4.2.Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a en b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen valt af te leiden dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf" kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.
Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Het hof leidt uit de beschikbare bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.
Uit het financiële onderzoek naar de verdachte blijkt dat hij in de periode 2018 t/m juni 2021 een netto jaarinkomen genoot van ongeveer € 30.000,00. Uit dit onderzoek blijkt voorts dat het legale inkomen van de verdachte in de periode van 2018 tot en met 2021 geheel werd besteed aan vaste lasten en levensonderhoud. In het financieel onderzoek is geconcludeerd dat de in de tenlastelegging opgenomen uitgaven niet passen bij het jaarinkomen van de verdachte. Zo heeft verdachte bijvoorbeeld in november 2020 contant € 51.000,00 betaald voor een Mercedes AMG zonder dat daaraan een opname van een bankrekening voorafging. Daar komt bij dat de verdachte bij de rechtbank op 14 maart 2024 heeft verklaard (zo begrijpt het hof zijn verklaring) dat hij (in elk geval) in de periode van november 2020 tot en met mei 2021 betrokken is geweest bij de (voorbereiding van) de invoer van cocaïne.
Op grond van deze hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is er naar het oordeel van het hof voor de gehele tenlastegelegde periode sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen en voorwerpen.
Verklaring van de verdachte
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring afgelegd over de herkomst van het geld waarmee hij de in de tenlastelegging genoemde contante uitgaven heeft gedaan. Deze verklaring houdt in dat:
de verdachte € 30.000,00 aan contant gespaard geld tot zijn beschikking had. Dit geld had hij verdiend door sinds 2006 te helpen met de cateringwerkzaamheden van zijn vader. De verdachte bewaarde dit geld op verschillende locaties, namelijk bij zijn ex-vriendin en zijn vader en ook bij andere familieleden omdat hij deelnam aan het kasgeld spaarsysteem.
een gedeelte van het geld afkomstig is van de vader van de verdachte. Volgens de verdachte had zijn vader veel geld en gaf hij dit aan zijn zoon wanneer hij dat nodig had.
een gedeelte van het geld afkomstig is van erfenissen uit Suriname. De verdachte had van zijn vader geld gekregen dat afkomstig was van een erfenis van zijn eigen vader en van een erfenis van zijn schoonmoeder
De vader van de verdachte heeft aanvankelijk niets willen verklaren, maar heeft in hoger beroep bij de politie een verklaring afgelegd die de verklaring van de verdachte op een aantal punten ondersteunt. Zo heeft de vader van de verdachte verklaard dat hij de catering verzorgde op feesten voor grote groepen en dat zijn zoon hem daarbij hielp. De vader heeft daarnaast verklaard dat hij zijn zoon contant geld gaf voor de hulp bij de catering en dat hij zijn zoon ook op andere momenten contant geld gaf als hij dat nodig had. De verdachte was zijn enige kind en alles wat van de vader en zijn vrouw was, was ook van de verdachte. Het geld dat de vader van de verdachte aan de verdachte gaf, was afkomstig van zijn cateringwerkzaamheden en van erfenissen uit Suriname. De erfenissen waren afkomstig van zijn eigen vader en van zijn schoonmoeder.
In hoger beroep zijn vervolgens meerdere stukken ingebracht over de cateringwerkzaamheden en de erfenis van de schoonmoeder van vader uit Suriname die de verklaring van de verdachte zouden moeten ondersteunen.
Het hof (in een andere samenstelling) was van oordeel dat de verdachte daarmee een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gaf dat de in de tenlastelegging genoemde contante uitgaven niet van misdrijf afkomstig zijn.
Op 17 maart 2025 heeft het hof (in die andere samenstelling) aan het openbaar ministerie de opdracht gegeven om nader onderzoek te verrichten naar de verklaring van de verdachte. Het openbaar ministerie heeft aan dat verzoek voldaan. De politie heeft financieel onderzoek gedaan naar inkomsten en de vermogenspositie van de verdachte en zijn ouders. De politie heeft daarnaast onderzoek gedaan naar het aangeleverde filmpje van de verdachte over de cateringwerkzaamheden en naar de erfenissen uit Suriname.
