ECLI:NL:GHAMS:2026:503

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
200.361.273
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing incidentele vordering tot schorsing tenuitvoerlegging aandelenoverdracht

In deze civiele zaak is door appellant hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter waarin rechtshandelingen met betrekking tot de overdracht van aandelen in een vennootschap zijn vernietigd. Appellant verzocht incidenteel om schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis totdat het hoger beroep is beslist.

Het hof overweegt dat de vernietiging van de rechtshandelingen constitutief is en dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad betekent dat deze rechtshandelingen met het vonnis zijn vernietigd. Schorsing van deze tenuitvoerlegging is daarom niet mogelijk. Verder stelt het hof dat het uitgangspunt is dat een veroordeling uitvoerbaar bij voorraad is en dat alleen bijzondere omstandigheden kunnen leiden tot schorsing.

Appellant voerde aan dat sprake is van een feitelijke misslag en dat haar belang bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van geïntimeerde bij onmiddellijke tenuitvoerlegging. Het hof oordeelt dat geen sprake is van een kennelijke misslag en dat de aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om af te wijken van het uitgangspunt van onmiddellijke tenuitvoerlegging.

De vorderingen tot terugbetaling van geldsommen en notariskosten zijn uitvoerbaar bij voorraad en het risico van restitutie is onvoldoende onderbouwd om schorsing te rechtvaardigen. Het hof wijst de incidentele vordering af en verwijst de hoofdzaak naar de rol voor memorie van grieven.

Uitkomst: De incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.361.273/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 11522118 \ CV EXPL 25-2588
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 februari 2026
inzake
[appellant] ,
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. T.G.L.M. Meevis te Eindhoven,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend te [plaats 2] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. F.J. van der Schrier te Den Haag.

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
[appellant] is bij dagvaarding van 30 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 24 oktober 2025, onder bovenstaand zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie, en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.
De appeldagvaarding bevat een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis ex artikel 351 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) totdat het hof op het hoger beroep heeft beslist.
Op de eerstdienende dag heeft [appellant] overeenkomstig voormeld exploot geconcludeerd en een akte overleggen producties in het incident, met producties, genomen.
[geïntimeerde] heeft daarop een memorie van antwoord in het incident, met producties, genomen en daarbij geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de daadwerkelijke kosten van het incident ten bedrage van € 2.312,92, met nakosten en rente.
Ten slotte is arrest in het incident gevraagd.

