijvoorbeeld op deurklinken, op de bank, op kleding en mogelijk ook op de sokken die om het wapen zaten”, volgens de raadsvrouw.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat bewijs ontbreekt dat (i) de persoon die in de videoclip met een wapen is te zien, de verdachte is, en (ii) het gaat om een
echtvuurwapen van categorie III van de Wet wapens en munitie. Naar de mening van de raadsvrouw is de door de verbalisanten gedane herkenning van de verdachte onvoldoende concreet en specifiek. Voorts sluiten de processen-verbaal van herkenning vuurwapengelijkend voorwerp nog altijd niet uit dat het gaat om een nepwapen of een onklaar gemaakt wapen.
Bovendien heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de videoclip bestaat uit diverse shots met verschillende personen en dat het de vraag is of het wapen dat in de genoemde processen-verbaal van herkenning is beschreven, het wapen is dat, volgens de verbalisanten, de verdachte in die clip in handen heeft.
Oordeel hof
Het hof komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en overweegt daartoe als volgt.
Feit 1
Op 20 juli 2021 omstreeks 06.00 uur is de verdachte aangehouden in de woning [adres 3] . De verdachte bevond zich in de slaapkamer links achterin de woning. [1] Aansluitend is die slaapkamer doorzocht. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal houdt – voor zover hier van belang – het volgende in: [2]
“Wij zagen dat er zich direct naast het bed van verdachte [verdachte] een raam bevond. Wij zagen dat dit raam geopend stond. Wij zagen dat het raam zich op een hoogte van een kleine meter bevond. Dit raam grensde aan het balkon van de woning. Tevens zagen wij dat er (…) direct naast het raamkozijn, op het balkon, een (…) tafel stond. Op deze tafel stond een zwartkleurige barbecue.
Ik, verbalisant, (…) haalde de deksel van de barbecue af. (…) Wij zagen dat er zich in de barbecue een metalen rooster en daaronder een metalen bak bevond. Ik, verbalisant, haalde het rooster en de bak uit de barbecue. Wij zagen dat er zich onderin de barbecue een voorwerp in twee zwartkleurige sokken bevond.”
Bij dit proces-verbaal is een aantal foto’s gevoegd. Het hof heeft op die foto’s – die ter terechtzitting van 18 december 2025 zijn voorgehouden – waargenomen dat de barbecue met daarin het voorwerp, in de slaapkamer, via het geopende raam, binnen handbereik is. [3]
Het voorwerp in de sokken was een revolver. De revolver was geladen. In de cilinder bevonden zich drie patronen. Eén van de patronen bevond zich voor de loop. Volgens de materiedeskundige vuurwapens van de politie was de revolver – die hij kwalificeert als een vuurwapen van categorie III van de Wet wapens en munitie – voor onmiddellijk gebruik gereed. [4]
De woning [adres 3] is de woning van de moeder van de verdachte. [5] De verdachte heeft verklaard dat hij die nacht in die woning had geslapen, in de kamer van zijn kleine broertje, die die nacht bij zijn moeder in bed sliep, maar dat hij niet vaker op dit adres verbleef. Het hof hecht geen geloof aan het laatste deel van deze verklaring en wel op grond van het volgende.
In het onderzoek Spritsbergen – dat zich richtte op oplichtingen via de website [website 1] en ter zake waarvan de verdachte in eerste aanleg is veroordeeld (de feiten 3 tot en met 7) – is onderzoek gedaan naar de Bunq bankrekening van de verdachte. [6] Deze rekening is geopend op 23 april 2021 en gesloten op 14 mei 2021. Volgens de door Bunq verstrekte gegevens is daarbij gebruik gemaakt van onder andere een IP-adres beginnend met [nummer] . Dit IP-adres is gekoppeld aan de woning [adres 3] . Van de 1701 geregistreerde loggings is 1275 keer gebruik gemaakt van dit IP-adres. Dit IP-adres komt elke dag terug in de loggings en lijkt voornamelijk in de ochtend, avond en nacht actief te zijn. De verdachte, ter terechtzitting geconfronteerd met deze bevindingen, heeft op vragen van het hof hierover geen antwoord willen geven.
