ECLI:NL:GHAMS:2026:429

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
23-000669-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 314a SvArt. 420bis SrArt. 9a SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling gewoontewitwassen ondanks niet-opleggen straf wegens eerdere veroordeling

In hoger beroep is het vonnis van de rechtbank Noord-Holland vernietigd voor het witwasfeit en heeft het hof een andere bewezenverklaring gegeven. De verdachte werd beschuldigd van gewoontewitwassen van geldbedragen en goederen die afkomstig waren uit enig misdrijf in de periode van 1 januari 2018 tot en met 25 juni 2021.

Het hof heeft het bewijs beoordeeld aan de hand van het vermoeden dat het geld een criminele herkomst had, de verklaring van de verdachte over cateringwerkzaamheden en erfenissen, en het nadere onderzoek van het openbaar ministerie. De verklaringen van de verdachte en zijn vader werden niet geloofd vanwege gebrek aan onderbouwing, onwaarschijnlijkheid en tegenstrijdigheden met financieel onderzoek.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte gewoontewitwassen heeft gepleegd, maar besloot geen straf op te leggen vanwege de eerder opgelegde gevangenisstraf van 7 jaar voor medeplegen van invoer van cocaïne, de redelijke termijnoverschrijding en het feit dat een strafoplegging geen strafdoel meer zou dienen. De verdachte werd vrijgesproken van medeplegen en van enkele onderdelen van de tenlastelegging.

Het arrest benadrukt de ernst van het witwassen, de impact op de integriteit van de economie en het financiële verkeer, maar houdt rekening met de cumulatie van strafzaken en eerdere veroordelingen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor gewoontewitwassen, maar geen straf opgelegd vanwege eerdere gevangenisstraf en redelijke termijnoverschrijding.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000669-25
datum uitspraak: 24 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 28 maart 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-184913-21 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
adres: [adres] .

1.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18, 19 en 26 februari, 17 maart 2025, 27 en 29 januari en 24 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) nader omschreven tenlastelegging en wat nu nog aan de orde is in hoger beroep is aan de verdachte (samengevat) tenlastegelegd:
het medeplegen van (gewoonte)witwassen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 25 juni 2021.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I van dit arrest en geldt als hier ingevoegd
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3.Vonnis van de rechtbank

Het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd ten aanzien van feit 3 (het witwasfeit), omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Hierbij wordt opgemerkt dat het hof in een andere samenstelling na afsplitsing van onderhavig feit 3 (het witwasfeit) het vonnis van de rechtbank bij arrest van 24 maart 2025 niettemin in zijn geheel heeft vernietigd, en de verdachte ter zake van de feiten 1 en 2 heeft veroordeeld. Het hof gaat er vanuit dat bij dat arrest van 24 maart 2025 per abuis het hele vonnis van de rechtbank is vernietigd en dat het de bedoeling was het vonnis alleen te vernietigen ten aanzien van feiten 1 en 2 (de Opiumwet feiten), omdat feit 3 is afgesplitst.

