ECLI:NL:GHAMS:2026:540

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
23-002093-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:97 BWArt. 6:106 BWArt. 36f SrArt. 279 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering schadevergoeding na bewezenverklaarde mensenhandel gedeeltelijk toegewezen

De zaak betreft een hoger beroep na vernietiging door de Hoge Raad van een arrest over mensenhandel en de daarbij behorende schadevergoedingsvordering van de benadeelde partij. De rechtbank had de veroordeelde veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf en een contactverbod, en de vordering van de benadeelde gedeeltelijk toegewezen. Het hof had eerder de straf verminderd en de vordering eveneens gedeeltelijk toegewezen, maar de Hoge Raad vernietigde dit en verwees de zaak terug.

In het huidige arrest beoordeelt het hof de schadevergoeding opnieuw. De benadeelde partij vordert € 635.150,00, waarvan materiële en immateriële schade. Het hof stelt vast dat de benadeelde tussen 2009 en 2015 onder dwang prostitutiewerkzaamheden verrichtte en inkomsten aan de veroordeelde moest afstaan. Op basis van schattingsbevoegdheid wordt de materiële schade begroot op € 278.680,00 na aftrek van kosten, en de immateriële schade op € 25.000,00 wegens PTSS en de ernst van de normschending.

De wettelijke rente wordt vastgesteld op 15 februari 2012, het midden van de bewezenverklaarde periode. De vordering wordt toegewezen tot een totaal van € 303.680,00, vermeerderd met rente. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard en kan dat deel alleen bij de burgerlijke rechter vorderen. Het hof legt een schadevergoedingsmaatregel op en bepaalt een maximale gijzelingstermijn van 360 dagen voor het geval van niet-betaling.

Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wordt gedeeltelijk toegewezen tot € 303.680,00 met wettelijke rente vanaf 15 februari 2012, en een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002093-24
datum uitspraak: 3 maart 2026
TEGENSPRAAK (279 Sv)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 10 september 2024 – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 oktober 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-728123-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
adres: [adres] .
Opmerking vooraf: het hof gebruikt in dit arrest voor [verdachte] voornoemd, in plaats van “verdachte” “veroordeelde”, omdat hij bij inmiddels – in zoverre – onherroepelijk arrest van 25 april 2022 is veroordeeld voor mensenhandel.