Het hof gaat ervan uit dat de verdachte regelmatig verbleef in de woning [adres 3] en dat hij, volgens zijn eigen verklaring, in de nacht van 19 op 20 juli 2021 in de slaapkamer waarin hij is aangehouden, heeft geslapen. Zoals eerder overwogen was op 20 juli 2021 in deze kamer, via het geopende raam, de barbecue met daarin de geladen revolver binnen handbereik.
DNA-bewijs
Anders dan de raadsvrouw heeft verzocht, ziet het hof geen reden om de DNA-deskundigenrapporten niet voor het bewijs te gebruiken. Het hof heeft namelijk geen enkele reden om aan de deskundigheid van de verschillende rapporteurs te twijfelen, en van de door ieder van hen afzonderlijk verrichte onderzoeken en op basis daarvan gedane uitspraken, is in die rapporten inzichtelijk verslag gedaan, mede gelet op het verhoor van de deskundige Nagel van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) ter terechtzitting van het hof.
De revolver is op twee plekken met een wattenstaafje bemonsterd, namelijk “scherpe en ruwe delen” ( [monster 1] ) en “in en voorzijde loop” ( [monster 2] ). [7] Deze bemonsteringen (epitheel) zijn door DNA-deskundigen onderzocht. Het meest uitgebreide onderzoek, is het onderzoek van Nagel voornoemd geweest. Bij zijn onderzoek zijn namelijk naast het DNA-profiel van de verdachte ook de DNA-profielen van de volgende broers van de verdachte betrokken:
  • [persoon 1] , de tweelingbroer van de verdachte;
  • [persoon 2] , geboren op [geboortedag 2] 2001;
  • [persoon 3] , geboren op [geboortedag 3] 2002.
Het hof baseert zich op de inhoud van het rapport van Nagel, gedateerd 11 juni 2025. Dit rapport houdt – voor zover hier van belang – het volgende in: [8]
“In onderstaande tabel staan de resultaten van het (vergelijkend) DNA-onderzoek. In deze tabel zijn ook de resultaten van de berekende bewijskracht vermeld. (…)
Wordt een persoon die bij het vergelijkend DNA-onderzoek is betrokken niet vermeld, dan is er geen aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van DNA van deze persoon in die bemonstering.
(…)
[monster 1] #01 (scherpe en ruwe delen revolver)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van [verdachte] berekend. (…) DNA-mengprofiel [monster 1] #01 is
meer dan 1 miljardkeer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [verdachte] en drie willekeurige onbekende personen, dan wanneer het DNA afkomstig is van vier willekeurige personen.
(…)
[monster 2] #01 (in en voorzijde loop revolver)
Op basis van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek kunnen [verdachte] en [persoon 2] DNA hebben bijgedragen aan deze bemonstering. Op basis van deze bevindingen kunnen twee vragen worden gesteld.
Vraag 1; kunnen [verdachte] en [persoon 2] individueel DNA hebben bijgedragen aan deze bemonstering.
Vraag 2; kunnen deze personen ook gezamenlijk DNA hebben bijgedragen aan de bemonstering.
Om deze twee vragen te kunnen beantwoorden zijn er vier hypothesen opgesteld en is berekend welke van deze hypothesen het DNA-mengprofiel het beste verklaart. (…)
Uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek en de uitgevoerde berekeningen volgt ten aanzien van vraag 1 dat:
 DNA-mengprofiel [monster 2] #01
meer dan 1 miljardkeer waarschijnlijker is wanneer
[verdachte]wel DNA aan de bemonstering heeft bijgedragen, dan wanneer hij geen DNA aan de bemonstering heeft bijgedragen;
 DNA-mengprofiel [monster 2] #01
ten minste 3 miljoenkeer waarschijnlijke is wanneer
[persoon 2]wel DNA aan de bemonstering heeft bijgedragen, dan wanneer hij geen DNA aan de bemonstering heeft bijgedragen.
