Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:382

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
23-002155-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38z SrArt. 51f SvArt. 57 SrArt. 151 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor doodslag en het verbranden en wegvoeren van het lichaam van echtgenote

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor twee feiten: het opzettelijk doden van zijn echtgenote door haar gedurende langere tijd de adem te ontnemen, en het verbranden en wegvoeren van haar lichaam met het oogmerk het overlijden te verhullen. Het hof sprak verdachte vrij van moord wegens gebrek aan bewijs voor voorbedachte rade.

Forensisch pathologisch onderzoek toonde aan dat het slachtoffer is overleden door samendrukkend geweld op de hals en/of het afsluiten van mond en neus, waarbij de verdachte de enige andere aanwezige was. De verdediging stelde dat het overlijden een ongeluk was en dat verdachte geen opzet had, maar het hof verwierp deze scenario's als ongeloofwaardig en niet in overeenstemming met de bevindingen.

De verdachte heeft het lichaam deels verbrand en heimelijk vervoerd om het overlijden te verhullen. De rechtbank had verdachte veroordeeld tot 10 jaar gevangenisstraf en een gedragsmaatregel, maar het hof legde een hogere straf van 12 jaar op en zag geen aanleiding voor een gedragsmaatregel vanwege een laag recidiverisico.

De nabestaanden vorderden immateriële schadevergoeding voor affectieschade en schokschade. Het hof wees de affectieschade toe aan de zoons en moeder van het slachtoffer, maar wees de vordering tot schokschade af wegens gebrek aan objectief vastgesteld geestelijk letsel.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht, waarbij het de verdachte veroordeelde tot 12 jaar gevangenisstraf en de schadevergoedingen toekende.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf voor doodslag en het verbranden en wegvoeren van het lichaam van zijn echtgenote.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002155-24
datum uitspraak: 18 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 september 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-098602-23 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,
adres: [adres] ,
thans gedetineerd in [detentieadres].

1.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
26 januari 2026, 27 januari 2026 en 18 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, zijn raadslieden en de advocaat van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
feit 1.hij in of omstreeks de periode van 9 april 2023 tot en met 12 april 2023 te [plaats] , [gemeente] , in elk geval in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte
  • de keel en/of hals van die [slachtoffer] dicht geknepen en/of dicht gedrukt en/of
  • (vervolgens) de keel en/of hals dicht geknepen gehouden/of dicht gedrukt gehouden, althans samendrukkend en/of samenknijpend geweld uitgeoefend op de keel/hals van die [slachtoffer] en/of
  • de mond en/of neus van die [slachtoffer] dichtgehouden en/of bedekt,
althans op enigerlei wijze de zuurstoftoevoer voor die [slachtoffer] gedurende lange(re) tijd afgesloten waardoor die [slachtoffer] geen/onvoldoende lucht en/of zuurstof heeft kunnen krijgen (mede) ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
feit 2.hij in of omstreeks de periode van 9 april 2023 tot en met 12 april 2023 te [plaats] , [gemeente] en/of (elders) in Nederland, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , heeft verbrand en/of weggevoerd, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, door met dat oogmerk genoemd stoffelijk overschot te overgieten en/of te besprenkelen met benzine, althans een brandbare stof en/of (vervolgens) dat stoffelijk overschot in brand te steken en/of genoemd stoffelijk overschot in een auto te vervoeren naar een -afgelegen- locatie.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3.Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