2.Beoordeling

in het incident
2.1.
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank – kort gezegd en voor zover in het incident van belang – in reconventie op vordering van [geïntimeerde] de rechtshandelingen vernietigd die hebben geleid tot de overdracht door [appellant] van de voorheen door haar gehouden aandelen in het kapitaal van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ), thans genaamd [bedrijf 1] , aan hem (5.3). Daarnaast heeft de rechtbank in reconventie [appellant] veroordeeld om medewerking te verlenen aan de teruglevering van alle aandelen in [bedrijf 1] aan [appellant] , op straffe van verbeurte van een dwangsom (5.4), tot terugbetaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 5.000,- (5.5) en tot betaling van de notariskosten die verband houden met de teruglevering van de aandelen in [bedrijf 1] aan [appellant] (5.6). Verder zijn in reconventie de door [appellant] ten laste van [geïntimeerde] gelegde conservatoire (derden)beslagen opgeheven (5.7).
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] in conventie afgewezen.
[appellant] is in conventie en reconventie veroordeeld in de proceskosten, in conventie met nakosten (5.2 en 5.8). Het vonnis is wat betreft de veroordelingen onder 5.2 tot en met 5.8 uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De uitvoerbaarverklaring bij voorraad is niet gemotiveerd.
2.2.
[appellant] stelt ter onderbouwing van haar incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis dat het vonnis berust op een feitelijke misslag. Volgens [appellant] heeft de rechtbank onder 2.1 van het vonnis ten onrechte vastgesteld dat haar groepsvennootschap [bedrijf 2] “
de administratie”van [bedrijf 1] zou verzorgen. Deze vennootschap heeft echter uitsluitend de fiscale aangiften van [bedrijf 1] verzorgd, zoals blijkt uit de brief van 5 november 2021 van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] die in eerste aanleg door [geïntimeerde] als productie 28 is overgelegd.
Verder stelt [appellant] dat zij reeds een vordering van circa € 13.000,- op Ouhadi heeft waarvoor geen enkele zekerheid is verstrekt. Deze vordering wordt verhoogd met de toegewezen vorderingen in reconventie tot betaling van € 5.000,- en de kosten van de notaris als haar hoger beroep slaagt.
Ook stelt [appellant] dat zij haar belang bij het hoger beroep kan verliezen in het geval dat Ouhadi de aandelen in het gefailleerde [bedrijf 1] aan haar terug levert en vervolgens het faillissement van [bedrijf 1] nog tijdens het hoger beroep wordt afgerond.
Dit alles maakt volgens [appellant] dat haar belang bij behoud van de bestaande toestand totdat op het hoger beroep is beslist zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerde] bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis.
2.3.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan.
2.4.
Voor zover [appellant] heeft bedoeld schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissingen tot vernietiging van de rechtshandelingen die hebben geleid tot de aandelenoverdracht en tot opheffing van de beslagen (5.3 en 5.7), geldt dat dit niet mogelijk is. Het bestreden vonnis is in zoverre immers constitutief en door de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van deze beslissingen zijn met het doen van de uitspraak de betreffende rechtshandelingen vernietigd en is het beslag opgeheven.
2.5.
Bij de beoordeling van de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, waarin – zoals in dit geval – over de uitvoerbaarheid bij voorraad ongemotiveerd is beslist, stelt het hof het volgende voorop (vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij de toepassing van deze maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
2.6.
Voor zover [appellant] haar incidentele vordering baseert op inhoudelijke bezwaren tegen het bestreden vonnis gaat het hof daarop in het kader van dit incident niet in. Op het oordeel in de hoofdzaak mag immers niet worden vooruitgelopen. De onder 2.2. weergegeven stellingen van [appellant] leiden verder niet tot het oordeel dat het bestreden vonnis op een kennelijke misslag berust. Daarvoor is ten minste vereist dat dit ‘kennelijk’ het geval is, dat wil zeggen dat reeds op het eerste gezicht, dus zonder relevant nader feitelijk of juridisch onderzoek, zonder meer duidelijk is dat een feitelijk of juridisch oordeel in een bepaalde rechtsoverweging onjuist is. Dat dit in deze zaak het geval is, is niet gebleken. Uit genoemde brief van 5 november 2021 lijkt veeleer te volgen dat van een misslag geen sprake is, aangezien daarin staat dat de door [bedrijf 2] voor [bedrijf 1] te verrichten werkzaamheden ook zullen bestaan uit administratieve werkzaamheden. Voor een verdere beoordeling van de juistheid van de overwegingen van de rechtbank is in dit incident geen plaats.
2.7.
[appellant] heeft met betrekking tot de veroordelingen tot het verlenen van medewerking aan de teruglevering van alle aandelen in [bedrijf 1] aan [appellant] (5.4), tot terugbetaling aan [geïntimeerde] van € 5.000,- (5.5) en tot betaling van de notariskosten die verband houden met de teruglevering van de aandelen in [bedrijf 1] aan [appellant] (5.6) omstandigheden aangevoerd die volgens haar zouden moeten leiden tot afwijking van het onder 2.5 opgenomen uitgangspunt dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling hangende een hogere voorziening uitvoerbaar dient te zijn. Naar het oordeel van het hof brengen die omstandigheden echter niet mee dat haar belang bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het hoger beroep is beslist zwaarder weegt dan het belang van Ouhadi bij de directe tenuitvoerlegging van deze veroordelingen. Het hof overweegt daartoe als volgt.
2.8.
De veroordelingen onder 5.5 en 5.6 betreffen (terug)betaling van geldsommen. Daarmee is het belang van [geïntimeerde] bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging van deze veroordelingen in beginsel gegeven. Zijn belang is dat hij niet op de (terug)betalingen waartoe [appellant] veroordeeld is hoeft te wachten totdat die veroordelingen onherroepelijk zijn geworden. De enkele, niet nader met stukken onderbouwde of geconcretiseerde, stelling van [appellant] dat zich een restitutierisico voordoet, is onvoldoende voor schorsing van deze uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordelingen.
2.9.
[appellant] betwist niet dat [geïntimeerde] – nu de rechtbank de overdracht van aandelen [bedrijf 1] heeft vernietigd – belang heeft bij tenuitvoerlegging van de veroordeling tot medewerking aan de teruglevering van alle aandelen in [bedrijf 1] aan [appellant] (5.4). Dat na deze teruglevering het faillissement van [bedrijf 1] nog tijdens het hoger beroep zou kunnen worden afgerond, zoals [appellant] vreest, legt op zichzelf onvoldoende gewicht in de schaal.
2.10.
Gelet op het voorgaande zal de incidentele vordering van [appellant] tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden afgewezen.
2.11.
Een oordeel over de (volledige) kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
in de hoofdzaak
2.12.
In de hoofdzaak zal de zaak worden verwezen naar de rol voor memorie van grieven door [appellant] .

3.Beslissing

Het hof:
in het incident:
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de (volledige) proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 7 april 2026 voor memorie van grieven door [appellant] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, J.W.M. Tromp en M.C. Bosch en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.