Tevens blijkt ten aanzien van vraag 2 dat DNA-mengprofiel [monster 2] #01 het beste wordt verklaard wanneer [verdachte] en [persoon 2] gezamenlijk DNA aan de bemonstering hebben bijgedragen:
 DNA-mengprofiel [monster 2] #01 is
ten minste 10 miljoenkeer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer één van de andere drie hypothesen waar is.”
Ter terechtzitting van het hof heeft de deskundige Nagel verklaard dat dit laatste zo moet worden begrepen dat het DNA-mengprofiel [monster 2] #01 ten minste 10 miljoen keer waarschijnlijker is wanneer [verdachte] én [persoon 2] (naast twee onbekende personen) DNA aan de bemonstering hebben bijgedragen, dan wanneer – voor zover hier van belang – [verdachte] (met een bewijskracht van meer dan 1 miljard) óf [persoon 2] (met een bewijskracht van ten minste 3 miljoen) (naast drie onbekende personen) DNA aan de bemonstering heeft bijgedragen. [9]
Het hof concludeert op basis van het DNA-onderzoek dat zowel op de “scherpe en ruwe delen” van de revolver als op de “in en voorzijde loop” van de revolver DNA-materiaal van de verdachte is aangetroffen. Dit DNA-bewijs draagt bij aan de redengevendheid voor het bewijs van de eerder vermelde feiten en omstandigheden.
De raadsvrouw heeft benadrukt dat onderscheid moet worden gemaakt tussen bronniveau en activiteitenniveau en gesteld dat het risico op contaminatie (het hof begrijpt: secundaire overdracht van DNA-materiaal) enorm is. Het hof heeft zich hiervan rekenschap gegeven, met name nu het hof aanneemt dat op de “in en voorzijde loop” van de revolver ook DNA-materiaal van [persoon 2] is aangetroffen. Het hof kent in het kader van de bewijswaardering echter bijzondere betekenis toe aan de plaats waar het geladen wapen is aangetroffen, namelijk in een barbecue op een tafel op het balkon, direct naast het geopende raam van de slaapkamer waarin de verdachte die nacht sliep. De verdachte had het wapen dus binnen handbereik. Gesteld noch gebleken is dat [persoon 2] op of omstreeks 20 juli 2021 in de woning was. Voorts staan naast [persoon 2] en de moeder van de verdachte alleen één jonger broertje (geboren in 2011) en twee jongere zusjes (geboren in 2008 respectievelijk 2016) op het adres ingeschreven. [10] De mogelijke suggestie van de verdediging verder, dat het op het adres een komen en gaan was van familie en vrienden, die ook allen vrijelijk toegang hadden tot het balkon, vindt geen steun in het dossier.
Conclusie
Gelet op al het bovenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de revolver in de barbecue, waarover hij – naar uit het voorgaande volgt – kon beschikken. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte deze revolver, met daarin de drie patronen, voorhanden heeft gehad in de zin van artikel 26 lid 1 van Pro de Wet wapens en munitie.
Feit 2
Op 22 juli 2021 – twee dagen na de aanhouding van de verdachte – is via het [website 2] account van de [groep] ( [groep] ), genaamd [groep] , de videoclip
“ [videoclip] ”(hierna: [videoclip] ) gepost. [11] [groep] is een zogenoemde drillrapgroep uit Amsterdam West. [persoon 1] , zoals hiervoor al is vermeld: de tweelingbroer van de verdachte, profileert zich als de leider van [groep] . Zijn artiestennaam is [naam] . [12] De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard, dat hij af en toe bij het maken van video’s van [groep] aanwezig was, dat hij dan te zien was in clips en dat hij meedeed omdat zijn broer rapte. [13]
In de videoclip [videoclip] is een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te zien. Dit betreft een ander voorwerp dan het vuurwapen dat bij de doorzoeking van de [adres 3] , na de aanhouding van de verdachte, is aangetroffen. [14] Het hof gaat er op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting van uit dat het in de videoclip telkens om eenzelfde voorwerp gaat. Daarbij kent het hof in het bijzonder betekenis toe aan het feit dat de materiedeskundige vuurwapens van de politie, die het voorwerp – aan de hand van de videoclip en verschillende door hem daarvan gemaakte stills – heeft beschreven, kennelijk (ook) uitgaat van eenzelfde voorwerp. Gelet op de inhoud van het door deze deskundige opgemaakte (aanvullend) proces-verbaal van herkenning vuurwapengelijkend voorwerp acht het hof bewezen dat het een echt vuurwapen betreft, namelijk een pistool van het merk Glock, type 19, kaliber 9x19mm. [15] Het betoog van de raadsvrouw leidt niet tot een ander oordeel.
