ECLI:NL:GHAMS:2026:368

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
23-000968-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep: voorhanden hebben van ruim twee kilo amfetamine en GHB met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf voor het bezit van ruim twee kilo amfetamine en GHB. In hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd en het bewezenverklaarde beperkt tot het voorhanden hebben van amfetamine en GHB op 3 oktober 2024 te Alkmaar.

De verdediging voerde bewijsuitsluiting aan wegens een vermeend vormverzuim bij de doorzoeking, maar het hof verwierp dit omdat het beroep niet voldoende gemotiveerd was volgens artikel 359a Sv. Het hof achtte het bewezenverklaarde strafbaar en strafbaar gesteld onder de Opiumwet.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het feit, de hoeveelheid drugs (handelshoeveelheden), de maatschappelijke impact van de handel in harddrugs en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het verlies van zijn huurwoning en de uithuisplaatsing van zijn dochter. Het hof legde daarom een taakstraf van 200 uur op en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar, in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 200 uur taakstraf en 4 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 2 jaar voor het bezit van ruim twee kilo amfetamine en GHB.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000968-25
datum uitspraak: 16 februari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 10 april 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-023163-25 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 3 oktober 2024 te Alkmaar opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB, zijnde amfetamine en/of GHB (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

Bewijsoverweging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel de verdachte heeft erkend dat hij de verdovende middelen opzettelijk voorhanden heeft gehad, bewijsuitsluiting dient te volgen en dat de verdachte als gevolg daarvan vrijgesproken moet worden. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat werd binnengetreden op grond van de Wet Wapens en Munitie. De verdachte wees de verbalisanten vervolgens op de kamer van zijn dochter, waar een boksbeugel werd aangetroffen. Er was geen grond om ook zijn slaapkamer te doorzoeken, de kamer waar verdovende middelen zijn gevonden.
Voor zover de raadsman heeft bedoeld aan te voeren dat een en ander zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting op grond van artikel 359a Sv overweegt het hof dat van de verdediging mag worden verlangd, als zij een beroep doet op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in het tweede lid van die bepaling vermelde factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. De eerste factor is “het belang dat het geschonden voorschrift dient”. De tweede factor is “de ernst van het verzuim”. De derde factor is “het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt”. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven (vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533). De raadsman heeft wel bewijsuitsluiting bepleit, maar heeft dit betoog niet (nader) gemotiveerd aan de hand van de drie voormelde factoren. Het betoog van de raadsman blijft daarom verder onbesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 3 oktober 2024 te Alkmaar opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB.
Wat meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft verzocht om aan de verdachte een taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, rekening houdend met zijn persoonlijke omstandigheden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van in totaal ruim twee kilo amfetamine en GHB. Amfetamine en GHB zijn voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen. Gelet op de hoeveelheden aangetroffen verdovende middelen gaat het hof ervan uit dat het (in ieder geval deels) om handelshoeveelheden ging. De verspreiding van en handel in Amfetamine en GHB gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stoffen. De verdachte heeft door zijn handelen een bijdrage geleverd aan het in stand houden van het harddrugs-circuit. Het hof acht het ook zorgelijk dat de verdachte zich kennelijk met de handel in harddrugs heeft beziggehouden.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft het hof gelet op de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor het voorhanden hebben van 2 tot 3 kilogram harddrugs een onvoorwaardelijke gevangenisstaf voor de duur van 9 maanden genoemd.
Daarnaast heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsrapport van 26 februari 2025. Uit dit rapport volgt dat er in het leven van de verdachte meerdere factoren spelen die het risico op recidive vergroten. Daarom vindt de reclassering toezicht nodig, maar omdat de verdachte niet bereid is om zich te houden aan bijzondere voorwaarden in het kader van reclasseringstoezicht, wordt geadviseerd om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Gelet op het bovenstaande acht het hof in beginsel dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de politierechter opgelegd passend en geboden. Het hof ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze door de raadsman en de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep overtuigend naar voren zijn gebracht, aanleiding om een andere straf op te leggen. Het strafbare feit heeft grote gevolgen gehad voor de verdachte, waaronder het verlies van zijn huurwoning en de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van zijn dochter, voor wiens zorg hij al jaren alleen verantwoordelijk was. Dit zijn voor de verdachte zeer ingrijpende gebeurtenissen geweest. Daarnaast houdt het hof rekening met de schuldbewuste houding van de verdachte en het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het hof vindt het, gelet op deze bijzondere persoonlijke omstandigheden, niet wenselijk en ook niet noodzakelijk dat de verdachte komt vast te zitten en zal in plaats daarvan een flinke onvoorwaardelijke taakstraf opleggen. Verder vindt het hof het wel van belang dat hem gedurende een proeftijd van 2 jaren een voorwaardelijke gevangenisstraf boven het hoofd komt te hangen. Dit moet de verdachte ervan weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.
Alles overwegende acht het hof een taakstraf voor de duur van 200 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden passend en geboden.

Beslag

Het hof beslist tot teruggave van de hieronder in de beslissing opgenomen voorwerpen, die onder de verdachte in beslag genomen zijn en nog niet zijn teruggegeven. De wetsartikelen en de reikwijdte van het bewezenverklaarde bieden geen grond tot onttrekking aan het verkeer of verbeurdverklaring.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen wat de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
100 (honderd) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1. EUR Geld (G1653574)
2. 24 STK Munitie (G1653600, Hagelpatronen)
3. 1 STK Luchtdrukwapen (G1653601, Zwart, merk: Crosman American Classic)
4. 4 DS Munitie (G1653602, Luchtbukskogels)
5. 1 STK Luchtdrukwapen (G1653603, merk: Hatsan)
6. 9 STK Patroon (G1653604, Gaspatronen tbv luchtbuks)
7. 1 STK Luchtdrukwapen (G1653608, merk: Webley).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.F. van Halderen, mr. R. van der Heijden en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. D. Damman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 februari 2026.
mr. B.A.A. Postma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]