4.Bewijsoverweging

4.1.
Standpunten van de partijen
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde kan worden bewezen, omdat het niet anders kan dan dat de in de tenlastelegging bedoelde geldbedragen een criminele herkomst hebben. De verdachte heeft in een laat stadium een niet of nauwelijks verifieerbare en hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd. Over de gestelde verdiensten van de cateringwerkzaamheden staat niets op papier en is ook niets opgegeven bij de Belastingdienst, zodat dit niet onderzocht kan worden. Van de erfenis in 2007 waarover de verdachte heeft verklaard dat dit een deel van zijn inkomsten verklaart, is het onwaarschijnlijk dat de verdachte daar na al die jaren nog over beschikte. Dat de verdachte bij de aankoop van de woning in Den Haag betrokken was bij hypotheekfraude ondersteunt dat de verdachte geen legale inkomstenbron had.
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Niet wordt betwist dat er een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen bestond. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep echter een verklaring afgelegd over de herkomst van het geld. De verdachte heeft, kort gezegd, verklaard dat de bronnen voor de herkomst van het geld bestaan uit de cateringwerkzaamheden die hij in het bedrijf van zijn vader heeft verricht en een erfenis uit Suriname. Ook kreeg hij geld van zijn vader. Het openbaar ministerie heeft de verklaring van de verdachte onderzocht. Uitkomst daarvan is wat betreft de verdediging dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en goederen in de tenlastelegging een legale herkomst hebben. De verklaring van de verdachte dat het geld een legale herkomst heeft is juist en wordt ondersteund door de verklaring van zijn vader [vader] (hierna: vader).
4.2.
Oordeel van het hof
Beoordelingskader
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a en b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen valt af te leiden dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf" kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.
Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Het hof leidt uit de beschikbare bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.
Witwasvermoeden
Uit het financiële onderzoek naar de verdachte blijkt dat hij in de periode 2018 t/m juni 2021 een netto jaarinkomen genoot van ongeveer € 30.000,00. Uit dit onderzoek blijkt voorts dat het legale inkomen van de verdachte in de periode van 2018 tot en met 2021 geheel werd besteed aan vaste lasten en levensonderhoud. In het financieel onderzoek is geconcludeerd dat de in de tenlastelegging opgenomen uitgaven niet passen bij het jaarinkomen van de verdachte. Zo heeft verdachte bijvoorbeeld in november 2020 contant € 51.000,00 betaald voor een Mercedes AMG zonder dat daaraan een opname van een bankrekening voorafging. Daar komt bij dat de verdachte bij de rechtbank op 14 maart 2024 heeft verklaard (zo begrijpt het hof zijn verklaring) dat hij (in elk geval) in de periode van november 2020 tot en met mei 2021 betrokken is geweest bij de (voorbereiding van) de invoer van cocaïne.
Op grond van deze hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is er naar het oordeel van het hof voor de gehele tenlastegelegde periode sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen en voorwerpen.
Verklaring van de verdachte
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring afgelegd over de herkomst van het geld waarmee hij de in de tenlastelegging genoemde contante uitgaven heeft gedaan. Deze verklaring houdt in dat:
de verdachte € 30.000,00 aan contant gespaard geld tot zijn beschikking had. Dit geld had hij verdiend door sinds 2006 te helpen met de cateringwerkzaamheden van zijn vader. De verdachte bewaarde dit geld op verschillende locaties, namelijk bij zijn ex-vriendin en zijn vader en ook bij andere familieleden omdat hij deelnam aan het kasgeld spaarsysteem.
een gedeelte van het geld afkomstig is van de vader van de verdachte. Volgens de verdachte had zijn vader veel geld en gaf hij dit aan zijn zoon wanneer hij dat nodig had.
een gedeelte van het geld afkomstig is van erfenissen uit Suriname. De verdachte had van zijn vader geld gekregen dat afkomstig was van een erfenis van zijn eigen vader en van een erfenis van zijn schoonmoeder
De vader van de verdachte heeft aanvankelijk niets willen verklaren, maar heeft in hoger beroep bij de politie een verklaring afgelegd die de verklaring van de verdachte op een aantal punten ondersteunt. Zo heeft de vader van de verdachte verklaard dat hij de catering verzorgde op feesten voor grote groepen en dat zijn zoon hem daarbij hielp. De vader heeft daarnaast verklaard dat hij zijn zoon contant geld gaf voor de hulp bij de catering en dat hij zijn zoon ook op andere momenten contant geld gaf als hij dat nodig had. De verdachte was zijn enige kind en alles wat van de vader en zijn vrouw was, was ook van de verdachte. Het geld dat de vader van de verdachte aan de verdachte gaf, was afkomstig van zijn cateringwerkzaamheden en van erfenissen uit Suriname. De erfenissen waren afkomstig van zijn eigen vader en van zijn schoonmoeder.