4.Bewijsoverwegingen

4.1.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het onder 1 impliciet subsidiair (doodslag) tenlastegelegde wordt bewezenverklaard. Voorbedachte rade kan niet worden bewezen, zodat de verdachte van moord dient te worden vrijgesproken. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het onder 2 tenlastegelegde wordt bewezenverklaard.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de verdachte van beide feiten vrij te spreken.
Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging aangevoerd dat geen sprake is van voorbedachte rade, zodat moord niet bewezen kan worden.
Voorts was ook geen sprake van doodslag, nu de verdachte geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van zijn echtgenote (hierna: het slachtoffer). Hetgeen in de schuur is gebeurd was een ongeluk. Ook is de verdediging ingegaan op de mogelijke doodsoorzaken die de patholoog heeft genoemd.
Ten eerste dient de verdachte vrij te worden gesproken van het tenlastegelegde dichtknijpen en/of dichtdrukken van de keel althans het uitoefenen van samendrukkend en/of samenknijpend geweld op de keel of hals van het slachtoffer, omdat het waargenomen letsel daar niet bij past. Zo ligt het in de rede dat er bijvoorbeeld drukpunten, of in ieder geval meer letsels in de hals van het slachtoffer zouden zijn gevonden. Ook zou het aannemelijk zijn dat het slachtoffer zich tegen een dergelijke verwurging zou hebben verzet, waarvoor geen aanwijzingen zijn.
Ten tweede heeft de verdachte niet bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou overlijden, indien het slachtoffer is overleden door een krachtinwerking op haar borst (versmachten), door op haar te blijven liggen en haar ademhaling te belemmeren. Het is een aannemelijk scenario dat de verdachte hiermee per ongeluk haar dood heeft doen intreden.
Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat – indien het slachtoffer is overleden, of een bijdrage aan haar dood is geleverd door een krachtinwerking op haar neus en/of mond (smoren) – het geen onaannemelijk scenario is dat het slachtoffer door het geven van de mond-op-mondbeademing geen lucht meer kreeg en haar ademwegen werden afgesloten. Het is ook mogelijk dat, doordat de verdachte op het slachtoffer is blijven liggen, een krachtinwerking op de neus en/of mond van het slachtoffer ontstond omdat haar gezicht tegen het lichaam van cliënt werd aangedrukt en dus op die manier haar ademwegen werden afgesloten. Ook daarmee heeft de verdachte niet bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou overlijden.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte niet het oogmerk had om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van het slachtoffer te verhelen, omdat hij bij alle handelingen met haar stoffelijk overschot de intentie had om – in bijzijn van het slachtoffer – zelfmoord te plegen.
4.3.
Overwegingen van het hof
4.3.1.
Vrijspraak van moord
Het hof is – overeenkomstig de standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging – van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 (impliciet primair) tenlastegelegde moord, omdat voorbedachte rade niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.
4.3.2.
Feiten en omstandigheden ten aanzien van feiten 1 en 2
Op grond van de bewijsmiddelen [1] stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast.
4.3.2.1.
Observaties en aantreffen lichaam
Op 11 april 2023 omstreeks 10.30 uur is de verdachte naar het politiebureau in [plaats 2] gegaan, alwaar hij melding maakte van de vermissing van zijn echtgenote [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer). [2] Ook de werkgever, de moeder van het slachtoffer en een vriend van het slachtoffer hebben de politie laten weten dat zij al enige tijd geen contact meer hadden met het slachtoffer. [3] De politie is daarop een onderzoek gestart en heeft vanaf 12 april 2023 de woning van de verdachte en het slachtoffer te [plaats] geobserveerd. [4] Ook zijn de beelden van een camera, gericht op die woning bekeken. [5] De politie heeft het volgende waargenomen. Op 12 april 2023 stond op de oprit voor de woning een Seat voorzien van kenteken [kenteken] . Om 17.48 uur zette de verdachte een groene kliko [afvalbak] tussen de auto en de zijmuur van de woning. Om 18.40 uur liep de verdachte gebukt en leek hij iets vooruit te duwen, hetgeen hij achter de kliko neerzette. De auto zakte iets naar beneden. De verdachte sloot de achterklep en duwde een kar of kruiwagen voort. Daarmee ging hij de zijdeur van de woning binnen. Om 18.46 uur kwam de verdachte uit de woning. Hij stapte in de voornoemde Seat en reed weg. Om 19.18 uur werd de Seat weer op de oprit voor de woning geparkeerd. Om 20.19 uur heeft de politie de woning doorzocht. Bij die doorzoeking is omstreeks 21.40 uur de achterbak van de eerder genoemde Seat geopend. Daarin is een gedeeltelijk ontkleed lichaam aangetroffen. [6] Uit een DNA-verwantschapsonderzoek is gebleken dat de overleden persoon [slachtoffer] kan zijn. [7] Vanwege de resultaten van het DNA-verwantschapsonderzoek, de hierna te noemen verklaringen van de verdachte en het gegeven dat deze omstandigheid verder niet ter discussie staat, concludeert het hof dat het aangetroffen lichaam het slachtoffer betreft.
4.3.2.2.
Forensische bevindingen
Aan het lichaam van het slachtoffer is door forensisch patholoog [naam] forensisch pathologisch onderzoek verricht, waarover zij op 23 oktober 2023 een rapport heeft opgemaakt. [8] In het rapport staan de navolgende vaststellingen die bij de schouwing zijn gedaan.
- Het lichaam van het slachtoffer toonde brandschade aan de voorzijde, de rechterzijde van de buik en de buitenzijde van de linkerarm en het linkerbeen. Op de rugzijde was verspreid huidloslating. De huid van de hals toonde voorts uitgesproken brandschade. [9] De deskundige heeft ter terechtzitting in hoger beroep nader toegelicht dat aan de voorzijde van de hals sprake was van zwartblakering, verledering en verkoling. [10]
