ECLI:NL:GHAMS:2026:634

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
200.334.340/01OK
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beslissing RC
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:350 lid 4 BWArt. 2:351 lid 1 BWArt. 5.4 LeidraadArt. 5.7 LeidraadArt. 6.7 onderzoeksprotocol
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking raadsheer-commissaris over reikwijdte en verwerking informatie in enquêteonderzoek MVDE Europe B.V.

In deze beschikking van 9 maart 2026 behandelt de raadsheer-commissaris verzoeken van aandeelhouder B en de onderzoeker in een enquêteprocedure bij MVDE Europe B.V. De Ondernemingskamer had eerder een onderzoek gelast naar het beleid en de gang van zaken van MVDE vanaf 1 januari 2019 tot de mondelinge behandeling op 7 maart 2024. De raadsheer-commissaris verduidelijkt dat de onderzoeker zich aan deze termijn moet houden, met enkele nuanceringen voor ontwikkelingen die licht kunnen werpen op het onderzoek.

Aandeelhouder B verzocht onder meer om geselecteerde correspondentie buiten het onderzoek te houden en niet integraal aan aandeelhouder A te verstrekken. De raadsheer-commissaris oordeelt dat de onderzoeker zelf moet beoordelen welke correspondentie relevant is en hoe deze wordt verwerkt, met inachtneming van evenredigheid en subsidiariteit. Een afgeleid verschoningsrecht wordt afgewezen, maar vertrouwelijke communicatie met advocaten of notarissen kan worden beschermd.

De onderzoeker vroeg toestemming voor het gebruik van informatie van privé e-mailadressen en WhatsApp-gesprekken van aandeelhouder B en voormalige werknemers. De raadsheer-commissaris bevestigt dat deze gegevensdragers tot de rechtspersoon kunnen behoren, mits binnen de AVG-grenzen. Tevens wordt aandeelhouder B verplicht mee te werken aan het verstrekken van gevraagde informatie, met toelichting indien informatie ontbreekt.

Verzoeken over het onderzoeksbudget en kostenvergoedingen worden doorverwezen naar de Ondernemingskamer. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en bevat een afwijzing van overige verzoeken.

Uitkomst: De raadsheer-commissaris wijst verzoeken af, geeft aanwijzingen over de reikwijdte van het onderzoek en verplicht aandeelhouder B tot medewerking aan informatieverstrekking.

Uitspraak

beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.334.340/01 OK
beschikking van de raadsheer-commissaris van 9 maart 2026
inzake

1.[aandeelhouder A] ,

wonende te [plaats] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MVD EUROPE B.V.,
gevestigd te Badhoevedorp,
VERZOEKERS,
advocaat:
mr. J.A.M. van de Sande, kantoorhoudende te Rotterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MVD EUROPE B.V.,
gevestigd te Badhoevedorp,
VERWEERSTER,
advocaten:
mrs. C. Dullaart en J.G. van der Steenhoven, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
[aandeelhouder B],
wonende te [plaats] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaten:
mrs. C. Dullaart en J.G. van der Steenhoven, beiden kantoorhoudende te Amsterdam.
Hierna zullen partijen en overige betrokkenen als volgt worden aangeduid:
  • verzoeker sub 1 als [aandeelhouder A] ;
  • verweerster als MVDE;
  • belanghebbende als [aandeelhouder B] ;
  • de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder, beheerder van aandelen en onderzoeker als de OK-bestuurder, de OK-beheerder, respectievelijk de onderzoeker.

