ECLI:NL:GHAMS:2026:4
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering voortzetting huurovereenkomst wegens ontbreken duurzame gemeenschappelijke huishouding
De kleindochter van een overleden huurster vorderde voortzetting van de huurovereenkomst van haar grootmoeder. Zij stelde dat zij sinds haar zestiende bij haar grootmoeder woonde en een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde. De kantonrechter wees de vordering af wegens onvoldoende bewijs van duurzame samenwoning.
In hoger beroep voerde de kleindochter aanvullende getuigenverklaringen en schriftelijke verklaringen aan, maar kon geen objectief bewijs overleggen dat zij vóór 2017 in de woning woonde. Het hof oordeelde dat de verklaringen van buren en de eigen brief van de kleindochter, waarin zij aangaf pas in 2017 te zijn ingetrokken, zwaarder wegen dan de verklaringen van vrienden en kennissen.
Het hof stelde vast dat de kleindochter vanaf 2017 mantelzorg verleende, maar dat de samenwoning vanwege de hoge leeftijd en slechte gezondheid van de grootmoeder niet duurzaam kon worden geacht. De vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst werd daarom afgewezen. De kosten van het hoger beroep werden aan de kleindochter opgelegd.
Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst wordt afgewezen wegens ontbreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.