In deze zaak stond de ontnemingsvordering tegen de betrokkene centraal, die eerder door de rechtbank Amsterdam was veroordeeld voor mensenhandel. De rechtbank had een ontnemingsbedrag van € 236.740,00 opgelegd, dat het hof bij hoger beroep had verhoogd naar € 293.028,48. Na cassatie door de Hoge Raad werd de zaak terugverwezen voor herberekening van de kosten die in mindering gebracht konden worden op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof stelde vast dat de betrokkene gedurende 42 maanden het slachtoffer seksueel heeft uitgebuit en de opbrengsten van haar prostitutiewerkzaamheden heeft ontvangen, met een totaalbedrag van € 360.000,00. Op basis van een ontnemingsrapport en een schatting van de gemaakte kosten (€ 82.320,00) werd het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend. Vervolgens bracht het hof de in rechte toegekende vordering van het slachtoffer ter hoogte van € 278.680,00 in mindering.
Hierdoor kwam het hof tot de conclusie dat het te ontnemen bedrag nihil is. De redelijke termijn was met ongeveer vijfeneenhalve maand overschreden, maar dit had geen invloed op het nihilbedrag. Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en legde de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 0,00. Dit arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 3 maart 2026.