Procesgang

De rechtbank Amsterdam heeft de veroordeelde – voor het onder feiten 1 en 2 tenlastegelegde – veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaren en een contactverbod ten aanzien van de slachtoffers. Tevens heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen.
De veroordeelde heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 25 april 2022 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de veroordeelde voor het onder feit 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden en een contactverbod ten aanzien van het slachtoffer. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen.
De veroordeelde heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 10 september 2024 het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, maar uitsluitend wat betreft:
  • i) de duur van de opgelegde gevangenisstraf,
  • ii) de oplegging van de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van drie jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij] , en
  • iii) de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De Hoge Raad heeft de opgelegde gevangenisstraf verminderd tot veertig maanden en heeft de zaak teruggewezen naar het gerechtshof Amsterdam opdat de zaak ten aanzien van de hiervoor onder (iii) genoemde beslissingen opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 januari 2026 en 3 maart 2026.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 635.150,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 326.000,00, bestaande uit € 301.000,00 aan materiële schade en
€ 25.000,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor zowel de materiële als de immateriële schade bepaald op 1 maart 2009. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat van de benadeelde partij heeft de vordering van de benadeelde partij toegelicht ter zitting in hoger beroep op 20 januari 2026. Zij heeft verzocht de vordering tot immateriële schade volledig toe te wijzen, waarbij zij – kort gezegd – heeft aangevoerd dat deze zaak nog buiten de categorie ‘meest ernstig’ valt als genoemd in de zogenoemde Rotterdamse Schaal onder hoofdstuk 16 “Mensenhandel”. Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van materiële schade heeft zij primair bepleit deze volledig toe te wijzen en de aanvangsdatum van de wettelijke rente te bepalen op 1 maart 2009. Subsidiair en voor zover de in mindering te brengen kosten worden berekend ten nadele van de benadeelde partij, heeft zij verzocht dezelfde rekenmethode in het voordeel van de laatste toe te passen op de door de benadeelde gederfde inkomsten in 2013 en 2014, en voorts de aanvangsdatum van de wettelijke rente te bepalen op het midden van de bewezenverklaarde periode, zijnde 15 februari 2012.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding gedeeltelijk moet worden toegewezen: de materiële schade tot een bedrag van € 278.680,00 en de immateriële schade tot een bedrag van € 25.000,00. Dit totaalbedrag van € 303.680,00 is in lijn met de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad over de in aftrek te brengen kosten. Daarbij dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd en de ingangsdatum van de wettelijke rente te worden bepaald op 1 maart 2009.
De raadsman heeft bepleit dat het hof de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad volgt en de in aftrek te brengen kosten vaststelt op € 82.320,00. De totale materiële schade komt hiermee op (€ 360.000,00 + € 1.000,00 - € 82.320,00 =) € 278.680,00. De immateriële schade kan volgens de verdediging worden toegewezen tot een bedrag van € 25.000,00. De ingangsdatum van de wettelijke rente over het totaalbedrag van € 303.680,00 moet worden bepaald op halverwege de bewezenverklaarde periode.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting en het arrest van het hof van 23 april 2022 is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van de veroordeelde rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden.
Materiële schade
Allereerst stelt het hof vast dat de benadeelde in de jaren 2009 (maart) tot en met 2015 (januari), met uitzondering van het jaar 2012, verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden onder dwang heeft moeten afgeven aan de veroordeelde en zodoende materiële schade heeft geleden. Daarnaast heeft zij € 1.000,00 aan materiële schade geleden voor het verwijderen van diverse tatoeages.
Het hof overweegt dat de verdediging ten aanzien van de post ‘verwijderen tatoeages’ ad € 1.000,00 geen verweer heeft gevoerd en dat de vordering het hof in zoverre niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zodat deze kosten voor toewijzing gereed liggen.
Wat betreft de gevorderde kosten die zien op de post ‘afgenomen winst uit prostitutie’ overweegt het hof als volgt. Uit het arrest van het hof van 25 april 2022 – dat in zoverre in stand is gebleven en onherroepelijk is – volgt dat de benadeelde in de periode van 1 maart 2009 tot en met 31 januari 2015 gedwongen prostitutiewerkzaamheden heeft verricht voor de veroordeelde. Verder stelt het hof vast dat zij inkomsten uit die werkzaamheden aan de veroordeelde heeft afgestaan. Noch de veroordeelde, noch de benadeelde heeft een (voor het hof kenbare) boekhouding van deze werkzaamheden bijgehouden. Ook anderszins kan het hof op basis van de voorliggende stukken niet precies (nauwkeurig) vaststellen hoeveel dagen de benadeelde heeft gewerkt en wat de daarmee gegenereerde inkomsten exact zijn geweest. Het hof zal daarom gebruik maken van zijn schattingsbevoegdheid gelet op het bepaalde in art. 6:97 Burgerlijk Pro Wetboek (BW). Dat brengt het hof op basis van de onderbouwing van de vordering, het dossier (waaronder het zogenoemde ontnemingsrapport en bijbehorende processen-verbaal) en voornoemde bewezenverklaring tot de volgende overwegingen.
2009 - € 65.000,00
Het hof gaat ervan uit dat de benadeelde partij in het jaar 2009 ongeveer negen maanden in de prostitutie heeft gewerkt en in die periode in beginsel ongeveer € 25.000,00 per drie maanden aan inkomsten heeft gegenereerd (die zij moest afgeven aan de veroordeelde). In de loop van dat jaar liepen de inkomsten wel enigszins terug. Daarom begroot het hof – schattenderwijs – de materiële schade voor de benadeelde in het jaar 2009 op € 65.000,00 (3 x € 25.000,00 -/- € 10.000,00).
2010 - € 65.000,00