- Rond de mond en aan de lippen waren oppervlakkige huidbeschadigingen en er waren bloeduitstortingen en slijmvliesbeschadigingen aan de linker mondhoek en in het mondslijmvlies van de lippen. De neus toonde een oppervlakkige huidbeschadiging en bloeduitstorting. Het neusbeen was intact. De deskundige concludeert dat het letsel aan de neus en mond het gevolg is van stomp botsende, schavende en/of (met de handen of een structuur) (samen)drukkende krachtinwerking. [11] De deskundige heeft ter terechtzitting in hoger beroep over dit letsel het volgende nader toegelicht:
“Van de neus en de mond zijn huidbiopten afgenomen en microscopisch onderzocht. Daarop waren nog geen ontstekingscellen aanwezig die de verwonding helpen te genezen. Dergelijke cellen kunnen op zijn vroegst na 30 minuten na het oplopen van het letsel worden aangetroffen. Het slachtoffer heeft na het verkrijgen van het letsel dus niet lang genoeg geleefd om die genezingsreactie op te doen treden. Hetzelfde geldt voor de hoofdhuid.” [12]
- In het slijmvlies van het slokdarmhoofd was een bloeduitstorting. [13] Dat letsel zat meer specifiek in het slokdarmhoofd, ter hoogte van de adamsappel. [14]
  • De linker oogleden toonden een paarse huidverkleuring. Aan de linker oogbindvliezen waren enkele stip- tot vlekvormige bloeduitstortingen.
  • Er waren oppervlakkige huidbeschadigingen en bloeduitstortingen aan de achterzijde van de schouders en stuit. In de diepere rugspieren rechts en (minder uitgesproken) in de spier(vliez)en van de voorste rompwand waren bloeduitstortingen; er waren geen ribbreuken.
  • Er waren bloeduitstortingen in de hoofdhuid.
- Er waren oppervlakkige huidbeschadigingen en/of bloeduitstortingen aan de ledematen. [18] De deskundige heeft hierover ter terechtzitting desgevraagd nader verklaard. Gezien de mate en de locatie van de bloeduitstorting is de grote bloeduitstorting bij de linker elleboog bij leven opgelopen. [19] De letsels aan de ledematen zijn bij leven ontstaan en veroorzaakt door een stomp botsende krachtinwerking. Voor het letsel op de rug en stuit is ook een drukkende kracht mogelijk. [20]
- In de luchtwegen was geen roetafzetting en de slijmvliezen waren intact. In de slokdarm en maag was geen roet. [21]
In het sectierapport staat de conclusie van het neuropathologisch onderzoek vermeld, namelijk: “Het neuropathologisch onderzoek van de hersenen toont kort voorafgaande aan en/of in het kader van het overlijden opgetreden hypoxische/ischemische beschadiging van ganglioncellen”. [22] Volgens de forensisch patholoog is dat kortweg te vertalen als hersenschade door zuurstoftekort. [23] Voorts zijn geen aanwijzingen voor traumatische hersenbeschadiging en geen ziekelijke veranderingen [in de hersenen] aangetroffen. Ook is toxicologisch onderzoek uitgevoerd, waarin de conclusie is getrokken dat een bijdrage van ethanol, geneesmiddelen, drugs, bestrijdingsmiddelen en/of koolmonoxide aan het overlijden van het slachtoffer niet kan worden geconcludeerd en het overlijden daardoor niet kan worden verklaard. [24]
De brandschade heeft het letselonderzoek bemoeilijkt. [25] De deskundige heeft ter terechtzitting nader toegelicht dat de huid van de voorzijde van de hals door de mate van verbranding niet meer te beoordelen was. [26]
De deskundige komt tot de conclusie dat het overlijden van het slachtoffer kan worden verklaard als gevolg van (samendrukkende) krachtinwerking ter hoogte van de neus en mond (en romp) en/of hals. Een andere oorzaak van het overlijden is niet gebleken. Er zijn geen aanwijzingen dat het slachtoffer nog in leven was ten tijde van de brand. [27]
Gevraagd naar verduidelijking van haar conclusie, heeft de deskundige ter terechtzitting verklaard dat zij ‘romp’ tussen haakjes heeft geschreven omdat de geïsoleerde druk van een lichaamsgewicht op de romp, waardoor de ademhaling wordt beperkt, op zichzelf het overlijden niet kan verklaren; daarvoor moet de genoemde druk op de romp in combinatie met iets anders hebben plaatsgevonden. Daarmee wordt een druk op de borstkas gecombineerd met het afsluiten van de ademwegen bedoeld. De druk op enkel de romp geeft haar inziens geen verklaring voor het overlijden. [28] Ook heeft zij verklaard dat er geen forensisch-pathologische aanwijzingen zijn voor bewustzijnsverlies. Het hoofdletsel is niet uitgebreid en neuropathologisch onderzoek heeft geen traumatische afwijkingen aangetoond. [29]
4.3.2.3.
Verklaringen van de verdachte
Op basis van de verklaringen van de verdachte stelt het hof vast dat de verdachte en het slachtoffer in de avond van zondag 9 april 2023 een woordenwisseling hebben gehad. Ook heeft de verdachte die avond de telefoon van het slachtoffer afgepakt. In de ochtend van 10 april 2023 is het slachtoffer naar de schuur behorend bij de woning gegaan. De verdachte is toen achter haar aan gegaan en ook de schuur ingelopen. In de schuur is het slachtoffer, in het bijzijn van de verdachte, overleden. Daarop volgend heeft de verdachte haar lichaam in een kruiwagen gelegd. [30] Die avond rond 22.00 uur heeft de verdachte de kruiwagen met het lichaam van het slachtoffer in de tuin gezet, een doek in benzine gedrenkt en lucifers gepakt. De doek heeft hij over het slachtoffer gelegd en aangestoken, waarna een hele grote steekvlam ontstond. Daarna heeft de verdachte het lichaam van het slachtoffer laten afkoelen, in de kruiwagen in een zeil gevouwen en de kruiwagen met het lichaam in de schuur gezet. [31] Op woensdagavond 12 april 2023 heeft de verdachte de kliko expres neergezet om het zicht te ontnemen. Rond 18.37 uur heeft hij het slachtoffer vanuit de kruiwagen in de kofferbak gelegd. Daarbij had hij de kofferbak bekleed met een deken, om te voorkomen dat onder meer bloed in de kofferbak terecht zou komen. [32] Daarop is de verdachte met de auto naar het [naam] gereden. Hij wilde het lichaam daar neerleggen. Er stonden daar allemaal auto's en er liepen veel mensen, dus ‘dat plekje ging niet door’. Daarop is de verdachte vanuit het [naam] terug naar huis gereden. [33]
4.3.3.
Overwegingen ten aanzien van feit 1
4.3.3.1.
Scenario van de verdachte
De verdachte is meermalen bij de politie verhoord en heeft ook ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaringen afgelegd over wat er volgens hem in de schuur heeft plaatsgevonden. Alhoewel de inhoud van deze verklaringen enigszins wisselt, komt het scenario van de verdachte op het volgende neer.