Verder acht het hof bewezen dat de verdachte dit vuurwapen in de videoclip voorhanden heeft gehad. Het hof baseert zich daarbij op de inhoud van de volgende processen-verbaal:
  • proces-verbaal van bevindingen “ [verdachte] met vuurwapen clip [videoclip] ” d.d. 28 juli 2021;
  • proces-verbaal van bevindingen “Uitwerking videoclip “ [videoclip] ”” d.d. 11 januari 2022,
alsmede de waarneming van de rechtbank ter terechtzitting in eerste aanleg van 26 januari 2022, inhoudende dat op de rechter onderarm van de verdachte een tatoeage van drie sterren staat die overeenkomt met de tatoeage van drie sterren op de onderarm van de persoon die in de clip het wapen vasthoudt. Naar aanleiding van het betoog van de raadsvrouw overweegt het hof in dit verband dat in voormelde processen-verbaal door de opstellers daarvan inzichtelijk is gerelateerd hoe zij, afzonderlijk van elkaar, tot hun herkenning van de verdachte zijn gekomen, en dat in het fragment waarin het gezicht van de betreffende persoon niet geblurd is, het gezicht van die persoon zeer duidelijk te zien is. Deze persoon – de corpulente persoon met een zwarte jas en/of (daaronder) een wit t-shirt en een (geblurde) tatoeage van drie sterren op de rechter onderarm – is de verdachte. In de videoclip is onder andere te zien dat hij, buiten, de patroonhouder uit het vuurwapen haalt en, binnen, met het wapen zwaait en dit doorlaadt. Het kan dan ook niet anders zijn dan dat de verdachte, naast feitelijke macht over het wapen, ook wetenschap had van de echtheid van het wapen.
In de videoclip wordt onder andere gerapt:
“(…) een ding wordt heter door al die corona”. [16] Het hof acht, gelet hierop en nu de verdachte op 20 juli 2021 is aangehouden, bewezen dat de videoclip in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 (de uitbraak van het coronavirus [17] ) tot en met 20 juli 2021 is gemaakt. Daarnaast acht het hof, op grond van in hoger beroep verricht nader politieonderzoek, [18] bewezen dat de videoclip in Amsterdam is gemaakt.
Conclusie
Ook feit 2 is wettig en overtuigend bewezen. Hetgeen de raadsvrouw overigens heeft aangevoerd, brengt het hof niet tot een ander oordeel.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1
hij op 20 juli 2021 te Amsterdam
,
- een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (geladen) revolver, van het merk BBM/Bruni, type Olympic 38, kaliber .22 long rifle, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 3 patronen, type loden projectiel van het kaliber .22 long rifle
voorhanden heeft gehad;
feit 2
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 20 juli 2021 te Amsterdam een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Glock, type 19, kaliber 9x19mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte van het onder 1 en 2 tenlastegelegde vrijgesproken. De rechtbank heeft de verdachte wegens de overigens aan hem ten laste gelegde feiten – de feiten 3 tot en met 7, die in hoger beroep niet aan de orde zijn – veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en bijzondere voorwaarden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof – overeenkomstig (analoge toepassing van) artikel 423 lid 4 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) – de straf voor de feiten 3 tot en met 7 zal vaststellen op de straf die door de rechtbank is opgelegd.