Het hof gaat ervan uit dat de benadeelde partij in het jaar 2010 ook ongeveer gedurende negen maanden in de prostitutie heeft gewerkt. Het hof neemt als uitgangspunt het inkomen dat de benadeelde gedurende het grootste deel/begin van 2009 ongeveer genereerde: € 25.000,00 per drie maanden. Nu zij in de negen maanden in 2010 iets minder werkte dan in voornoemde periode in het jaar 2009, past het hof een vermindering van € 10.000,00 toe, waardoor voor het hof de materiële schade over het jaar 2010 begroot op € 65.000,00.
2011 - € 50.000,00
De benadeelde partij heeft in het jaar 2011 ongeveer zes maanden prostitutiewerkzaamheden verricht en daarmee verdiende inkomsten moeten afgeven aan de veroordeelde, zodat haar schade over dat jaar ongeveer € 50.000,00 (tweemaal € 25.000,00 per drie maanden) beloopt.
2013 en 2014 - € 180.000,00
De benadeelde partij heeft in het eerste deel van het jaar 2013 ongeveer zes maanden prostitutiewerkzaamheden verricht. In het laatste kwartaal van 2013 tot het jaar 2015 heeft zij ongeveer twaalf maanden in de prostitutie gewerkt. In totaal dus 18 maanden in de periode 2013-2014. In deze periode werkte zij gemiddeld vijf dagen per week en dat bracht ongeveer € 500,00 per dag op. In navolging van het dossier en het ontnemingsrapport stelt het hof, voor de berekening van de schade, een maand gelijk aan vier weken (bij de aftrek van de kosten komt het hof hierop nog terug). Daarmee komt de materiële schade over de jaren 2013 en 2014 uit op € 180.000,00 (€ 500,00 x 5 x 4 x 18).
Gelet op het voorgaande komt het hof schattenderwijs tot de conclusie dat de benadeelde partij een totaalbedrag van € 360.000,00 met prostitutiewerkzaamheden heeft verdiend, die zij aan de veroordeelde heeft moeten afstaan. Dit is de door de benadeelde partij geleden materiële schade. Daarvan moeten nog wel de bedrijfskosten worden afgetrokken die de benadeelde partij zou hebben moeten maken als zij als vrije zelfstandige zou hebben gewerkt en die in dit geval door de veroordeelde zijn betaald.
Kosten
Zoals uit het voorgaande volgt gaat het hof ervan uit dat de benadeelde gedurende in totaal ongeveer 42 maanden voor de veroordeelde in de prostitutie heeft gewerkt. Het hof is bij de berekening van de kosten – net als bij de berekening van de door de benadeelde partij gederfde inkomsten – ervan uitgegaan dat één maand gelijk staat aan vier weken. Dat betekent dat de benadeelde partij in de bewezenverklaarde periode 168 weken (42 x 4) werkzaam is geweest in de prostitutie.
In het ontnemingsrapport is een berekening gemaakt van de kosten die de veroordeelde heeft gemaakt ten behoeve van de werkzaamheden van de benadeelde. Deze kosten komen op een totaal van € 117.600,00. Bij die berekening is uitgegaan van 240 weken waarin de benadeelde voor de veroordeelde heeft gewerkt en haar inkomsten aan hem moest afstaan. Afgezien van het aantal weken zal het hof – schattenderwijs – uitgaan van de aan deze berekening ten grondslag gelegde kosten. Dat betekent dat het hof op grond van die berekening ervan uitgaat dat de veroordeelde € 117.600,00 / 240 = € 490,00 per gewerkte week aan kosten heeft gemaakt. Nu het hof uitgaat van 168 gewerkte weken brengt dat het hof tot de conclusie dat de totaal gemaakte kosten € 82.320,00 (168 x € 490,00) bedragen.
De geleden materiële schade bedraagt:
opbrengsten en afgestane inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden
€ 360.000,00
Verwijderen van tatoeages
€ 1.000,00
Kosten
- € 82.320,00
Totaal
€ 278.680,00
Het hof wijst er nog op dat de verdediging noch de schade zelf, noch de hoogte van de geleden schade
zoals hiervoor berekendheeft betwist (sterker nog: de verdediging is in hoger beroep uitgegaan van hetzelfde schadebedrag).
Immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van de veroordeelde immateriële schade heeft geleden. Uit de onderbouwing van de vordering volgt dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde handelen PTSS heeft opgelopen (diagnose door gedragsdeskundige) terwijl ook de aard en de ernst van de normschending als zodanig meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De omvang van de immateriële schade zal op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van billijkheid – en zoals door de verdediging bepleit en in zoverre dus onbetwist – worden geschat op
€ 25.000,00. Het hof neemt daarbij in aanmerking de ernst van het feit, de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zoals deze zijn onderbouwd en volgen uit de strafmotivering, en de toegekende schadevergoedingen in vergelijkbare gevallen.
Het hof heeft daarbij mede acht geslagen op de zogenoemde Rotterdamse Schaal waarin in de categorie ‘mensenhandel’ als ‘meest ernstige schaal’ een bedrag van € 10.500,00 tot € 21.000,00 wordt genoemd. Het gaat daarbij om mensenhandel gedurende ongeveer zes maanden
of langer. Gelet op de zeer lange duur en ernst van de in dit geval bewezenverklaarde mensenhandel komt het hof tot een bedrag dat deze bandbreedte te boven gaat. Een verdere ‘verhoging’ zoals door de advocaat bepleit acht het hof, naar billijkheid beoordeeld, niet aan de orde.
Concluderend
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van de veroordeelde rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van
€ 303.680,00. De veroordeelde is dan ook tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de veroordeelde wordt vergoed.
Rente
De ingangsdatum van de wettelijke rente zal het hof bepalen op (ongeveer) het midden van de bewezenverklaarde periode, nu de schade – zowel materieel als immaterieel – geleidelijk is opgelopen gedurende de periode waarin de bewezenverklaarde gedragingen hebben plaatsgevonden.
Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderwerpen – en doet in zoverre opnieuw recht:
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 303.680,00 (driehonderddrieduizend zeshonderdtachtig euro) bestaande uit € 278.680,00 (tweehonderdachtenzeventigduizend zeshonderdtachtig euro) materiële schade en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de veroordeelde in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 303.680,00 (driehonderddrieduizend zeshonderdtachtig euro) bestaande uit € 278.680,00 (tweehonderdachtenzeventigduizend zeshonderdtachtig euro) materiële schade en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 360 (driehonderdzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de veroordeelde aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op
15 februari 2012.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. T. de Bont en mr. D.A.C. Koster, en, in tegenwoordigheid van
mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
3 maart 2026.
Mr. Van Heffen is niet in de gelegenheid dit arrest mee te ondertekenen.
=========================================================================
[…]