Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:351

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
200.351.537/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 125 lid 1 RvArt. 125 lid 2 RvArt. 125 lid 5 RvArt. 353 lid 1 RvArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over opzegging en betaling leveringsovereenkomsten elektriciteit

In deze zaak staat de levering van elektriciteit tussen [appellanten] en [geïntimeerde] centraal. [geïntimeerde] leverde sinds 2002 elektriciteit aan [appellanten] voor twee aansluitingen. De leveringsovereenkomst voor aansluiting [bedrijf 2] werd door [geïntimeerde] opgezegd per 1 november 2021, terwijl voor aansluiting [bedrijf 3] de overeenkomst pas per 1 februari 2022 werd beëindigd. [appellanten] is vanaf 1 februari 2022 overgestapt naar een andere leverancier en weigert de eindafrekeningen van [geïntimeerde] te voldoen.

De kantonrechter veroordeelde [appellanten] tot betaling van de openstaande facturen, maar het hof komt in hoger beroep tot een genuanceerder oordeel. Het hof stelt vast dat voor aansluiting [bedrijf 2] na 1 november 2021 geen contractuele grondslag meer bestond voor levering en facturatie, waardoor de vordering voor die periode niet volledig toewijsbaar is. [geïntimeerde] krijgt de gelegenheid haar vordering aan te passen en te specificeren. Voor aansluiting [bedrijf 3] blijft de vordering volledig gehandhaafd, omdat de overeenkomst pas per 1 februari 2022 is opgezegd.

Het hof verwerpt het verweer van [geïntimeerde] dat het hoger beroep niet-ontvankelijk zou zijn vanwege procedurele fouten bij de dagvaarding. De procedure is ontvankelijk verklaard. De verklaring voor recht van [appellanten] wordt deels toegewezen voor aansluiting [bedrijf 2] en afgewezen voor aansluiting [bedrijf 3]. De zaak wordt aangehouden voor verdere behandeling na nadere stukken van partijen.

Uitkomst: De vordering tot betaling is deels toegewezen voor één aansluiting en deels afgewezen voor de andere, met aanhouding voor nadere stukken.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.351.537/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 10898404/ CV EXPL 24-897
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 februari 2026
in de zaak van

1.[appellant 1] ,

gevestigd te [plaats 1] , gemeente Uithoorn,
2.
[appellant 2],
3.
[appellant 3],
beiden wonende te [plaats 1] , gemeente Uithoorn,
appellanten,
advocaat: mr. F.L.P. Vulto te Den Haag,
tegen
[geïntimeerde],
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. T. Waissi te Hardenberg.
Partijen worden hierna [appellanten] (in enkelvoud) en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

[appellanten] heeft elektriciteit afgenomen van [geïntimeerde] . Zij beschikte over twee aansluitingen, waarvoor apart werd gefactureerd. [geïntimeerde] heeft de overeenkomst voor een aansluiting opgezegd per 1 november 2021. [appellanten] is per 1 februari 2022 voor beide aansluitingen elektriciteit gaan afnemen van een andere leverancier. Zij weigert de eindafrekeningen van [geïntimeerde] te voldoen. De kantonrechter heeft [appellanten] veroordeeld tot betaling van beide eindafrekeningen. In hoger beroep komt het hof deels tot een andere conclusie: de vordering is voor een van de twee eindafrekeningen voor een deel niet toewijsbaar. [geïntimeerde] wordt in de gelegenheid gesteld haar vordering op dit oordeel aan te passen en met stukken te onderbouwen.