In hoger beroep zijn vervolgens meerdere stukken ingebracht over de cateringwerkzaamheden en de erfenis van de schoonmoeder van vader uit Suriname die de verklaring van de verdachte zouden moeten ondersteunen.
Het hof (in een andere samenstelling) was van oordeel dat de verdachte daarmee een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gaf dat de in de tenlastelegging genoemde contante uitgaven niet van misdrijf afkomstig zijn.
Op 17 maart 2025 heeft het hof (in die andere samenstelling) aan het openbaar ministerie de opdracht gegeven om nader onderzoek te verrichten naar de verklaring van de verdachte. Het openbaar ministerie heeft aan dat verzoek voldaan. De politie heeft financieel onderzoek gedaan naar inkomsten en de vermogenspositie van de verdachte en zijn ouders. De politie heeft daarnaast onderzoek gedaan naar het aangeleverde filmpje van de verdachte over de cateringwerkzaamheden en naar de erfenissen uit Suriname.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat gelet op de gronden voor het aanvankelijke witwasvermoeden, de onderbouwing van de daar tegenover gestelde verklaringen van de verdachte en de resultaten van het door het openbaar ministerie in dat verband verrichte nadere onderzoek, met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld een legale herkomst heeft. Daarbij betrekt het hof meer in het bijzonder het volgende.
Ten aanzien van de € 30.000,00 die de verdachte contant tot zijn beschikking zou hebben doordat hij zou hebben geholpen bij de cateringwerkzaamheden van zijn vader geldt dat daar door de verdachte volstrekt geen onderbouwing voor is gegeven. Er staat niets op papier over die werkzaamheden, bij de Belastingdienst is noch door de verdachte, noch door vader opgegeven dat de verdachte in het cateringbedrijf tegen betaling werkzaam was en volgens de informatie van de Kamer van Koophandel had het cateringbedrijf geen (0) werknemers. De foto’s en filmpjes die zijn aangeleverd zijn niet ondersteunend voor de verklaring van de verdachte. Op de foto’s en filmpjes staat de verdachte immers niet afgebeeld en uit de enige foto waarop de verdachte wel staat afgebeeld, valt niet op te maken dat de verdachte aan het werk is in het cateringbedrijf. Dit wordt ook niet anders door de stelling van de verdachte dat hij zijn geld heeft ingelegd in een informeel spaarsysteem (kasgeld), omdat ook dat op geen enkele manier onderbouwd of anderszins aannemelijk is geworden. De verklaring van de verdachte is blijven steken in algemeenheden en nergens concreet geworden. Het hof gelooft de verklaring van de verdachte dan ook niet en de verklaring van de vader van de verdachte maakt dat niet anders.
Uit financieel onderzoek van de politie naar de ouders van de verdachte blijkt dat:
  • de vader van de verdachte netto inkomsten had in de periode van 2018 tot en met oktober 2020 tussen de € 12.138,20 en € 14.227,88 uit loondienst voor schoonmaakwerk.
  • er vanaf 2016 door de vader van de verdachte omzet wordt opgegeven bij de Belastingdienst van zijn cateringbedrijf [bedrijf 1] . Deze omzet bedraagt in 2019 € 696,00, in 2020 € 3.195,00 en in 2018 wordt geen omzet opgegeven. Pas vanaf 2021 wordt meer omzet opgegeven.
  • de moeder van de verdachte enkel inkomsten ontvangt uit een uitkering van het UWV.
  • de bankrekeningen van zowel de vader als de moeder van de verdachte als de verdachte zelf geen vermogen bevatten dat de uitgaven van de verdachte kan verklaren.
  • door zowel de vader van de verdachte als de moeder van de verdachte geen contant vermogen is opgegeven bij de aangifte inkomstenbelasting in de periode van 2016 tot en met 2023.
Dat de vader van de verdachte veel geld zou hebben verdiend met zijn cateringwerkzaamheden en daarvan geld aan de verdachte kon geven, wordt op grond van het onderzoek van de politie op geen enkele manier ondersteund. Tot 2020 werkte de vader nog in loondienst en het cateringbedrijf genereerde tot 2021 nauwelijks omzet. De inkomenspositie van de moeder kan de uitgaven van de verdachte ook niet verklaren, net zoals de vermogenspositie van beide ouders dat niet kan. Ook is overigens niet aannemelijk geworden dat er enige inkomstenbron is die de contante uitgaven van de verdachte kunnen verklaren.
