ECLI:NL:GHAMS:2026:506

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
200.362.977
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:268 lid 2 BWArt. 29a lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging schorsing tenuitvoerlegging ontruimingsvonnis sociale huurwoning

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van Stichting Pré Wonen tegen een vonnis van de kantonrechter Noord-Holland dat de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis schorst. De zaak betreft de voortzetting van een sociale huurwoning na het overlijden van de oorspronkelijke huurder. De kantonrechter had de schorsing van de tenuitvoerlegging bevolen totdat in hoger beroep op de vordering tot voortzetting van de huur onherroepelijk is beslist.

Pré Wonen betoogde dat de kantonrechter ten onrechte sprak van medehuurderschap en dat het vonnis berust op een kennelijke misslag. Het hof oordeelt dat het gaat om voortzetting van huur en niet medehuur, maar dat dit de beslissing niet beïnvloedt. Het hof onderschrijft het oordeel dat de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het ontruimingsvonnis een kennelijke juridische misslag is, omdat artikel 7:268 lid 2 BW Pro de huurder het recht geeft de huur voort te zetten totdat onherroepelijk is beslist.

Het hof stelt dat alleen bij misbruik van recht kan worden afgeweken van deze regeling, wat niet is vastgesteld. De kantonrechter heeft onvoldoende onderbouwing gegeven voor het oordeel dat de vordering van de huurder geen reële kans van slagen heeft. Daarom wordt het bestreden vonnis bekrachtigd en wordt Pré Wonen veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis en veroordeelt Pré Wonen in de kosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.362.977/01 SKG
zaaknummer rechtbank Noord-Holland: 11989171 \ VV EXPL 25-178
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige burgerlijke kamer van het gerechtshof Amsterdam van 19 februari 2026
inzake

STICHTING PRÉ WONEN,

gevestigd te Haarlem,
appellante,
advocaat: mr. D.A. Fransen te Den Haag,
tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [plaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. B. Wernik te Haarlem.
Partijen worden hierna Pré Wonen en [geïntimeerde] genoemd.
Tegenwoordig zijn:
mr. E.K. Veldhuijzen van Zanten - voorzitter
mr. R.L. de Graaff - raadsheer
mr. M.A.J.G. Janssen - raadsheer
M.E. van den Noort - griffier
Ter zitting zijn verschenen:
- namens Pré Wonen: [naam 1] en [naam 2] (beiden consulent bewonerszaken), bijgestaan door mr. Fransen voornoemd;
- [geïntimeerde] , bijgestaan door mr. E. Aslan, advocaat te Haarlem en waarnemend voor mr. Wernik voornoemd.
Bij vonnis in kort geding van 1 december 2025, gewezen onder bovenvermeld zaaknummer tussen [geïntimeerde] als eiser en Pré Wonen als gedaagde, heeft de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, voor zover in dit hoger beroep van belang, de tenuitvoerlegging van het tussen partijen gewezen vonnis van 22 oktober 2025 geschorst totdat hierop in hoger beroep zal zijn beslist of totdat dit vonnis van 22 oktober 2025 onherroepelijk zal zijn geworden, waarbij Pré Wonen in de proceskosten is verwezen.
Pré Wonen is bij spoedappeldagvaarding van 18 december 2025 in hoger beroep gekomen tegen dit vonnis. De appeldagvaarding bevat de grieven. [geïntimeerde] heeft vervolgens een memorie van antwoord ingediend.
Pré Wonen heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vordering van [geïntimeerde] alsnog geheel zal afwijzen en, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties met nakosten en rente.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Pré Wonen in de kosten van het geding in hoger beroep.
Tijdens de mondelinge behandeling op 19 februari 2026 hebben mr. Fransen, aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen, en mr. Aslan het woord gevoerd. Partijen hebben hun standpunt toegelicht en vragen beantwoord.
Van het verhandelde ter zitting zijn aantekeningen gemaakt, die zo nodig in een apart proces-verbaal zullen worden uitgewerkt.
Na een schorsing en hervatting van de zitting heeft het hof mondeling uitspraak gedaan. Deze uitspraak wordt in dit proces-verbaal schriftelijk weergegeven.

De beoordeling

1. Het hof gaat uit van de door de kantonrechter in het bestreden vonnis opgesomde feiten die in hoger beroep niet zijn betwist, met dien verstande dat sprake is van een vordering tot voortzetting van de huur en niet van medehuur.
2. Het hof moet beoordelen of de kantonrechter de tenuitvoerlegging van het tussen partijen gewezen vonnis van 22 oktober 2025 terecht heeft geschorst zoals hierboven vermeld.
3. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend.
4. Pré Wonen heeft het vonnis waarvan beroep met twee grieven bestreden. Met de eerste grief is betoogd dat de kantonrechter ten onrechte spreekt van medehuurderschap, terwijl dit niet aan de orde is. De zaak gaat om het verkrijgen van huurderschap. Hoewel dit juist is en ook is aangepast in de feiten waarvan in deze procedure dient te worden uitgegaan, doet dit aan de beslissing van de kantonrechter niet af, omdat die in het kader van de juiste wettelijke bepalingen over de voortzetting van het huurderschap is genomen.
5. De tweede grief keert zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat het vonnis van 22 oktober 2025 berust op een kennelijke misslag en dat de tenuitvoerlegging daarvan daarom dient te worden geschorst. Ook op dit punt heeft het hoger beroep geen succes.
6. Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter in dit kort geding dat de uitvoerbaar bij voorraadverklaring in het vonnis van 22 oktober 2025 berust op een kennelijke juridische misslag en neemt het daartoe overwogene over. Het toepasselijke artikel 7:268 lid 2 BW Pro bepaalt dat de persoon die in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad, de huur voortzet gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder en nadien, indien de rechter dit heeft bepaald op een daartoe strekkende vordering en in elk geval zolang op deze vordering niet onherroepelijk is beslist. Uit die laatste zinsnede volgt dat [geïntimeerde] in beginsel gerechtigd is de huur voort te zetten totdat in het door hem ingestelde hoger beroep onherroepelijk op zijn vordering is beslist. Met de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de tegenvordering tot ontruiming is de kantonrechter in het vonnis van 22 oktober 2025 ten onrechte voorbij gegaan aan deze wettelijke regeling. Het hof ziet alleen ruimte om daarvan af te wijken in de situatie dat [geïntimeerde] misbruik van recht heeft gemaakt, bijvoorbeeld door zich met het enkele doel de beëindiging van de huur uit te stellen te beroepen op artikel 7:268 lid 2 BW Pro, hetgeen (vooralsnog) niet kan worden vastgesteld. Het oordeel van de kantonrechter in haar vonnis van 22 oktober 2025 dat de vordering van [geïntimeerde] op basis van de wettelijke feitelijke vereisten waaraan hij dient te voldoen geen reële kans van slagen heeft kan deze constatering onvoldoende dragen. De zaak dient immers nog te worden beoordeeld door de (feiten)rechter in hoger beroep. Dit betekent dat de uitvoerbaar bij voorraadverklaring in het vonnis van 22 oktober 2025 berust op een belangenafweging waarvoor de toepasselijke wettelijke regeling geen ruimte biedt.
7. De slotsom is dat het bestreden vonnis, voor zover aan het hof voorgelegd, zal worden bekrachtigd. Pré Wonen zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

De beslissing

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover dit aan het hof is voorgelegd;
veroordeelt Pré Wonen in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 362,00 aan verschotten en € 2.580,00 voor salaris.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat conform art 29a lid 3 Rv is ondertekend door de voorzitter.
Voorzitter