ECLI:NL:GHAMS:2026:477

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
23-001723-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 23 SrArt. 24 SrArt. 24c SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging mishandeling met wijziging strafoplegging en afwijzing schadevergoeding

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is het hof Amsterdam op 3 februari 2026 tot een gewijzigde strafoplegging gekomen. De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor mishandeling door het slachtoffer zonder reden van zijn fiets te trekken, waardoor deze viel en letsel opliep. De politierechter legde een voorwaardelijke geldboete op met een schadevergoedingsmaatregel.

Het hof bevestigde het bewezenverklaarde feit maar vernietigde het vonnis voor wat betreft de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Gezien de ernst van het feit en de omstandigheden achtte het hof een onvoorwaardelijke geldboete van €600 passend, mede rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

De benadeelde partij had een schadevergoeding van €1.568,14 gevorderd, bestaande uit ambulancekosten en gederfde inkomsten. Het hof oordeelde dat de vordering onvoldoende was onderbouwd en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk, met de mogelijkheid de vordering bij de burgerlijke rechter aan te brengen.

Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarbij twee rechters niet konden medeondertekenen. De uitspraak bevestigt het vonnis behalve voor de strafoplegging en schadevergoeding, die het hof herzag.

Uitkomst: Het hof bevestigt de mishandeling, legt een onvoorwaardelijke geldboete van €600 op en verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de schadevordering.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-001723-23
Datum uitspraak: 3 februari 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 6 juni 2023 in de strafzaak onder parketnummer
13-011369-21 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1970,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
20 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman van de verdachte en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 450,00, (onder de bijzondere voorwaarde dat de verdachte € 385,00 aan schadevergoeding zal overmaken op de bankrekening van [benadeelde partij] ), met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft de aangever mishandeld door hem – zonder duidelijke reden - van zijn fiets te trekken, als gevolg waarvan de aangever op de grond is gevallen en kneuzingen en pijn heeft gekregen.
Het hof rekent de verdachte dit aan en is van oordeel dat in dit geval het opleggen van een onvoorwaardelijke geldboete passend is. Voor de hoogte van de boete houdt het hof rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en met straffen die voor soortgelijke zaken worden opgelegd.
Het hof heeft ook acht geslagen op de omstandigheid dat in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. De verdachte is op 14 november 2022 als verdachte gehoord en het vonnis dateert van 6 juni 2023. Op die datum is hoger beroep ingesteld en het hof doet uitspraak op 3 februari 2026. Dat betekent dat in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden met acht maanden.
Gelet op de aard en de hoogte van de op te leggen sanctie zal het hof volstaan met de constatering van die overschrijding.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van in totaal € 1.568,14. Deze schade bestaat uit de volgende posten:
-€ 685,00 aan eigen risico vanwege vervoer met een ambulance;
-€ 803,14 aan gederfde inkomsten. Gezien het schadeformulier heeft de benadeelde gesteld dat hij, als gevolg van het bewezenverklaarde feit, 2 weken niet heeft kunnen werken. Hij heeft een eigen schoonmaakbedrijf. De onderbouwing van dit deel van de vordering bestaat uit een handgeschreven lijst met data, kennelijke voornamen en bedragen.
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 385,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat de benadeelde na het bewezenverklaarde feit naar het ziekenhuis is vervoerd met een ambulance en dat hij twee weken zijn werkzaamheden niet heeft kunnen uitvoeren. De voornamen op de lijst die de benadeelde aan het schadeformulier heeft toegevoegd, betreffen de personen bij wie hij schoonmaakwerkzaamheden zou verrichten of gaan verrichten, zo begrijpt het hof. De raadsman heeft de vordering niet nader kunnen onderbouwen en heeft met de enkele opsomming door zijn cliënt volstaan.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 385,00.
De raadsman van de verdachte heeft de vordering in al haar onderdelen betwist en het hof verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, wegens een gebrek aan onderbouwing daarvan.
Het hof overweegt als volgt.
Gelet op het gebrek aan een deugdelijke en verifieerbare onderbouwing van de – betwiste - vordering zal het hof de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging, de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 600,00 (zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
6 (zes) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. J.H. van der Werff, in tegenwoordigheid van
mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
3 februari 2026.
Mr. N.R.A. Meerbeek en mr. J.H. van der Werff zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.