Toen de verdachte de schuur binnenkwam, stond het slachtoffer met haar rug naar hem toe. De verdachte heeft het slachtoffer van achteren vastgepakt, door zijn armen om haar middel heen te doen. Het slachtoffer rukte zich ineens los en daarop viel zij voorover op haar gezicht op de grond, waarna de verdachte bovenop de rug van het slachtoffer viel. Het slachtoffer had ten gevolge van de val een bloedend gezicht en bleef roerloos liggen. De verdachte heeft aan de schouders van het slachtoffer geschud, maar zij reageerde niet en daarop draaide de verdachte haar om. Hij voelde in de hals van het slachtoffer geen hartslag. De verdachte heeft het slachtoffer daarop mond-op-mondbeademing gegeven, door haar neus stevig dicht te knijpen en lucht in haar mond te blazen. Toen dat niets opleverde, is de verdachte enige tijd op het lichaam van het slachtoffer blijven liggen en heeft hij gebeden dat zij weer wakker zou worden. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte nog de – nieuwe – mogelijkheid geopperd dat hij, terwijl hij op het slachtoffer lag, met zijn arm op de keel van het slachtoffer heeft gedrukt terwijl hij aan het bidden was.
4.3.3.2.
Overwegingen van het hof
Het hof vindt de uiteenlopende verklaringen die de verdachte zelf geeft over de mogelijke oorzaken van het intreden van de dood van het slachtoffer in het licht van de onderzoeksbevindingen ongeloofwaardig. De bepleite scenario’s laten zich niet logisch verklaren aan de hand van de forensisch-pathologische bevindingen en passen daar niet bij. In dit verband overweegt het hof meer specifiek het volgende.
De verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer voorover op haar gezicht op de betonnen vloer is gevallen, waarna zij niet meer reageerde, hetgeen, zo begrijpt het hof, zou betekenen dat zij toen ofwel buiten bewustzijn, ofwel reeds overleden was. Uit het forensisch pathologisch onderzoek is van een dergelijke val echter niet gebleken: zo was het letsel op de schedel aangetroffen op het achterhoofd van het slachtoffer en niet op haar voorhoofd. Uit de verklaring die de forensisch patholoog ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd blijkt dat bij een voorwaartse val letsel wordt verwacht op de hoedrand (het voorhoofd) en mogelijk op uitstekende delen van het gelaat, zoals de neus en wenkbrauwboog. Bij het slachtoffer was weliswaar sprake van een bloeduitstorting aan de neusbrug, hetgeen bij een stomp botsende krachtinwerking kan passen, maar voor het overige zijn de te verwachten letsels niet bij het slachtoffer aangetroffen en het aangetroffen letsel op de mond past juist niet bij een voorwaartse val. Daar komt bij dat de deskundige ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat er geen forensisch-pathologische aanwijzingen zijn gevonden voor bewustzijnsverlies, omdat het hoofdletsel niet uitgebreid is en het neuropathologische onderzoek geen traumatische afwijkingen toont. Verder blijkt uit het forensisch pathologisch onderzoek dat het overlijden op basis van de krachtinwerking op het hoofd niet verklaard kan worden. Dit maakt dat het hof de verdachte niet gelooft, daar waar hij heeft verklaard dat het slachtoffer voorover op haar gezicht/hoofd is gevallen en niet meer reageerde. Daarmee gaat het hof ook voorbij aan hetgeen de verdachte over de verdere gang van zaken in de schuur heeft verklaard, te weten het geven van mond-op-mondbeademing aan het slachtoffer en het vervolgens langere tijd op het lichaam van het slachtoffer liggen, nu daarbij steeds wordt uitgegaan van de situatie dat het slachtoffer als gevolg van een val óf buiten bewustzijn óf reeds overleden was.
Met betrekking tot het door de verdediging geschetste scenario dat het slachtoffer mogelijk is overleden door een onjuist uitgevoerde mond-op-mondbeademing merkt het hof nog het volgende op. De verdachte heeft in het politieverhoor van 15 april 2024 verklaard dat hij ‘niet lang’ in de neus van het slachtoffer heeft geknepen en dat hij dit drie of vier keer heeft gedaan. Aldus is niet gebleken dat hij hierbij op enig moment de neus en mond minutenlang aanhoudend zou hebben afgesloten, zoals bij versmoring nodig is (blijkens de aanvullende brief van de forensisch patholoog, procesdossier pagina 173 e.v.).
Met betrekking tot het door de verdediging geschetste scenario dat het slachtoffer mogelijk is overleden doordat de verdachte het slachtoffer heeft versmacht door gedurende langere tijd op haar te liggen merkt het hof nog het volgende op. Uit de verklaring die de forensisch patholoog ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, is gebleken dat de geïsoleerde druk van een lichaamsgewicht op zichzelf het overlijden niet kan verklaren; daarvoor moet de druk op de romp in combinatie met het afsluiten van de ademwegen hebben plaatsgevonden. De verdediging heeft betoogd dat dit het geval kan zijn geweest doordat de verdachte, terwijl hij op het slachtoffer lag en voor haar aan het bidden was, zijn arm op de keel van het slachtoffer zou hebben gehouden. Nog daargelaten dat de verdachte pas ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij ‘misschien’ zijn arm op haar keel hield, acht het hof het volstrekt onaannemelijk dat de verdachte dit met zodanige kracht en met zodanige duur heeft gedaan dat hij haar daarmee per ongeluk en ongemerkt om het leven zou hebben gebracht. De verdediging heeft daarnaast nog betoogd dat de ademwegen van het slachtoffer hierbij konden zijn afgesloten doordat haar gezicht tegen het lichaam van de verdachte werd aangedrukt. Deze suggestie schuift het hof ook terzijde, nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep expliciet heeft verklaard niet op het gezicht van het slachtoffer te hebben gelegen. Ook in eerdere verklaringen heeft de verdachte dit niet gesteld en steeds verklaard dat hij met zijn hoofd naast het hoofd of op de borst van het slachtoffer zou hebben gelegen.