1.Het verloop van het geding

1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar de beschikkingen in deze zaak van
- 17 juni 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1643);
- 21 juni 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1720);
- 18 september 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:2650);
- 12 december 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:3426);
- 12 februari 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:403); en
- 3 september 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:2325).
1.2
Bij beschikking van 17 juni 2024 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van MVDE over de periode vanaf 1 januari 2019 en een nader aan te wijzen persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten. Daarnaast heeft zij bij die beschikking, bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van de procedure:
a. [aandeelhouder B] geschorst als bestuurder van MVDE en - voor zover nodig in afwijking van de statuten - een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd tot bestuurder (met beslissende stem) van MVDE en bepaald dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is MVDE te vertegenwoordigen en dat zonder deze bestuurder MVDE niet vertegenwoordigd kan worden; en
b. de aandelen van [aandeelhouder B] in MVDE - met uitzondering van één aandeel - ten titel van beheer overgedragen aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon.
1.3
Bij beschikking van 21 juni 2024 heeft de Ondernemingskamer M.G.A. Diepman en mr. M. van Luyn aangewezen als OK-bestuurder respectievelijk OK-beheerder.
1.4
Bij de beschikking van 18 september 2024 heeft de Ondernemingskamer mr. R. el Johari te Amsterdam als onderzoeker aangewezen. De aanvang van het onderzoek is in eerste instantie aangehouden in verband met de ontwikkelingen in deze zaak.
1.5
Bij beschikking van 12 december 2024 heeft de Ondernemingskamer de door [aandeelhouder A] gehouden aandelen in MVDE – met uitzondering van een aandeel – in beheer overgedragen aan de OK-beheerder. Het verzoek van [aandeelhouder B] om [aandeelhouder A] te schorsen als bestuurder van MVDE heeft de Ondernemingskamer afgewezen. Het (door de OK-bestuurder gesteunde) verzoek van [aandeelhouder B] om het onderzoek uit te breiden tot bepaalde handelingen van [aandeelhouder A] als bestuurder van MVDE, heeft de Ondernemingskamer afgewezen. In die beschikking heeft de Ondernemingskamer onder meer geoordeeld dat het te billijken zou zijn indien de algemene vergadering van MVDE zou besluiten tot ontbinding. De Ondernemingskamer heeft het verzoek van [aandeelhouder A] tot ontheffing van de OK-bestuurder van haar taak afgewezen.
1.6
MVDE is op 23 december 2024 ontbonden met benoeming van de OK-beheerder als vereffenaar. De aan MVDE verbonden onderneming is met ingang van 1 februari 2025 gestaakt. Trigitec B.V., een aan [aandeelhouder B] verbonden vennootschap (hierna: Trigitec), heeft de voorraad en inventaris van MVDE overgenomen. Per 1 februari 2025 is Trigitec distributeur van Nanjing Magewell Electronics Co Ltd. (hierna: Magewell) in de EU.
1.7
Bij beschikking van 12 februari 2025 heeft de Ondernemingskamer het onderzoeksbudget vastgesteld op € 50.000 (exclusief btw).
1.8
Bij beschikking van 3 september 2025 heeft de Ondernemingskamer het bedrag het onderzoeksbudget verhoogd tot € 75.000 (exclusief btw).
1.9
[aandeelhouder B] heeft op 26 november 2025 een verzoekschrift met 26 producties ingediend. Daarin heeft hij de raadsheer-commissaris verzocht:
primair
1. de onderzoeker de aanwijzing te geven dat zij zich strikt dient te houden aan de reikwijdte van het dictum uit de eerste beschikking, meer specifiek dat de zij haar onderzoek niet uitbreidt tot enige gebeurtenis van na de zittingsdatum, anders dan voor de beantwoording van de onderzoeksvraag welke bedragen [aandeelhouder B] ( [persoonlijke holding van aandeelhouder B] ) aan MVDE heeft terugbetaald;
2. de onderzoeker de aanwijzing te geven dat zij de in het verzoekschrift bedoelde correspondentie (hierna: de
geselecteerde correspondentie) buiten het onderzoek laat;