De raadsvrouw heeft het hof verzocht om in geval van strafoplegging geen gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel de duur van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, te boven gaat. Hiertoe heeft de raadsvrouw gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en het grote tijdsverloop: de feiten dateren van 2020 en 2021.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 423 lid 4 Sv Pro?
Ingevolge het vierde lid van artikel 423 Sv Pro wordt, indien bij samenloop van meerdere feiten één hoofdstraf is uitgesproken en het hoger beroep slechts ingesteld is ten aanzien van een of meer van die feiten, in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, bij het arrest de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.
De situatie als bedoeld in deze bepaling doet zich in deze zaak niet voor. Immers, de verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van de feiten 1 en 2. Anders dan de advocaat-generaal is het hof voorts van oordeel dat artikel 423 lid 4 Sv Pro niet analoog dient te worden toegepast.
Nu het openbaar ministerie beperkt hoger beroep heeft ingesteld tegen enkel de vrijspraak van de feiten 1 en 2, en de verdachte zelf geen hoger beroep heeft ingesteld, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de veroordeling van de verdachte ter zake van de feiten 3 tot en met 7, tot een gevangenisstraf zoals hiervoor is weergegeven, na het verstrijken van de beroepstermijn van veertien dagen onherroepelijk is geworden. Het hof zal toepassing geven aan het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Gevangenisstraf voor de feiten 1 en 2?
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een met munitie geladen revolver op zijn verblijfsadres en aan het voorhanden hebben van een pistool in onder andere de openbare ruimte, te weten op straat in Amsterdam, tijdens het opnemen van een videoclip van een drillrapgroep. Hiermee is een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen ontstaan. De ervaring leert dat het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie kan leiden tot het gebruik daarvan. Ook veroorzaakt dit gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Het hof rekent het de verdachte bovendien aan dat hij in de videoclip het pistool meermalen heeft getoond, op een manier waarop het bezit en het gebruik van vuurwapens wordt genormaliseerd, waardoor anderen mogelijk worden aangezet tot het aanschaffen, bezit of gebruik van vuurwapens.
Het hof heeft acht geslagen op straffen die in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III onder 1 in een woning en in de openbare ruimte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van respectievelijk 4 en 8 maanden als uitgangspunt genoemd.
Daarbij komt dat uit het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 25 november 2025, blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens het voorhanden hebben van een vuurwapen, te weten op 24 september 2019 (onherroepelijk op 4 december 2019) en 23 december 2020 (onherroepelijk op 7 januari 2021). Bovendien liep de verdachte ten tijde van in elk geval het onder 1 bewezenverklaarde in een proeftijd van een voorwaardelijke invrijheidstelling. De verdachte heeft er dus blijk van gegeven zich in die tijd weinig van regels en rechterlijke uitspraken aan te trekken, en keer op keer een wapen bij zich te hebben. Dit neemt het hof in strafverzwarende zin mee bij het bepalen van de strafmaat.
Gelet op de ernst van de feiten en de recidive van de verdachte komt dan ook slechts een gevangenisstraf als passende straf in aanmerking.
Het hof ziet onder ogen dat sinds het begaan van de feiten inmiddels geruime tijd is verstreken. Voorts heeft het hof acht geslagen op hetgeen omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren is gebracht. Het hof ziet hierin reden voor enige strafvermindering. Echter niet kan worden volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.
Redelijke termijn
Het hof houdt rekening met de omstandigheid dat in hoger beroep de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), is overschreden. Op 22 februari 2022 is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld, welk beroep op 24 februari 2022 aan de verdachte in persoon is aangezegd, en het hof doet thans uitspraak op 14 januari 2026, waarmee de redelijke termijn van 2 jaren met 1 jaar en 10 maanden is overschreden.
Slotsom
Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, passend is. Het hof zal de op te leggen gevangenisstraf, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, echter matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Beslag

Verbeurdverklaring
Het onder 1 bewezenverklaarde is begaan met behulp van de in beslag genomen en niet teruggegeven zwarte sok. Nu deze sok aan de verdachte toebehoort, althans is voldaan aan de voorwaarden van artikel 33a lid 2 Sr, zal deze daarom worden verbeurd verklaard.