Het hof volgt de verdediging evenmin in de stelling dat het dichtknijpen en/of dichtdrukken van de keel of hals van het slachtoffer, althans het uitoefenen van samendrukkend en/of samenknijpend geweld niet bewezen kan worden omdat het waargenomen letsel daar niet bij past. De forensisch patholoog heeft ter terechtzitting in hoger beroep immers verklaard dat het niet zo is dat bepaalde letsels (zoals de door verdediging genoemde drukpunten) aanwezig moeten zijn om met zekerheid van een verwurging van de hals te spreken. Bovendien was de huid van de hals zodanig verbrand dat daarop geen letsel meer te zien was. Tot slot past de aangetroffen bloeduitstorting in het slijmvlies van het slokdarmhoofd goed bij deze doodsoorzaak.
Daarnaast overweegt het hof nog dat, zelfs in het geval er wel van uit wordt gegaan dat de verdachte mond-op-mondbeademing heeft toegepast en/of (biddend) op het lichaam van het slachtoffer heeft gelegen, er daarmee geen enkele verklaring wordt geboden voor het overig aangetroffen letsel, zoals het letsel aan de romp en ledematen en de bloeduitstortingen aan de achterzijde van de schouders en de stuit. Ook de verklaring van de verdachte dat hij na het overlijden van het slachtoffer hardhandig met het lichaam is omgegaan geeft geen verklaring voor dit letsel. De deskundige heeft immers vastgesteld dat (een deel van) dit letsel bij leven is ontstaan.
Op basis van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat het slachtoffer in de schuur is overleden door het dichtdrukken van de hals en/of het dichthouden van mond en neus, althans het op enigerlei wijze afsluiten van de zuurstoftoevoer en dat de verdachte degene is geweest die deze krachtinwerking heeft uitgeoefend. Hij was immers, naast het slachtoffer, de enige andere aanwezige in de schuur op het moment van overlijden van het slachtoffer. Het hof is van oordeel dat de verdachte zodanige handelingen bij het slachtoffer heeft verricht dat hij de volle opzet moet hebben gehad op de dood van het slachtoffer. Daartoe overweegt het hof dat de verdachte door een (samendrukkende) krachtinwerking ter hoogte van de hals en/of de mond en de neus van het slachtoffer de zuurstoftoevoer naar de hersenen gedurende langere tijd heeft afgesloten, waardoor het slachtoffer is overleden. Dit langdurige blokkeren van de zuurstoftoevoer kan niet iets zijn wat de verdachte per ongeluk kan hebben gedaan. Het hof acht verdachtes verklaringen ook daaromtrent ongeloofwaardig.
Gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, staat met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid vast dat de verdachte het slachtoffer dusdanig lang de mogelijkheid tot ademen heeft benomen dat hij haar opzettelijk van het leven heeft beroofd.
De verweren worden dan ook verworpen en het hof acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen.
4.3.4.
Overwegingen ten aanzien van feit 2
4.3.4.1.
Scenario van de verdediging
De verdachte en zijn raadslieden hebben aangevoerd dat de verdachte niet het oogmerk had om het feit, dan wel de oorzaak van het overlijden van het slachtoffer te verhelen. Vanaf het moment dat het slachtoffer niet meer reageerde en dood bleek te zijn door het ongeluk, verkeerde de verdachte in een staat van paniek en was hij in de war. Het enige waar hij nog aan kon denken, was het plegen van zelfmoord. Alles wat hij na haar dood met het lichaam van het slachtoffer heeft gedaan, stond in dat teken: hij wilde brandend met het slachtoffer de wereld verlaten en later is hij met de intentie om zelfmoord te plegen met het lichaam van het slachtoffer naar het [naam] gereden.
4.3.4.2.
Overwegingen van het hof
Het hof acht de stelling van de verdachte, dat al zijn handelen waren gericht op het plegen van zelfmoord, op basis van de navolgende omstandigheden ongeloofwaardig.
Er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte een einde aan zijn leven wilde maken. Integendeel: de verdachte heeft een lijstje gemaakt met abonnementen en afspraken van het slachtoffer – en niet van hemzelf – die geannuleerd moesten worden, hij heeft bij de werkgever van het slachtoffer een jaaropgave van het slachtoffer opgevraagd ten behoeve van de belastingaangifte en hij besprak met familieleden de mogelijkheid van een nieuwe liefdesrelatie. De spijkerbroek die hij tijdens het overlijden van het slachtoffer droeg, bewaarde de verdachte naar eigen zeggen om later als klusbroek te gebruiken. Ook heeft de verdachte de kofferbak van zijn auto bekleed met dekens, zodat daar geen bloed in kwam. Het hof ziet dit allemaal niet als handelingen van iemand die in staat van paniek/verwarring was en een einde aan zijn leven wil maken.
Daarnaast geldt dat de handelingen die de verdachte met het lichaam van het overleden slachtoffer heeft verricht naar hun uiterlijke verschijningsvorm juist zijn verricht met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen. Hij heeft immers het lichaam (deels) verbrand. Het hof kan zich daarbij niet aan de indruk onttrekken dat het niet toevallig is dat juist bij de hals sprake is van uitgesproken brandschade, nu het onderzoeken van de doodsoorzaak hierdoor is bemoeilijkt. De verdachte heeft daarnaast het overlijden enkele dagen verborgen gehouden, door tegen familie, kennissen en de politie te zeggen dat het slachtoffer was wegegaan. Hij heeft in die tijd het deels verbrande lichaam van het slachtoffer in een kruiwagen in de schuur laten liggen en afgedekt met een zeil. Vervolgens heeft hij het lichaam heimelijk in de achterbak van zijn auto geplaatst en vervoerd naar het [naam] , met het doel om het daar achter te laten.
Daarmee worden de gevoerde verweren verworpen en acht het hof ook feit 2 wettig en overtuigend bewezen.
4.3.5.
Overweging met betrekking tot contra-expertise
De verdediging heeft bij schriftuur verzocht om een tegenonderzoek te verrichten met betrekking tot het (neuro)pathologisch rapport van de forensisch patholoog. Op de regiezitting van 5 februari 2025 is dit verzoek afgewezen, omdat de noodzaak hiervan niet is gebleken. Als aanvulling hierop overweegt het hof als volgt. De verdediging is in de gelegenheid gesteld om de forensisch deskundige ter terechtzitting in hoger beroep vragen te stellen en heeft zo de juistheid en betrouwbaarheid van dat onderzoek kunnen toetsen. Mede gelet daarop is de procedure als geheel eerlijk en is sprake van een
fair trialals bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het hof heeft ook overigens geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de sectiebevindingen te twijfelen.