3. het budget van het onderzoek met terugwerkende kracht te verlagen met het bedrag dat gelijk staat aan de door de onderzoeker bestede tijd aan het onderzoeken van gebeurtenissen ná de zittingsdatum, vermenigvuldigd met het toepasselijke uurtarief, dit op basis van een door de onderzoeker aan te leveren urenoverzicht met specificatie;
4. de onderzoeker te veroordelen in de kosten van dit geding.
subsidiair:
5. de onderzoeker de aanwijzing te geven dat zij de geselecteerde correspondentie niet integraal als bijlage aan het onderzoeksrapport hecht, althans ervoor zorg te dragen dat deze correspondentie niet als integrale bijlage voor [aandeelhouder A] inzichtelijk is en aan [aandeelhouder A] verstrekt wordt;
6. de onderzoeker de aanwijzing te geven dat zij ook onderzoek doet naar de correspondentie tussen [aandeelhouder A] en Magewell over voortzetting van de
businessmet Magewell buiten MVDE in dezelfde onderzoeksperiode waarin dit ten aanzien van [aandeelhouder B] is onderzocht;
7. de onderzoeker de aanwijzing te geven dat zij het onderzoek op professionele, zorgvuldige en evenwichtige wijze uitvoert, in die zin dat zij de door partijen en betrokkenen gestuurde informatie met een open vizier beziet en deze derden respectvol en professioneel bejegent, ter voorkoming van onevenwichtigheid en tunnelvisie; en
8. de onderzoeker te veroordelen in de kosten van het geding.
meer subsidiair:
9. het businessplan, het concept businessplan en correspondentie daarover met Magewell niet integraal als bijlage aan het (concept-)onderzoeksrapport te hechten, althans ervoor zorg te dragen dat deze niet als integrale bijlagen voor [aandeelhouder A] inzichtelijk zijn en aan hem ter inzage verstrekt worden; en
10. De onderzoeker te veroordelen in de kosten van dit geding.
1.1
De raadsheer-commissaris heeft vervolgens partijen, de onderzoeker en OK-bestuurder op de voet van art. 2:350 lid 4 BW Pro in de gelegenheid gesteld hun zienswijze te geven.
1.11
De OK-bestuurder heeft op 7 januari 2026 haar zienswijze gegeven. Alle gevraagde verzoeken moeten volgens haar worden afgewezen.
1.12
Op 8 januari 2026 heeft de onderzoeker haar zienswijze gegeven. Daarbij heeft ze 15 producties overgelegd. In haar zienswijze heeft de onderzoeker op haar beurt gevraagd de volgende aanwijzingen te geven:
1. De onderzoeker verzoekt de onderzoeksperiode en het gebruik van informatie te verduidelijken. Daarbij gaat het in het bijzonder om de vraag of zij documentatie mag gebruiken die dateert van na 7 maart 2024.
2. De onderzoeker vraagt (alsnog) toestemming voor:
a. het gebruik van informatie die [aandeelhouder B] en voormalige werknemers onder zich hadden op WhatsApp en persoonlijke e-mailadressen, althans andere e-mailadressen dan hun mvde.eu accounts die door Limits-Consulting zijn veiliggesteld;
b. het gebruik van en het citeren uit de inhoud van de WhatsApp gesprekken en veiliggestelde data uit de privé e-mailadressen van [aandeelhouder B] en twee andere betrokkenen;
c. het gebruik van relevante e-mails en bijlagen voor het onderzoeksverslag en het aanhechten daarvan, een en ander met inachtneming van de nuanceringen die in de zienswijze zijn vermeld.
3. De onderzoeker verzoekt om een aanwijzing te geven aan [aandeelhouder B] en aan hem gelieerde (rechts)personen (hierna: [aandeelhouder B] c.s.) om mee te werken aan de afgifte van in de zienswijze onder 5.1.5 bedoelde stukken.
De onderzoeker vraagt verder het verzoek tot verlaging van het onderzoeksbudget af te wijzen. In plaats daarvan verzoekt zij om vergoeding van (i) de door haar gemaakte kosten om op het verzoekschrift te reageren en (ii) de kosten van het advies dat zij heeft moeten inwinnen met betrekking tot de AVG. Ook verzoekt zij een nadere verhoging van het onderzoeksbudget.
1.13
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op – uitsluitend – de (zelfstandige) verzoeken van de onderzoeker en de door de onderzoeker overgelegde producties.
1.14
Op 26 en 27 februari 2026 hebben de OK-bestuurder, respectievelijk [aandeelhouder B] hun zienswijze gegeven. De raadsheer-commissaris heeft geconstateerd dat [aandeelhouder B] zich in zijn zienswijze niet heeft beperkt tot hetgeen waartoe hij in de gelegenheid was gesteld, maar ook de eigen verzoeken nog eens nader heeft toegelicht. In zoverre heeft de raadsheer-commissaris geen acht geslagen op de zienswijze van [aandeelhouder B] .