Het hof is van oordeel dat gelet op de gronden voor het aanvankelijke witwasvermoeden, de onderbouwing van de daar tegenover gestelde verklaringen van de verdachte en de resultaten van het door het openbaar ministerie in dat verband verrichte nadere onderzoek, met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld een legale herkomst heeft. Daarbij betrekt het hof meer in het bijzonder het volgende.
Ten aanzien van de € 30.000,00 die de verdachte contant tot zijn beschikking zou hebben doordat hij zou hebben geholpen bij de cateringwerkzaamheden van zijn vader geldt dat daar door de verdachte volstrekt geen onderbouwing voor is gegeven. Er staat niets op papier over die werkzaamheden, bij de Belastingdienst is noch door de verdachte, noch door vader opgegeven dat de verdachte in het cateringbedrijf tegen betaling werkzaam was en volgens de informatie van de Kamer van Koophandel had het cateringbedrijf geen (0) werknemers. De foto’s en filmpjes die zijn aangeleverd zijn niet ondersteunend voor de verklaring van de verdachte. Op de foto’s en filmpjes staat de verdachte immers niet afgebeeld en uit de enige foto waarop de verdachte wel staat afgebeeld, valt niet op te maken dat de verdachte aan het werk is in het cateringbedrijf. Dit wordt ook niet anders door de stelling van de verdachte dat hij zijn geld heeft ingelegd in een informeel spaarsysteem (kasgeld), omdat ook dat op geen enkele manier onderbouwd of anderszins aannemelijk is geworden. De verklaring van de verdachte is blijven steken in algemeenheden en nergens concreet geworden. Het hof gelooft de verklaring van de verdachte dan ook niet en de verklaring van de vader van de verdachte maakt dat niet anders.
Uit financieel onderzoek van de politie naar de ouders van de verdachte blijkt dat:
- de vader van de verdachte netto inkomsten had in de periode van 2018 tot en met oktober 2020 tussen de € 12.138,20 en € 14.227,88 uit loondienst voor schoonmaakwerk.
- er vanaf 2016 door de vader van de verdachte omzet wordt opgegeven bij de Belastingdienst van zijn cateringbedrijf [bedrijf 1] . Deze omzet bedraagt in 2019 € 696,00, in 2020 € 3.195,00 en in 2018 wordt geen omzet opgegeven. Pas vanaf 2021 wordt meer omzet opgegeven.
- de moeder van de verdachte enkel inkomsten ontvangt uit een uitkering van het UWV.
- de bankrekeningen van zowel de vader als de moeder van de verdachte als de verdachte zelf geen vermogen bevatten dat de uitgaven van de verdachte kan verklaren.
- door zowel de vader van de verdachte als de moeder van de verdachte geen contant vermogen is opgegeven bij de aangifte inkomstenbelasting in de periode van 2016 tot en met 2023.
Dat de vader van de verdachte veel geld zou hebben verdiend met zijn cateringwerkzaamheden en daarvan geld aan de verdachte kon geven, wordt op grond van het onderzoek van de politie op geen enkele manier ondersteund. Tot 2020 werkte de vader nog in loondienst en het cateringbedrijf genereerde tot 2021 nauwelijks omzet. De inkomenspositie van de moeder kan de uitgaven van de verdachte ook niet verklaren, net zoals de vermogenspositie van beide ouders dat niet kan. Ook is overigens niet aannemelijk geworden dat er enige inkomstenbron is die de contante uitgaven van de verdachte kunnen verklaren.
Uit onderzoek van de politie naar de aangeleverde stukken over de erfenis blijkt dat de ouders van de verdachte op enig moment in 2007 vermoedelijk de beschikking hebben gehad over een bedrag van
€ 45.000,00 uit de verkoop van een perceel land in Suriname van de schoonmoeder van de vader van de verdachte. Dit bedrag moest echter nog wel gedeeld worden met andere familieleden. Hoe groot het bedrag is dat de ouders van de verdachte uiteindelijk hebben gekregen is onbekend gebleven.