5.Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1.hij op 10 april 2023 te [plaats] , [gemeente] , [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte
  • de hals van die [slachtoffer] dicht gedrukt en/of
  • de hals dicht gedrukt gehouden, althans samendrukkend geweld uitgeoefend op de hals van die [slachtoffer] en/of
  • de mond en neus van die [slachtoffer] dichtgehouden,
althans op enigerlei wijze de zuurstoftoevoer voor die [slachtoffer] gedurende langere tijd afgesloten waardoor die [slachtoffer] onvoldoende zuurstof heeft kunnen krijgen ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
feit 2.hij in de periode van 10 april 2023 tot en met 12 april 2023 in Nederland, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , heeft verbrand en weggevoerd, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, door met dat oogmerk genoemd stoffelijk overschot te overgieten met benzine, dat stoffelijk overschot in brand te steken en genoemd stoffelijk overschot in een auto te vervoeren naar een locatie.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

6.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
doodslag.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
een lijk verbranden en wegvoeren met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

7.Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

8.Oplegging van straf (en/of maatregel)

8.1.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft feit 1 in verminderde mate aan de verdachte toegerekend. De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 (doodslag) en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest. Daarnaast is hem een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als genoemd in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: GVM) opgelegd.
8.2.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 verminderd aan de verdachte dient te worden toegerekend. Zij heeft gevorderd dat de verdachte voor feit 1 (doodslag) en feit 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van voorarrest.
Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte een GVM wordt opgelegd. Zij vindt het van groot belang dat de mogelijkheid van toezicht op de verdachte na de beëindiging van zijn gevangenisstraf wordt opengehouden. De psychische problematiek bij de verdachte, waarover de gedragsdeskundigen hebben geadviseerd, is onverkort aanwezig, terwijl de verdachte geen inzicht heeft in zijn gedrag en problematiek en herhaaldelijk heeft aangegeven in de toekomst een nieuwe relatie aan te willen gaan. Ook lijkt de verdachte geen realistisch beeld te hebben over hoe zijn leven na de gevangenisstraf eruit zal zien, terwijl de stabiliteit op het gebied van dagbesteding, huisvesting en financiën dan is weggevallen. De advocaat-generaal acht het opleggen van de GVM dan ook noodzakelijk, zodat het beslismoment over de vraag of er langdurige hulp nodig is in ieder geval verlegd wordt tot na de detentie. Juist gelet op de zorgen die er leven kan niet nu al beslist worden dat na een langdurige detentie geen forensisch kader nodig is, terwijl volstrekt onbekend is hoe de situatie van de verdachte tegen die tijd zal zijn.
8.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft het hof verzocht bij het opleggen van een straf rekening te houden met de omstandigheden dat de verdachte
first offenderis en dat feit 1 in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. Daarnaast is verzocht de verdachte, gelet op de in hoger beroep gegeven adviezen van de psychiater, psycholoog en reclassering, geen begeleidings- en/of behandelmaatregel op te leggen.
8.4.
Oordeel van het hof
8.4.1.
Inleiding
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
8.4.2.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zijn echtgenote opzettelijk om het leven gebracht door haar gedurende langere tijd de adem te ontnemen. Hij heeft haar het belangrijkste recht dat een mens heeft, het recht op leven, afgenomen. Hiermee heeft hij zich schuldig gemaakt aan doodslag, één van de zwaarste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Dergelijke misdrijven veroorzaken een ernstige schok voor de rechtsorde en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, met name in de huidige context waarin meer aandacht wordt besteed aan zaken waarin mannen hun echtgenoot bij relatieproblemen om het leven brengen. Het handelen van de verdachte lijkt immers beïnvloed te zijn geweest door de angst dat zijn echtgenote hem zou verlaten, iets wat hij kennelijk niet kon verdragen, zoals blijkt uit de hierna te noemen conclusies van de gedragsdeskundigen. In plaats van op een redelijke manier met zijn angst om te gaan, zoals van eenieder verwacht mag worden, heeft de verdachte zichzelf en zijn emoties niet in de hand gehouden en op een onomkeerbare wijze gehandeld.
De verdachte heeft niet alleen het leven van zijn echtgenote afgenomen, maar ook het leven van hun beider zoons onherstelbare schade toegebracht. Zij moeten hun leven leiden in de wetenschap dat hun moeder door hun eigen vader om het leven is gebracht. De pijn en verdriet die dit gegeven veroorzaakt, wordt geïllustreerd door de indringende slachtofferverklaring die één van de zoons van de verdachte, [naam 2] , ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd. Hij heeft onder andere verklaard: “
De rest van ons leven zal nooit meer hetzelfde zijn. Alles wat ik mee mag maken in de toekomst moet ik doen zonder ouders. Mocht ik ooit kinderen mogen krijgen word ik hier weer aan herinnerd. Mocht ik ooit mogen trouwen word ik hier weer aan herinnerd. Ik heb mijn vader nog wel maar ja die man herken ik eigenlijk niet eens meer. Hij is niet meer de vader die ik vroeger altijd gekend heb”.
Ook ná de dood van het slachtoffer heeft de verdachte niet aan zijn echtgenote of de nabestaanden gedacht, maar alleen aan zichzelf. Hij heeft het stoffelijk overschot van het slachtoffer in de tuin in brand gestoken en, enkele dagen later, vervoerd naar een andere locatie, met de bedoeling om het lichaam te onttrekken aan de opsporing. Hiermee heeft de verdachte de waarheidsvinding bemoeilijkt en getracht zijn aandeel in de dood van het slachtoffer te verhelen. Bovendien heeft de verdachte het lichaam van het slachtoffer op een volstrekt respectloze en onterende wijze behandeld en ernstig beschadigd.
Met zijn handelen na de overlijden van het slachtoffer heeft de verdachte het leed van de nabestaanden alleen maar verder vergroot. Direct na de dood van het slachtoffer heeft de verdachte familieleden en andere kennissen misleid door te zeggen dat het slachtoffer met een onbekende bestemming was vertrokken en hen zo in onzekerheid gelaten, wetende dat haar lichaam in werkelijkheid dagenlang en (voor een gedeelte van die tijd) in verbrande toestand in een kruiwagen in de schuur lag. Tekenend is het beeld dat de verdachte enkele meters van het lichaam vandaan met zijn onwetende zoons en moeder een paasbrunch heeft gehouden. Eén van zijn zoons, [naam 3] , moet voorts leven met de wetenschap dat hij vanuit zijn slaapkamerraam heeft gezien dat zijn vader het lichaam van zijn moeder in de tuin in brand heeft gestoken, waarvan hij pas achteraf op de hoogte is geraakt. Illustratief voor het (extra) leed dat de verdachte door het verbranden van het lichaam van zijn echtgenote heeft veroorzaakt, is de navolgende verklaring die [naam 2] ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd: “
Toen ik een telefoontje kreeg van de politie vertelden zij mij dat mijn moeder niet meer te identificeren was. (…) Er moest een DNA-test gedaan worden om zeker te weten dat het mijn moeder is. Toen het 100 procent zeker mijn moeder was konden we afscheid nemen. Wel met een gesloten kist omdat ze zo erg toegetakeld zou zijn dat ze niet meer te herkennen was (…). Afscheid nemen is al heel moeilijk. Laat staan met een dichte kist en dat ik niet zeker wist of mijn moeder er wel in lag. (…) Enkele maanden later mocht ik eindelijk een fotoschouw doen en toen herkende ik mijn moeder. Ik heb gezien hoe mijn moeder er uit zag na de brand.
8.4.3.
Persoon van de verdachte
8.4.3.1.