Uit onderzoek van de politie naar de aangeleverde stukken over de erfenis blijkt dat de ouders van de verdachte op enig moment in 2007 vermoedelijk de beschikking hebben gehad over een bedrag van
€ 45.000,00 uit de verkoop van een perceel land in Suriname van de schoonmoeder van de vader van de verdachte. Dit bedrag moest echter nog wel gedeeld worden met andere familieleden. Hoe groot het bedrag is dat de ouders van de verdachte uiteindelijk hebben gekregen is onbekend gebleven.
Het hof merkt daarbij op dat het - los van de onduidelijkheid over hoeveel geld er vanuit de erfenis precies beschikbaar zou zijn gekomen - niet aannemelijk is dat de verdachte in de periode van 2018 tot en met 2021 nog beschikking zou hebben over een zodanig geldbedrag uit 2007 dat dit de legale herkomst van de in de tenlastelegging genoemde contante uitgaven zou kunnen verklaren. Ten aanzien van de erfenis afkomstig uit Suriname van de vader van de verdachte is geen enkel stuk ter onderbouwing aangeboden waardoor het openbaar ministerie dit deel van de verklaring niet heeft kunnen verifiëren.
Dat de verdachte legaal geld tot zijn beschikking had van erfenissen uit Suriname vindt het hof gelet op het voorgaande dan ook niet geloofwaardig.
Het hof gelooft gelet op het voorgaande niet dat de legale herkomst van het geld van de verdachte verklaard kan worden door 1) contant spaargeld van € 30.000,00 dat is verdiend met hulp bij cateringwerkzaamheden, 2) contant geld dat de verdachte kreeg van zijn vader die veel geld had vanwege zijn cateringwerkzaamheden en erfenissen en 3) contant geld dat de verdachte had gekregen afkomstig uit erfenissen in Suriname. Het hof is gelet op al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien dan ook van oordeel dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat de tenlastegelegde voorwerpen en geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Gelet op de periode waarin het witwassen heeft plaatsgevonden, de hoogte van de verschillende contante geldbedragen en de hoeveelheid handelingen die de verdachte heeft verricht, is het hof van oordeel dat hij daarvan een gewoonte heeft gemaakt.
Net als de rechtbank ziet het hof geen aanwijzingen voor medeplegen. Dit betekent dat de verdachte in zoverre zal worden vrijgesproken.
De verdachte zal ook worden vrijgesproken van de volgende onderdelen van de tenlastelegging:
  • de betaling van € 1.250,00 aan [bedrijf 2] , omdat deze betaling niet contant is voldaan.
  • de contante betaling van € 107,43 aan [bedrijf 3] . Er is geen jaartal zichtbaar op de bon, waardoor niet kan worden vastgesteld wanneer deze uitgave is gedaan.
  • de betaling van € 7.500,00 aan [bedrijf 4] van 1 juli 2021. Deze betaling valt buiten de tenlastegelegde periode.
  • de contante stortingen op de rekening van de vader van de verdachte met uitzondering van de hierna vermelde. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat bij het grootste gedeelte van de stortingen niet kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die deze bedragen heeft gestort. Bovendien worden deze geldbedragen niet vlak na de storting op de rekening van vader naar de bankrekening van de verdachte overgemaakt.
  • Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte ook moet worden vrijgesproken van het bedrag van € 12.500,00 dat is gestort op de rekening van de verdachte op 10 november 2020. Het overmaken van dit bedrag zou vooraf zijn gegaan door contante stortingen op de rekening van de vader van de verdachte. Uit het dossier blijkt geen duidelijk verband tussen eerdere contante stortingen in die periode en het overmaken naar de verdachte van dit bedrag, waardoor niet bewezen kan worden dat het bedrag van € 12.500,00 afkomstig is van een misdrijf.
De enige storting die het hof bewezen zal verklaren is het bedrag van € 9.000,00 dat op 4 juli 2019 vanaf de rekening van vader aan de verdachte werd overgemaakt, en wat vooraf werd gegaan - een half uur eerder - door een contante storting van € 10.000,00 op de rekening van de vader van de verdachte. Het kan volgens het hof niet anders zijn dan dat het de verdachte is geweest die het bedrag van € 10.000 op de rekening van zijn vader heeft gestort, om het overgrote deel (€ 9.000) vrijwel direct daarna daarvan op zijn eigen rekening te kunnen laten storten, mede nu op diezelfde dag, na de ontvangst van genoemde € 9.000, van de rekening van de verdachte aan [notariskantoor] (met omschrijving zaaknummer [nummer] ) een bedrag van € 8.090,96, werd overgemaakt. Het hof gaat er daarbij van uit dat genoemde storting en de overboeking door de vader de verdachte in de gelegenheid moest stellen de rekening van de notaris met witgewassen geld bancair (want contant is dat niet mogelijk) te kunnen betalen.
Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van gewoontewitwassen.