Het hof merkt daarbij op dat het - los van de onduidelijkheid over hoeveel geld er vanuit de erfenis precies beschikbaar zou zijn gekomen - niet aannemelijk is dat de verdachte in de periode van 2018 tot en met 2021 nog beschikking zou hebben over een zodanig geldbedrag uit 2007 dat dit de legale herkomst van de in de tenlastelegging genoemde contante uitgaven zou kunnen verklaren. Ten aanzien van de erfenis afkomstig uit Suriname van de vader van de verdachte is geen enkel stuk ter onderbouwing aangeboden waardoor het openbaar ministerie dit deel van de verklaring niet heeft kunnen verifiëren.
Dat de verdachte legaal geld tot zijn beschikking had van erfenissen uit Suriname vindt het hof gelet op het voorgaande dan ook niet geloofwaardig.
Het hof gelooft gelet op het voorgaande niet dat de legale herkomst van het geld van de verdachte verklaard kan worden door 1) contant spaargeld van € 30.000,00 dat is verdiend met hulp bij cateringwerkzaamheden, 2) contant geld dat de verdachte kreeg van zijn vader die veel geld had vanwege zijn cateringwerkzaamheden en erfenissen en 3) contant geld dat de verdachte had gekregen afkomstig uit erfenissen in Suriname. Het hof is gelet op al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien dan ook van oordeel dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat de tenlastegelegde voorwerpen en geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Gelet op de periode waarin het witwassen heeft plaatsgevonden, de hoogte van de verschillende contante geldbedragen en de hoeveelheid handelingen die de verdachte heeft verricht, is het hof van oordeel dat hij daarvan een gewoonte heeft gemaakt.
Net als de rechtbank ziet het hof geen aanwijzingen voor medeplegen. Dit betekent dat de verdachte in zoverre zal worden vrijgesproken.
De verdachte zal ook worden vrijgesproken van de volgende onderdelen van de tenlastelegging:
- de betaling van € 1.250,00 aan [bedrijf 2] , omdat deze betaling niet contant is voldaan.
- de contante betaling van € 107,43 aan [bedrijf 3] . Er is geen jaartal zichtbaar op de bon, waardoor niet kan worden vastgesteld wanneer deze uitgave is gedaan.
- de betaling van € 7.500,00 aan [bedrijf 4] van 1 juli 2021. Deze betaling valt buiten de tenlastegelegde periode.
- de contante stortingen op de rekening van de vader van de verdachte met uitzondering van de hierna vermelde. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat bij het grootste gedeelte van de stortingen niet kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die deze bedragen heeft gestort. Bovendien worden deze geldbedragen niet vlak na de storting op de rekening van vader naar de bankrekening van de verdachte overgemaakt.
- Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte ook moet worden vrijgesproken van het bedrag van € 12.500,00 dat is gestort op de rekening van de verdachte op 10 november 2020. Het overmaken van dit bedrag zou vooraf zijn gegaan door contante stortingen op de rekening van de vader van de verdachte. Uit het dossier blijkt geen duidelijk verband tussen eerdere contante stortingen in die periode en het overmaken naar de verdachte van dit bedrag, waardoor niet bewezen kan worden dat het bedrag van € 12.500,00 afkomstig is van een misdrijf.
De enige storting die het hof bewezen zal verklaren is het bedrag van € 9.000,00 dat op 4 juli 2019 vanaf de rekening van vader aan de verdachte werd overgemaakt, en wat vooraf werd gegaan - een half uur eerder - door een contante storting van € 10.000,00 op de rekening van de vader van de verdachte. Het kan volgens het hof niet anders zijn dan dat het de verdachte is geweest die het bedrag van € 10.000 op de rekening van zijn vader heeft gestort, om het overgrote deel (€ 9.000) vrijwel direct daarna daarvan op zijn eigen rekening te kunnen laten storten, mede nu op diezelfde dag, na de ontvangst van genoemde € 9.000, van de rekening van de verdachte aan [notariskantoor] (met omschrijving zaaknummer [nummer] ) een bedrag van € 8.090,96, werd overgemaakt. Het hof gaat er daarbij van uit dat genoemde storting en de overboeking door de vader de verdachte in de gelegenheid moest stellen de rekening van de notaris met witgewassen geld bancair (want contant is dat niet mogelijk) te kunnen betalen.
Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van gewoontewitwassen.