Toerekening van de feiten
Ten behoeve van de beantwoording van de vraag of en in hoeverre de feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend, heeft het hof gelet op de gedragsdeskundige rapportages die ten aanzien van de verdachte zijn opgemaakt. In het bijzonder heeft het hof acht geslagen op het navolgende.
Psycholoog [naam 4] en psychiater [naam 5] hebben op respectievelijk 5 juni 2025 en
18 juni 2025 zogenoemde Pro Justitia-rapporten opgesteld. Zij komen daarin tot soortgelijke conclusies. Zij hebben – samengevat en voor zover van belang – het volgende gerapporteerd en geadviseerd:
  • bij de verdachte is sprake van een persoonlijkheidsstoornis. De psycholoog beschrijft deze als een persoonlijkheidsstoornis met dwangmatige, afhankelijke en vermijdende trekken. Volgens de psychiater is sprake van een ‘cluster C persoonlijkheidsstoornis’ met dwangmatige, afhankelijke vermijdende trekken;
  • van de stoornis was sprake ten tijde van de tenlastegelegde feiten;
  • de stoornis beïnvloedde de gedragingen en gedragskeuzes van de verdachte ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde (mits bewezen). Vanwege zijn dwangmatige, afhankelijke en ontwijkende persoonlijkheidstrekken kon de verdachte het idee niet verdragen dat zijn echtgenote hem zou verlaten;
  • geadviseerd wordt feit 1 in (hoogstens) een verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen;
  • de stoornis beïnvloedde de gedragingen van de verdachte ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde (mits bewezen) daarentegen niet en geadviseerd wordt feit 2 volledig aan de verdachte toe te rekenen.
Het hof neemt de adviezen van de gedragsdeskundigen over en zal feit 1 in verminderde mate aan de verdachte toerekenen. Feit 2 zal volledig aan de verdachte worden toegerekend.
8.4.3.2.
Recidiverisico en maatregel
Ter beantwoording van de vraag of de oplegging van een maatregel noodzakelijk is, heeft het hof acht geslagen op de hiervoor genoemde rapporten van de gedragsdeskundigen en op het reclasseringsadvies van 7 januari 2026, alsmede hetgeen de reclasseringsmedewerker ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht.
Daaruit blijkt – samengevat en voor zover van belang – het volgende.
De psycholoog heeft het recidiverisico ten aanzien van ernstig geweld zoals het tenlastegelegde op de korte en middellange termijn als laag ingeschat. De verdachte gaat niet snel over tot geweld en het huidige tenlastegelegde heeft in de specifieke context plaatsgevonden van een zeer langdurige partnerrelatie die dreigde te worden verbroken. Er zijn geen aanwijzingen dat hij vóór het tenlastegelegde ooit gewelddadig is geweest richting zijn partner of richting anderen. Of op de lange termijn sprake is van een risico op ernstig geweld, laat zich moeilijk voorspellen, maar dat risico wordt eerder ingeschat als laag dan als matig of hoger. Wellicht zal de verdachte mogelijk in de toekomst op zoek gaan naar een nieuwe partner, maar diens sociale onhandigheid en onzekerheid en de detentie zal dit niet makkelijker maken en daarom schat de psycholoog in dat het een aanzienlijke periode kan duren voordat sprake is van een nieuwe, duurzame intieme relatie. Of er in een nieuwe relatie opnieuw sprake zal zijn van een dergelijke wederzijdse afhankelijkheid en verwevenheid van levens valt moeilijk te voorspellen. De inschatting is in elk geval niet dat de verdachte vanuit zijn persoonlijkheidsstoornis bij elke dreigende verlating meteen gewelddadig zal worden. Kortom: dat er in de (verre) toekomst opnieuw risico’s ontstaan kan niet geheel worden uitgesloten, maar is van veel (onzekere) factoren afhankelijk. Er is gezien het voorgaande vanuit gedragskundig oogpunt dan ook geen grond om een forensische, risicogerichte behandeling te adviseren. Een klinische forensische behandeling voor de persoonlijkheidsproblematiek wordt niet doelmatig geacht voor het verlagen van eventuele risico’s in de toekomst. Gelet op het (zeer beperkte) effect van een eerdere intensieve en langdurige behandeling van verdachtes persoonlijkheidsproblematiek, zijn rigiditeit, zijn leeftijd en zijn gebrek aan motivatie voor een dergelijke behandeling is de inschatting bovendien dat de verdachte in zijn algemeenheid weinig zal kunnen profiteren van behandeling van zijn persoonlijkheidsproblematiek. Mocht de verdachte in de toekomst een nieuwe partnerrelatie aangaan, dan zou een poliklinische forensische behandeling kunnen worden overwogen, om door middel van partnerrelatiegesprekken aandacht te besteden aan een eventueel nieuwe afhankelijkheidsdynamiek en veiligheid. Maar zo lang de verdachte niet in een relatie zit, heeft een dergelijke therapeutische interventie geen zin. Er is geen grond om een terbeschikkingstelling te adviseren, noch een GVM, gelet op het lage recidiverisico. De psycholoog merkt nog wel op dat de oplegging van een GVM een mogelijkheid biedt om voor een langere periode toezicht te houden op de verdachte, om zo eventuele risico’s te monitoren.
De psychiater heeft eveneens geconcludeerd dat het risico op recidive op korte en (middel)lange termijn als laag wordt ingeschat. Er zijn weinig risicofactoren voor recidive. De verdachte is juist erg geremd. Het tenlastegelegde heeft een langdurige aanloop gehad van problemen tussen de verdachte en zijn partner, in de specifieke context van een langdurige partnerrelatie. Er wordt geen forensische zorg geadviseerd. Eerdere psychotherapie lijkt niet veel vruchten te hebben afgeworpen, de verdachte heeft weinig ziektebesef en de verdachte is meer rigide geworden.
Tot slot heeft ook de reclassering geconcludeerd dat zowel het risico op geweld op korte en lange termijn als het risico op ernstig c.q. dodelijk geweld wordt ingeschat als laag. De reclassering sluit zich aan bij de visie van de gedragsdeskundigen en adviseert negatief over de oplegging van een GVM, omdat een noodzaak tot forensische interventies niet kan worden onderbouwd.
Het hof ziet, gelet op de voorgaande adviezen, geen aanleiding de verdachte een GVM op te leggen. Artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat een GVM ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen kan worden opgelegd, terwijl bij de verdachte sprake is van een lage kans op herhaling. Voor het zekerheidshalve opleggen van een GVM, zoals de advocaat-generaal heeft gevorderd, ziet het hof geen aanleiding. Weliswaar zijn op basis van bepaalde uitingen van de verdachte kanttekeningen te plaatsen bij de veronderstelling van de gedragsdeskundigen dat de verdachte niet opnieuw een lange relatie wenst, maar anderzijds zou het eventuele aangaan van een nieuwe relatie – hetgeen allerminst zeker is – gelet op de bevindingen van de deskundigen nog niet betekenen dat de verdachte wederom in een soortgelijke, specifieke context (een zeer langdurige/dertigjarige relatie waarin relatieproblemen spelen) terechtkomt. Het ligt ook niet voor de hand om na het ondergaan van de op te leggen gevangenisstraf opnieuw de wenselijkheid van een GVM te onderzoeken en uitsluitend vanuit die reden en zonder nadere actuele aanwijzingen tot oplegging van de GVM over te gaan. Dat laat onverlet dat de verdachte en diens situatie in het kader van de vragen rondom een verantwoorde vorm van voorwaardelijke invrijheidstelling nader onderzocht zal moeten worden.
8.4.4.
Strafoplegging
De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn gepleegd, rechtvaardigen naar het oordeel van het hof enkel een straf die langdurige vrijheidsbeneming met zich brengt. Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft het hof gelet op straffen die in soortgelijke zaken door rechters worden opgelegd. In het gegeven dat feit 1 in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend, ziet het hof aanleiding om de op te leggen straf enigszins te verlagen. Evenwel zal het hof de verdachte een hogere straf opleggen dan de rechtbank, omdat die straf onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv), aan de orde is.
8.4.5.
Voorlopige hechtenis
Het hof heft het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de (tenuitvoerlegging van de) straf.