2.Beoordeling

2.1
De verzoeken van zowel [aandeelhouder B] als van de onderzoeker hebben betrekking op het onderzoeksbudget en, wat de onderzoeker betreft, de vergoeding van kosten die zij heeft gemaakt. In zoverre gaan de verzoeken de bevoegdheid van de raadsheer-commissaris te buiten. De raadsheer-commissaris zal deze verzoeken verwijzen naar de Ondernemingskamer.
Reikwijdte van het onderzoek
2.2
Partijen wensen meer duidelijkheid over de omvang van het onderzoek. Daarover is het een en ander te vinden in de Leidraad voor onderzoekers in enquêteprocedures van 9 juli 2019 (hierna: de Leidraad).
2.3
De reikwijdte van het onderzoek, en daarmee de onderzoeksopdracht aan de onderzoeker, wordt bepaald door het dictum van de beschikking waarin het onderzoek is gelast, gelezen in samenhang met de overwegingen waarop die beslissing berust (art. 2.1 Leidraad). Daarbij staat het de onderzoeker niet vrij om feiten en omstandigheden die geen verband houden met de in de eerstefasebeschikking genoemde redenen voor het gelasten van een onderzoek, tot zelfstandig voorwerp van onderzoek te maken (art. 2.4 Leidraad).
2.4
In dit geval is in de beschikking van 17 juni 2024 een onderzoek gelast naar het beleid en de gang van zaken van MVDE over de periode vanaf 1 januari 2019. Volgens art. 2.2 Leidraad loopt het tijdvak waarop het onderzoek betrekking heeft in beginsel tot de datum van de mondelinge behandeling van het enquêteverzoek. In de beschikking van 17 juni 2024 is daarvan niet afgeweken zodat de datum van de mondelinge behandeling, in dit geval 7 maart 2024, moet worden aangehouden als einddatum.
2.5
Bij dat uitgangspunt passen drie nuanceringen. Ten eerste: indien zich met betrekking tot de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het gelasten van het onderzoek ontwikkelingen voordoen in de periode na de mondelinge behandeling van het enquêteverzoek, kan de onderzoeker daaraan aandacht besteden voor zover deze licht kunnen werpen op het voorwerp en de periode van onderzoek zoals die zijn bepaald in de eerstefasebeschikking of daarmee anderszins voldoende samenhang vertonen (art. 2.2 Leidraad).
2.6
De tweede nuancering staat in art. 2.3 Leidraad:
‘Gelet op de aard van de beslissing tot het gelasten van een onderzoek en op de belangen die zijn gediend bij het verkrijgen van een juist en evenwichtig beeld van het gevoerde beleid als resultaat van het onderzoek, ligt het in het algemeen niet in de rede om de reikwijdte van het onderzoek beperkt op te vatten. Het staat de onderzoeker derhalve vrij om in zijn onderzoek ook feiten en omstandigheden te betrekken die niet aan de beslissing tot het gelasten van het onderzoek ten grondslag liggen indien die feiten en omstandigheden licht kunnen werpen op de in de eerstefasebeschikking gegrond bevonden redenen voor twijfel aan een juist beleid of een juiste gang van zaken of daarmee anderszins voldoende samenhang vertonen. Aan de onderzoeker komt daarbij
een ruime marge van waardering toe, reeds omdat de relevantie van vragen en onduidelijkheden waarop de onderzoeker stuit veelal pas na (enig) onderzoek kan worden bepaald.’
Dit kan meebrengen dat de onderzoeker feiten en omstandigheden van later datum in haar onderzoek betrekt. In dat geval dient de onderzoeker wel acht te slaan op de (mogelijk veranderde) context waaronder die feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. In het geval van MVDE zou in dat geval bijvoorbeeld relevant kunnen zijn dat MVDE inmiddels is ontbonden, dat haar onderneming is gestaakt, dat de activa van de onderneming onder de regie van de OK-bestuurder zijn overgedragen aan [aandeelhouder B] c.s. en dat aan die overdracht ook gesprekken vooraf zullen zijn gegaan.
2.7
De derde nuancering houdt ermee verband dat het onderzoeksverslag inzicht verschaft in de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd (art. 7.2 Leidraad). Indien een of meer betrokkenen trachten mogelijk relevante gegevensdragers aan het oog van de onderzoeker te onttrekken, kan dit een relevant gegeven zijn bij het geven van inzicht in de uitvoering van het onderzoek. Dat geldt ook, indien dit zich heeft afgespeeld na de einddatum van de onderzoeksperiode. Bovendien kan de omstandigheid dat gegevensdragers aan het oog zijn onttrokken (bijvoorbeeld doordat bestanden, correspondentie, WhatsApp-gesprekken of e-mails zijn verwijderd of fysieke informatie is vernietigd) leiden tot de conclusie dat voldoende samenhang bestaat met het onderzoek dat de Ondernemingskamer heeft gelast. Dit betekent dat de onderzoeker concrete aanwijzingen dat informatie aan haar oog wordt onttrokken, in haar onderzoek mag betrekken en dat zij vervolgens in het onderzoeksverslag inzicht geeft in de wijze waarop dat het onderzoek heeft beïnvloed en welke gevolgen daaraan zijn verbonden. Daarbij komt haar een ruime marge van waardering toe.