Onttrekking aan het verkeer
Het onder 1 bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot het/de in beslag genomen vuurwapen/munitie. Het ongecontroleerde bezit van deze voorwerpen is in strijd met de wet en het algemeen belang. Zij zullen daarom worden onttrokken aan het verkeer.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

De officier van justitie heeft op 28 juli 2021 een vordering ingediend tot herroeping van de aan de verdachte verleende voorwaardelijke invrijheidstelling (VI).
De grondslag van de vordering is gelegen in het overtreden van de algemene voorwaarde, waarbij de officier van justitie heeft verwezen naar de strafbare feiten ingeschreven onder parketnummer 13-194105-21.
Ter terechtzitting van 1 augustus 2023 heeft het hof geoordeeld dat de vordering tot herroeping van de VI in hoger beroep aan de orde is voor zover deze vordering ziet op de feiten 1 en 2.
Het hof zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in deze vordering, nu de vordering – gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van de toepasselijkheid van artikel 423 lid 4 Sv Pro is overwogen – reeds onherroepelijk is toegewezen ter zake van de feiten 3 tot en met 7.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen wat de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1. STK Sok (omschrijving: G6081016, revolver zat hierin verpakt, zwart).
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
3 STK Munitie (omschrijving: G6081014, patronen uit revolver, Cci.22 LR);
1. STK Wapen (omschrijving: G6081013, BBM Olympic 38).
Verklaart het openbaar ministerie
niet-ontvankelijkin de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
Heft ophet -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S. Jongeling, mr. C.J. van der Wilt en mr. A.W.T. Klappe,
in tegenwoordigheid van mr. R. Ras, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 januari 2026.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van aanhouding d.d. 20 juli 2021 (A 0002-0003)
2.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2021 (K 0001-0002)
3.Eigen waarneming hof ter terechtzitting van 18 december 2025 (K 0003-0004)
4.Proces-verbaal van wapenonderzoek d.d. 20 juli 2021 (K 0005-0008)
5.Proces-verbaal van aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 16 juli 2021 (BOB-dossier, p. 18-21)
6.Proces-verbaal van bevindingen Bunq bank [verdachte] d.d. 10 juni 2021 en proces-verbaal van bevindingen onderzoek IP-adressen naar aanleiding van dit proces-verbaal d.d. 16 juni 2021 (proces-verbaal van voorgeleiding, p. 97-99 en p. 138-140)
7.Aanvraag extern forensisch onderzoek met als datum aanvraag 12 augustus 2021 (los opgenomen)
8.NFI-rapport d.d. 11 juni 2025 (los opgenomen)
9.Verklaring deskundige Nagel ter terechtzitting hof van 18 december 2025
10.Proces-verbaal van aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 16 juli 2021 (BOB-dossier, p. 18-21)
11.Proces-verbaal van bevindingen “ [verdachte] maakt onderdeel uit van [groep] ” d.d. 11 januari 2022, p. 4 (doorgenummerde pagina 21)
12.Proces-verbaal van bevindingen “ [verdachte] met vuurwapen clip [videoclip] ” d.d. 28 juli 2021, p. 1-2
13.Verklaring verdachte ter terechtzitting hof van 1 augustus 2023
14.Proces-verbaal van bevindingen “ [verdachte] met vuurwapen clip [videoclip] ” d.d. 28 juli 2021, p. 2
15.Aanvullend proces-verbaal van herkenning vuurwapengelijkend voorwerp d.d. 18 november 2022 (los opgenomen)
16.Proces-verbaal van bevindingen “Uitwerking videoclip “ [videoclip] ”” d.d. 11 januari 2022, p. 9 (doorgenummerde pagina 17)
17.Vgl. schriftelijk requisitoir officier van justitie ter terechtzitting rechtbank van 26 januari 2022, p. 4
18.Proces-verbaal van bevindingen “Nader onderzoek locatie videoclip ‘ [videoclip] ’” d.d. 5 oktober 2023 (los opgenomen)