9.Vordering van de benadeelde partijen

9.1.
Benadeelde partij [benadeelde]
9.1.1.
Omvang van de vordering
De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot immateriële schadevergoeding van € 20.000,00, bestaande uit affectieschade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De benadeelde partij is zoon van het slachtoffer en heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
9.1.2.
Standpunten van de partijen
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel dient te worden toegewezen. De verdediging heeft – in het geval van een bewezenverklaring van feit 1 – ten aanzien van de vordering geen verweer gevoerd.
9.2.
Benadeelde partij [benadeelde 2]
9.2.1.
Omvang van de vordering
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot immateriële schadevergoeding van € 35.000,00, bestaande uit € 17.500,00 affectieschade en € 17.500,00 schokschade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep enkel ten aanzien van de affectieschade toegewezen. Ten aanzien van de schokschade is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaard. De benadeelde partij is zoon van het slachtoffer en heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
9.2.2.
Standpunten van de partijen
De advocaat-generaal generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel dient te worden toegewezen. De verdediging heeft – in het geval van een bewezenverklaring van feit 1 – ten aanzien van de vordering tot vergoeding van affectieschade geen verweer gevoerd. De vordering tot vergoeding van schokschade moet volgens de verdediging echter afgewezen worden (en subsidiair dient de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk in de vordering te worden verklaard), omdat niet is gebleken dat bij de benadeelde partij geestelijk letsel als gevolg van een emotionele schok is vastgesteld door een daartoe bevoegde en bekwame deskundige.
9.3.
Benadeelde partij [benadeelde 3]
9.3.1.
Omvang van de vordering
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 17.500,00, bestaande uit affectieschade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De benadeelde partij is de moeder van het slachtoffer en heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
9.3.2.
Standpunten van de partijen
De advocaat-generaal generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel dient te worden toegewezen. De verdediging heeft – in het geval van een bewezenverklaring van feit 1 – ten aanzien van de vordering geen verweer gevoerd.
9.4.
Oordeel van het hof
9.4.1.
Ten aanzien van de affectieschade
9.4.1.1.
Inleiding
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte een strafbaar feit heeft begaan als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden. Artikel 51f, tweede lid, Sv bepaalt – voor zover hier van belang – dat als het slachtoffer als gevolg van het strafbare feit is overleden, de personen bedoeld in artikel 6:108, eerste tot en met vierde lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) zich kunnen voegen ter zake van de daar bedoelde vorderingen.
Op grond van artikel 6:108, derde lid, BW is, wanneer iemand overlijdt door een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, die ander gehouden tot vergoeding van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag van zogenoemde affectieschade aan de in het vierde lid van dat artikel genoemde naasten, waaronder – in de onderhavige zaak – een ouder en de kinderen van de overledene.
9.4.1.2.
Affectieschade benadeelde partij [benadeelde]
Op grond van artikel 1 van Pro het Besluit affectieschade, waarin de benadeelde partij [benadeelde] valt in de categorie “meerderjarige thuiswonende kinderen en ouders (c)”, heeft hij als thuiswonende zoon recht op vergoeding van € 20.000,00 aan affectieschade. Het hof wijst deze vordering tot vergoeding van affectieschade dan ook geheel toe.
9.4.1.3.
Affectieschade benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3]
Op grond van artikel 1 van Pro het Besluit affectieschade, waarin de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] vallen als zoon respectievelijk de moeder van het slachtoffer in de categorie “meerderjarige niet-thuiswonende kinderen en ouders (c en d)” hebben zij recht op vergoeding van
€ 17.500,00 aan affectieschade. Het hof wijst deze vorderingen tot vergoeding van affectieschade dan ook geheel toe.
9.4.1.4.
Schadevergoedingsmaatregelen
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregelen opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
9.4.2.
Ten aanzien van de schokschade, vordering van benadeelde partij [benadeelde 2]
De Hoge Raad heeft (in het arrest met vindplaats Hoge Raad 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958) bepaald dat iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt (het primaire slachtoffer), ook onrechtmatig kan handelen jegens degene bij wie de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan een hevige emotionele schok teweeg brengt (het secundaire slachtoffer). Bij de beoordeling van die onrechtmatigheid wordt onder meer acht geslagen op (samengevat) de aard, toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, de wijze waarop de benadeelde partij wordt geconfronteerd met de onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan en de aard en hechtheid van de relatie tussen de benadeelde partij en het primaire slachtoffer. Aan de hand van deze gezichtspunten, in onderlinge samenhang beschouwd, moet beoordeeld worden of sprake is van onrechtmatigheid. Het recht op vergoeding van schade die volgt uit de onrechtmatige daad jegens het secundaire slachtoffer, is beperkt tot geestelijk letsel dat naar objectieve maatstaven is vastgesteld: dat is het geval bij een psychiatrisch erkend ziektebeeld, maar ook als op grond van een rapportage van een bevoegde en bekwame deskundige – bijvoorbeeld een bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel wordt gekomen dat sprake is van geestelijk letsel, ook als daarin geen diagnose van een psychiatrisch erkend ziektebeeld wordt gesteld.
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft ter onderbouwing van het geestelijk letsel een brief van 15 mei 2024 overgelegd van CAT-therapeut [naam 6] . Ten aanzien van de aard en ernst van de klachten is daarin opgenomen dat de benadeelde partij ‘
momenteel in overlevingsstand [leeft] dit mbt de (trauma) gebeurtenissen in zijn familie, dit maakt dat zijn energielevel laag is, slecht slaapt, piekert, opgejaagd gevoel heeft, vergeetachtig is, negatieve gedachten heeft, schrik en lichamelijke spanningen ervaart’ en als indicatie/diagnose is gesteld: ‘
Naar aanleiding van bovenstaande, veel spanningsklachten’. Het hof is van oordeel dat noch op grond van het voorgaande, noch op grond van enige andere stukken in het dossier vastgesteld kan worden dat sprake is van naar objectieve maatstaven vastgesteld geestelijk letsel, terwijl – in het kader van het confrontatievereiste – niet gebleken is van een onverhoedse waarneming van de schokkende gebeurtenis. In samenhang bezien, kan de vordering tot vergoeding van schokschade dan ook niet worden toegewezen. Het hof zal dit gedeelte van de vordering dan ook afwijzen.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en schadevergoedingsmaatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 151 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

11.BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in
artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de (tenuitvoerlegging van de) straf.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 125 (honderdvijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 12 april 2023.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 112 (honderdtwaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 12 april 2023.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 112 (honderdtwaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 12 april 2023.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. N.E. Kwak en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van
mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
18 februari 2026.

Voetnoten

1.In de hierop volgende voetnoten wordt telkens verwezen naar de bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden, waarin de relevante feiten en omstandigheden staan waarop de bewezenverklaring van beide feiten is gegrond. Het gaat telkens om processen-verbaal die in de wettelijke vorm zijn opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, tenzij anders vermeld, met verwijzing naar de doorgenummerde pagina’s in het procesdossier of het forensisch dossier. De bewijsmiddelen die geschriften betreffen als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, worden telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
2.Proces-verbaal van bevindingen, procesdossier pagina’s 37-39.
3.Proces-verbaal van bevindingen, procesdossier pagina’s 47-49.
4.Proces-verbaal van observatie, procesdossier pagina’s 306-309
5.Proces-verbaal van bevindingen, procesdossier pagina’s 298-300 & proces-verbaal van bevindingen, procesdossier pagina’s 301-305.
6.Proces-verbaal van bevindingen, procesdossier pagina’s 56-60.
7.Rapport DNA-verwantschapsonderzoek, forensisch dossier pagina’s 189-191.
8.Forensisch pathologisch onderzoek, forensisch dossier pagina’s 134-168.
9.Forensisch pathologisch onderzoek, forensisch dossier pagina 137.
10.De verklaring van deskundige [naam] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2026.
11.Forensisch pathologisch onderzoek, forensisch dossier pagina’s 137 en 138.
12.De verklaring van deskundige [naam] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2026.
13.Forensisch pathologisch onderzoek, forensisch dossier pagina 137.
14.De verklaring van deskundige [naam] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2026.
15.Forensisch pathologisch onderzoek, forensisch dossier pagina’s 137 en 138.
16.De verklaring van deskundige [naam] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2026.
17.Forensisch pathologisch onderzoek, forensisch dossier pagina 138.
18.Forensisch pathologisch onderzoek, forensisch dossier pagina 138.
19.De verklaring van deskundige [naam] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2026.
20.De verklaring van deskundige [naam] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2026.
21.Forensisch pathologisch onderzoek, forensisch dossier pagina 138.
22.Forensisch pathologisch onderzoek, forensisch dossier pagina 138.
23.De verklaring van deskundige [naam] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2026.
24.Forensisch pathologisch onderzoek, forensisch dossier pagina 138.
25.Forensisch pathologisch onderzoek, forensisch dossier pagina 138.
26.De verklaring van deskundige [naam] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2026.
27.Forensisch pathologisch onderzoek, forensisch dossier pagina’s 139 en 140.
28.De verklaring van deskundige [naam] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2026.
29.De verklaring van deskundige [naam] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2026.
30.De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2026.
31.Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 14 april 2023, procesdossier pagina’s 385-392.
32.De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 september 2024.
33.Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 14 april 2023, procesdossier pagina’s 384 en 385.