2.Het geding in hoger beroep

[appellanten] is bij dagvaarding van 5 september 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 7 juni 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie, en [appellanten] als gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie. [appellanten] heeft op 6 september 2024 een herstelexploot laten uitbrengen omdat [geïntimeerde] in het exploot van dagvaarding van 5 september 2024 was opgeroepen tegen een niet-bestaande roldatum. In het herstelexploot is [geïntimeerde] opgeroepen tegen de roldatum van 3 december 2024.
De zaak is op 3 december 2024 niet op de rol van dit hof ingeschreven. [appellanten] heeft op 17 december 2024 opnieuw een herstelexploot laten uitbrengen waarin [geïntimeerde] is opgeroepen tegen een nieuwe roldatum, 25 februari 2024. Op die datum is de zaak bij dit hof op de rol ingeschreven.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord met producties;
- akte aanvullende producties van [appellanten] met producties 1, 2 en 3.
Op 9 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht, mr. Vulto aan de hand van spreekaantekeningen die hij heeft overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1.
[geïntimeerde] is een onderneming die onder meer elektriciteit levert aan haar klanten.
3.2.
De heer [appellant 2] (gedaagde sub 2) en mevrouw [appellant 3] (gedaagde sub 3) zijn de vennoten van [appellant 1]
3.3.
[geïntimeerde] heeft sinds 2002 elektriciteit aan [appellanten] geleverd, waarvoor leveringsovereenkomsten zijn gesloten. [appellanten] beschikt over de volgende twee aansluitingen die (uiteindelijk) beide zijn beleverd door [geïntimeerde] :
  • EAN 871685920001348585 (hierna: [bedrijf 3] );
  • EAN 871685900012367966 (hierna: [bedrijf 2] ).
3.4.
Bij brief van 29 september 2021 heeft [geïntimeerde] aan [appellanten] bericht dat zij de leveringsovereenkomst voor aansluiting [bedrijf 2] opzegt per 1 november 2021.
3.5.
Bij brief van 7 oktober 2021 heeft [geïntimeerde] onder meer het volgende aan [appellanten] geschreven:
(…)Vorige week heeft u van ons een brief ontvangen met het bericht dat we uw leveringsovereenkomst voor energie op dit moment niet kunnen verlengen. Naar aanleiding van berichten in de media willen we u graag een nadere toelichting geven op enkele onjuistheden. (…)
Echter willen wij de suggestie wegnemen dat de leveringszekerheid van energie voor u in gevaar komt. (…) In de brief van 29 september jongstleden hebben wij uw leveringsovereenkomst conform de voorwaarden opgezegd en u aangeraden op zoek te gaan naar een andere energieleverancier. (…) Mocht u zich niet kunnen aanmelden bij een andere energieleverancier, zullen wij uiteraard energie aan u blijven leveren. De geleverde energie zal na 1 november 2021 tegen een variabel tarief worden afgerekend. (…)
3.6.
[appellanten] is vanaf 1 februari 2022 elektriciteit gaan afnemen van [bedrijf 1] . Dit bedrijf heeft op 30 november 2021 een opzegging per die datum voor beide aansluitingen van [appellanten] aan [geïntimeerde] gestuurd via de digitale berichtenuitwisseling van Energie Data Services Nederland.
3.7.
[geïntimeerde] heeft [appellanten] twee eindafrekeningen gestuurd. Deze zien op de periode 1 juni 2021 tot 1 februari 2022 en hebben een totaalbedrag van € 2.193,29 ( [bedrijf 3] ) respectievelijk € 6.549,51 ( [bedrijf 2] ). De facturen van deze eindafrekeningen heeft [appellanten] niet betaald.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1.
[geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter samengevat gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [appellanten] te veroordelen tot betaling van de twee openstaande facturen, ter hoogte van in totaal € 8.742,80, buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van het geding, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente.
4.2.
[appellanten] heeft bij de kantonrechter gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 24.500. Zij heeft daaraan kort gezegd ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] ernstig tekort is geschoten in de communicatie met [appellanten] over de onbetaalde facturen.
4.3.
De kantonrechter heeft [appellanten] uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 8.742,80, vermeerderd met de wettelijke handelsrente. De kantonrechter heeft het meer of anders door [geïntimeerde] gevorderde afgewezen. De vordering van [appellanten] heeft de kantonrechter afgewezen. In conventie is [appellanten] veroordeeld in de kosten van het geding met rente. In reconventie zijn de kosten gecompenseerd.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
[appellanten] vordert in hoger beroep samengevat vernietiging van het bestreden vonnis en, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] ;
II. een verklaring voor recht dat de energieleveringsovereenkomst tussen partijen per 1 november 2021 is geëindigd en dat [appellanten] niet gehouden is tot betaling voor energie geleverd na die datum, en (voor zover van toepassing) veroordeling van [geïntimeerde] tot restitutie van eventueel door [appellanten] ter zake van de periode nadien betaalde bedragen, vermeerderd met rente;
met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, met rente.
5.2.
Volgens [geïntimeerde] moet het hof [appellanten] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep verklaren, of de vorderingen van [appellanten] afwijzen en het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep.

