Uitspraak
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2],
[geïntimeerde 3],
Gerechtshof Amsterdam
Stichting Juridisch Centrum diende een klacht in tegen gerechtsdeurwaarders wegens vermeende onrechtmatige executie van twee dwangbevelen, waaronder voortzetting van executie ondanks verzet, gelijktijdig beslag op twee bankrekeningen en misbruik van de Basisregistratie Personen (BRP) bij het versturen van herinneringen.
De feiten betroffen twee dwangbevelen uitgevaardigd in augustus 2022 en februari 2023, met daaropvolgende betekening en bankbeslagen die geen doel troffen. Klaagster stelde verzet in tegen beide dwangbevelen, waarvan één gedeeltelijk gegrond werd verklaard. De gerechtsdeurwaarders stuurden herinneringen en aankondigingen van beslaglegging, ook aan het privéadres van de bestuurder.
Het hof oordeelde dat de executie voortgezet mocht worden omdat het verzet pas na betekening was ingesteld en dat de bankbeslagen geoorloofd waren omdat klaagster bij beide banken rekeningen aanhield. Het versturen van herinneringen aan het privéadres was toegestaan en er was geen misbruik van de BRP. Ook de aankondiging van beslag door een medewerker was niet tuchtrechtelijk laakbaar. De klacht werd in al haar onderdelen ongegrond verklaard en de eerdere beslissing bevestigd.
Uitkomst: De klacht tegen de gerechtsdeurwaarders is in alle onderdelen ongegrond verklaard en de eerdere beslissing bevestigd.