5.Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 10 oktober 2018 en met 23 juni 2021 in Nederland van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte telkens van onderstaande voorwerpen en/of geldbedragen:
  • geldbedragen totaal ad € 48.613,00 (betaalde facturen [bedrijf 5] )
  • geldbedragen totaal ad € 10.071,31 (betaalde aankopen [bedrijf 6] , [bedrijf 7] . [bedrijf 8] , [bedrijf 9] , [bedrijf 10] , [bedrijf 11] , [bedrijf 12] )
  • Melita koffie machine
  • iPad
  • een geldbedrag ad € 7.873.29 ( [bedrijf 13] )
  • een geldbedrag ad € 3.490,00 (aanbetaling aankoop BMW)
  • een geldbedrag ad € 51.000,00 (betaling aankoop Mercedes)
  • een contante storting op rekening [vader] ad € 9.400,00 (t.b.v. de aflossing [bedrijf 14] )
  • een contante geldstorting op rekening van [vader] ad € 9.000,00
  • contante geldstortingen op rekening van [verdachte] ad € 3.950
verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die goederen en/of geldbedragen zijn en/of
die geldbedragen en/of goederen voorhanden gehad en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt,
terwijl hij, verdachte, telkens wist dat bovenomschreven voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

6.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

7.Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

8.Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 3 (en dus ook de Opiumwet feiten) bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.
De raadsman heeft het hof verzocht aan de verdachte geen straf op te leggen gelet op het feit dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is. De verdachte is voor de Opiumwetfeiten al veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren en het nogmaals opleggen van een straf zou geen strafdoel meer dienen. Bovendien is de redelijke termijn overschreden.
Het hof zal beslissen dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd en neemt daarbij het volgende in beschouwing.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen over een periode van meer dan 2,5 jaar. Hij heeft met geld dat afkomstig is uit misdrijf verschillende goederen en diensten gekocht om zijn huis te verbouwen en in te richten. Ook heeft hij verschillende andere luxegoederen waaronder auto’s gekocht en een koffiemachine en iPads. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij door zich schuldig te maken aan witwassen geld dat afkomstig is uit misdrijven aan het zicht van justitie heeft onttrokken. Witwassen van crimineel geld vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.
Aan de verdachte is bij arrest van dit hof op 24 maart 2025 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 7 jaren in verband met het medeplegen van de invoer van 320 kilo cocaïne en de voorbereiding van verschillende (andere) cocaïnetransporten. Hiermee is artikel 63 Sr Pro van toepassing.
Gelet op de eerder aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, het tijdsverloop sinds het tenlastegelegde feit en het feit dat ook nog een ontnemingsvordering aan de orde is waarover bij arrest van heden tevens zal worden beslist, zal het hof aan de verdachte geen straf of maatregel meer opleggen. Het hof hecht eraan daarbij te benadrukken dat dit niets af doet aan de bijzondere ernst van het feit.
Het hof dat in een andere samenstelling arrest heeft gewezen ter zake van de feiten 1 en 2, heeft in dat arrest ook beslist tot teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen Mercedes AMG. Dat brengt het hof ertoe een beslissing daarover in dit arrest achterwege te laten.

9.BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. E. Mijnsberge en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. M.E. de Waard, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 februari 2026.