2.8
Het voorgaande betekent dat de raadsheer-commissaris niet de onder 1.91 bedoelde aanwijzing zal geven. De raadsheer-commissaris zal de onderzoeker de aanwijzing geven het onderzoek te verrichten in overeenstemming met de overwegingen 2.2-2.7. Daarmee behoeft het verzoek van de onderzoeker onder 1 geen verdere behandeling.
Geselecteerde correspondentie
2.9
[aandeelhouder B] verzet zich ertegen dat de in het verzoekschrift bedoelde geselecteerde correspondentie in het onderzoek wordt betrokken. Deze vallen volgens hem buiten de materiële en temporele reikwijdte van het onderzoek. Onder 1.92 verzoekt hij aan de onderzoeker de aanwijzing te geven de geselecteerde correspondentie buiten het onderzoek te houden. De subsidiair gevraagde aanwijzing 1.95 strekt ertoe de onderzoeker te instrueren de geselecteerde correspondentie niet integraal als bijlage aan het onderzoeksrapport te hechten, althans ervoor zorg te dragen dat deze correspondentie niet als bijlage voor [aandeelhouder A] inzichtelijk is en aan [aandeelhouder A] verstrekt wordt. De meer subsidiair gevraagde aanwijzing 1.99 heeft eenzelfde strekking, zij het dat deze betrekking heeft op het (concept) businessplan en correspondentie daarover met Magewell.
2.1
De raadsheer-commissaris stelt voorop dat de onderzoeker – en dus niet de raadsheer-commissaris naast de onderzoeker – verantwoordelijk blijft voor de opzet en uitvoering van het onderzoek (
Kamerstukken II2010/11, 32 887, nr. 3, p. 38). De raadsheer-commissaris kan niet beoordelen of de geselecteerde correspondentie relevant is zonder kennisname van (i) de geselecteerde correspondentie en (ii) het onderzoek in de stand waarin het zich nu bevindt. Het is aan de onderzoeker om binnen de reikwijdte van het onderzoek te beoordelen of (een deel van) de geselecteerde correspondentie relevant is voor het onderzoek. Indien de onderzoeker oordeelt dat (een deel van) de geselecteerde correspondentie wel relevant is, dan is het aan haar om te bepalen op welke wijze zij deze verwerkt. Daarbij dient de onderzoeker acht te slaan op de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit. Dat wil zeggen dat zij zich dient beperken tot die onderdelen die zij noodzakelijk acht ter beantwoording van de onderzoeksvraag. Dit kan meebrengen dat uitsluitend de relevante delen worden geciteerd in het onderzoeksverslag, of dat de geselecteerde correspondentie weliswaar als bijlage aan het onderzoeksverslag worden gehecht, maar dat de niet-relevant geachte delen daarin worden zwartgelakt.
2.11
Voor zover [aandeelhouder B] zich met een beroep op een afgeleid verschoningsrecht ertegen verzet dat de geselecteerde correspondentie in het onderzoek wordt betrokken, faalt dit. Aan MVDE of [aandeelhouder B] komt geen afgeleid verschoningsrecht toe (vgl. ECLI:NL:HR:2020:600,
SNS, rov. 3.2.5-3.2.6). Niettemin kan MVDE er een gerechtvaardigd belang bij hebben dat die delen van de geselecteerde correspondentie niet in het onderzoek wordt betrokken, voor zover het gaat om informatie die MVDE of [aandeelhouder B] met haar (zijn) advocaat of notaris in diens hoedanigheid heeft uitgewisseld, en waarvan de raadpleging of verstrekking niet kan geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat, gelet op de vertrouwenssfeer tussen de MVDE ( [aandeelhouder B] ) enerzijds en haar (zijn) advocaat of notaris anderzijds, verborgen dient te blijven (vgl. ECLI:NL:HR:2020:600,
SNS, rov. 3.3.1-3.3.2). Daarbij gaat het dus uitsluitend om informatie die MVDE ( [aandeelhouder B] ) onder zich heeft en die met haar (zijn) advocaat of notaris is uitgewisseld. WhatsApp-gesprekken die MVDE ( [aandeelhouder B] ) met een of meer andere personen dan een advocaat of notaris
overhet advies van een advocaat of notaris vallen hier niet onder.
2.12
De raadsheer-commissaris zal daarom niet de gevraagde aanwijzingen, bedoeld onder 1.92, 5 en 9 geven, nu het aan de onderzoeker is om het verslag naar eigen inzicht in te richten. Voor zover het verzoek ertoe strekt dat (concept-)onderzoeksrapport zoals dat door de onderzoeker met inachtneming van het voorgaande is op- en samengesteld, niet integraal aan [aandeelhouder A] ter beschikking wordt gesteld, verdraagt zich dit bovendien niet met het beginsel van hoor en wederhoor.
Informatie
2.13
De onderzoeker vraagt in 1.122 alsnog toestemming voor het gebruik van informatie van [aandeelhouder B] en voormalige werknemers, onder meer verkregen uit privé e-mailadressen en WhatsApp-gesprekken.
2.14
