In hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis vernietigd en de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde. De zaak betrof de vraag of de vervoerder op Schiphol de nodige maatregelen had genomen om te voorkomen dat een vreemdeling zonder geldig visum Nederland binnenkwam.
De tenlastelegging hield in dat de vervoerder nalatig zou zijn geweest in het controleren van reisdocumenten, met name of de vreemdeling beschikte over een geldig visum volgens artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en de Schengengrenscode. Het hof heeft het toetsingskader gevormd aan de hand van de Vreemdelingencirculaire 2000 en een arrest van de Hoge Raad uit 2017, waarin is bepaald dat de zorgplicht een inspanningsverplichting inhoudt en nalatigheid vereist is voor veroordeling.
Het hof oordeelde dat niet eenvoudig was vast te stellen of de Ierse verblijfsvergunning de vreemdeling ontsloeg van de visumplicht, mede vanwege de complexiteit van de verschillende soorten verblijfsvergunningen. Hierdoor kon niet worden bewezen dat de verdachte de zorgplicht had geschonden. De verdachte werd daarom vrijgesproken van het tenlastegelegde.
Het vonnis van de kantonrechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht door de verdachte vrij te spreken. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 12 maart 2026.