Ook op dit verzoek kan de raadsheer-commissaris slechts in algemene zin antwoorden. De onderzoeker dient te blijven binnen de grenzen van het onderzoek (zie 2.2-2.7). Daarbij is zij gerechtigd tot raadpleging van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de rechtspersoon (art. 2:351 lid 1 BW Pro). Deze gegevensdragers omvatten alle documenten waarover de rechtspersoon beschikt (vgl. art. 5.4 Leidraad). Ook overigens moeten gegevensdragers van de rechtspersoon ruim worden begrepen. Op voorhand kan niet worden geoordeeld dat een privételefoon of op een privé e-mailadres niet valt onder gegevensdragers waarover de rechtspersoon beschikt. Het antwoord op de vraag of privé-apparaten moeten worden gerekend tot gegevensdragers van de rechtspersoon hangt af van de wijze waarop informatie binnen de rechtspersoon werd uitgewisseld.
2.15
Dat laat onverlet dat de onderzoeker bij haar onderzoek de grenzen van de AVG niet mag overschrijden. De raadsheer-commissaris verwijst in dit verband naar art. 5.7 Leidraad. De onderzoeker heeft hierop acht geslagen, onder meer door art. 5.7 Leidraad voor de doeleinden van het onderzoek uit te werken in art. 6 onderzoeksprotocol Pro. Zij heeft het onderzoeksprotocol op voorhand toegezonden aan de personen met wie zij heeft gesproken.
De raadsheer-commissaris acht in dit geval verder van belang dat de onderzoeker aan betrokkenen heeft gemaild:
‘Onderdeel van het onderzoek is ook dat ik zakelijke gegevens op privé-telefoons en privé-e-mail accounts wil kunnen doorzoeken. Aan jouw ex-werkgever, MVDE en destijds de heer [aandeelhouder B] , is aangegeven dat ik reden heb aan te nemen dat er zakelijk verkeer is geweest op de privé-mobiele telefoons en e-mail-accounts. De opties daarvoor waren (i) een integrale kopie door de forensisch IT-expert of (ii) dat ik zelf op steekwoorden doorzoek. De tweede optie is minder belastend, en heeft voor mij de voorkeur. Als ik aanleiding zie voor een forensische kopie dan kan daar later nog voor geopteerd worden. Voor inzage met betrekking tot zakelijke correspondentie geldt hetzelfde als niet willen meewerken aan een interview. Als je medewerking weigert, dan zal ik ook op dit punt aan de Ondernemingskamer om toestemming vragen. Het kan zijn dat de Ondernemingskamer mijn verzoek toewijst, maar ook kan het gebeuren dat het verzoek wordt afgewezen.’
Betrokkenen hebben vervolgens ingestemd met inzage en afgifte van data die zij via privé telefoons en privé e-mailadressen lieten verlopen. Onder die omstandigheden stond het de onderzoeker vrij informatie van die gegevensdragers te verwerken mits beperkt tot hetgeen toereikend, ter zake dienend en noodzakelijk is met het oog op het onderzoek. Overige informatie dient de onderzoeker, in zoverre in afwijking van art. 6.7 onderzoeksprotocol, te verwijderen binnen twee weken na deponering van het onderzoeksverslag ter griffie van de Ondernemingskamer. De raadsheer-commissaris zal de onderzoeker daartoe een aanwijzing geven.
Aanwijzing tot afgifte aanvullende informatie
2.16
De onderzoeker vraagt nog een aanwijzing dat [aandeelhouder B] c.s. dienen mee te werken aan de afgifte van in de zienswijze onder 5.1.5 bedoelde stukken.
2.17
De verplichting om mee te werken aan het onderzoek rust op de bestuurders, alsmede op degenen die in dienst zijn van MVDE en op hen die bestuurders MVDE waren, of bij deze in dienst waren, gedurende het tijdvak waarover het onderzoek zich uitstrekt. Voor zover het verzoek betrekking heeft op andere (rechts)personen, kan de aanwijzing niet worden gegeven. [aandeelhouder B] zelf is verplicht desgevraagd alle inlichtingen te verschaffen die nodig zijn voor de uitvoering van het onderzoek. Daarbij dient [aandeelhouder B] de vrijheid van de onderzoeker te respecteren om het onderzoek naar eigen inzicht in te richten; het is niet aan [aandeelhouder B] om te bepalen of een bepaald document wel of niet relevant is. Indien hij van mening is dat de onderzoeker in een concreet geval de grenzen van het onderzoek te buiten gaat, kan hij zich wenden tot de raadsheer-commissaris.
De onderzoeker heeft genoegzaam toegelicht waarom zij de door haar gevraagde documenten nodig heeft. De raadsheer-commissaris zal [aandeelhouder B] de aanwijzing geven alle gevraagde informatie te geven; voor zover hij daaraan niet kan voldoen omdat de informatie niet bestaat of omdat hij daarover niet beschikt, zal hij dit moeten toelichten aan de onderzoeker. Als de informatie al eerder is verstrekt, kan hij in beginsel ermee volstaan toe te lichten wanneer en op welke wijze die informatie is verstrekt.
2.18
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De verzoeken daarover zullen worden afgewezen.

3.De beslissing

De raadsheer-commissaris:
in het verzoek van [aandeelhouder B]
a. verwijst het primaire verzoek van [aandeelhouder B] onder 1.93 naar de Ondernemingskamer ter verdere beslissing;
b. geeft de onderzoeker de aanwijzing het onderzoek te verrichten binnen de grenzen vermeld onder 2.2-2.7;
in het verzoek van de onderzoeker
c. verwijst het verzoek van de onderzoeker met betrekking tot het onderzoeksbudget en de vergoeding van kosten naar de Ondernemingskamer ter verdere beslissing;
d. geeft de onderzoeker toestemming de onder 5.1.4 van de zienswijze van de onderzoeker bedoelde informatie te gebruiken en persoonsgegevens te verwerken mits beperkt tot hetgeen toereikend, ter zake dienend en noodzakelijk is met het oog op het onderzoek;
e. geeft de onderzoeker de aanwijzing om het deel van de informatie, bedoeld onder 5.1.4 van de zienswijze dat niet wordt verwerkt in het onderzoeksverslag te verwijderen binnen twee weken na deponering van het onderzoeksverslag ter griffie van de Ondernemingskamer;
f. geeft [aandeelhouder B] de aanwijzing alle onder 5.1.5 van de zienswijze van de onderzoeker bedoelde gevraagde informatie te verstrekken, met dien verstande dat
(i) indien [aandeelhouder B] niet over bepaalde informatie beschikt, hij dit zal moeten toelichten aan de onderzoeker;
(ii) informatie die al eerder is verstrekt niet opnieuw behoeft te worden verstrekt; in dat geval mag [aandeelhouder B] ermee volstaan toe te lichten wanneer en op welke wijze die informatie is verstrekt;
in beide verzoeken
g. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
h. wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. de Jongh, raadsheer-commissaris, in tegenwoordigheid van mr. N.E.M. Keereweer, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. de Jongh op 9 maart 2026.