6.Beoordeling

Hoger beroep ontvankelijk?
6.1.
[geïntimeerde] betoogt dat [appellanten] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep moet worden verklaard. Kort gezegd legt zij hieraan ten grondslag dat [appellanten] tot tweemaal toe een herstelexploot heeft laten uitbrengen om een processueel verzuim te herstellen, wat volgens artikel 125 lid 2 en Pro 5 Rv (in verbinding met artikel 353 lid 1 Rv Pro), en de rechtspraak daarover niet zou zijn toegestaan.
6.2.
Het hof verwerpt dit betoog. [geïntimeerde] ziet over het hoofd dat de twee herstelexploten verband houden met twee verschillende omissies, die zich beide voor herstel lenen. Het eerste herstelexploot – dat van 6 september 2024 – heeft [appellanten] laten uitbrengen omdat [geïntimeerde] in het exploot van dagvaarding was opgeroepen tegen een niet-bestaande roldatum. Dit is hersteld in het eerste herstelexploot, dat overigens nog binnen de hoger beroepstermijn is uitgebracht. Dit is geen verzuim als bedoeld in artikel 125 lid 2 en Pro 5 Rv. Met het uitbrengen van de dagvaarding op 5 september 2024 werd het geding aanhangig (artikel 125 lid 1 Rv Pro) en dat bleef zo nadat het eerste herstelexploot was uitgebracht. Het tweede herstelexploot – dat van 17 december 2024 – is wel uitgebracht ter herstel van een verzuim als bedoeld in artikel 125 lid 2 en Pro 5 Rv, kort gezegd het niet tijdig aanbrengen van de zaak bij dit hof. Deze fout kan worden hersteld, zo bepaalt artikel 125 lid 5 Rv Pro, door binnen twee weken na de aangezegde roldatum een geldig herstelexploot uit te laten brengen. Dat is in deze zaak gebeurd: het staat niet ter discussie dat het tweede herstelexploot tijdig is uitgebracht en dat dit geldig is. In dit tweede herstelexploot is [geïntimeerde] opgeroepen te verschijnen op 25 februari 2025 en het staat ook niet ter discussie dat [appellanten] de zaak toen heeft aangebracht en om inschrijving heeft verzocht. De omstandigheid dat [appellanten] daarbij alleen het herstelexploot van 17 december 2024 en niet ook de originele dagvaarding en het eerdere herstelexploot heeft overgelegd, leidt – anders dan [geïntimeerde] heeft betoogd – evenmin tot de niet-ontvankelijkheid van [appellanten] . [appellanten] heeft van de rolraadsheer de gelegenheid gekregen dit alsnog te doen en zij heeft die mogelijkheid benut. [geïntimeerde] is door dit alles niet in haar verdediging geschaad. De advocaat van [geïntimeerde] had zich al gesteld op de rol van 25 februari 2025.
Leveringsovereenkomst opgezegd?
6.3.
[appellanten] komt met één grief op tegen het bestreden vonnis. Zij betoogt dat de kantonrechter ten onrechte geen rechtsgevolg heeft toegekend aan de schriftelijke opzegging door [geïntimeerde] per 1 november 2021. [appellanten] voert aan dat die opzegging betekent dat na 1 november 2021 geen contractuele band meer bestond tussen partijen, zodat daarmee een grond ontbreekt voor [geïntimeerde] om na die datum te kunnen factureren voor de levering van elektriciteit.
6.4.
Anders dan [geïntimeerde] betoogt, heeft [appellanten] in de memorie van grieven niet erkend dat de leveringsovereenkomsten (pas) op 1 februari 2022 zijn geëindigd. [appellanten] heeft in de memorie van grieven vermeld dat zij geen grieven richt tegen de feiten die in het bestreden vonnis zijn vastgesteld. [geïntimeerde] mocht daaruit niet begrijpen dat [appellanten] als juist heeft aanvaard dat de leveringsovereenkomsten (niet eerder dan) op 1 februari 2022 zijn geëindigd. Integendeel: het betoog van [appellanten] dat de leveringsovereenkomsten eerder, op 1 november 2021, zijn geëindigd is de – ook voor [geïntimeerde] kenbare – kern van de memorie van grieven. Het hof beoordeelt dit punt hierna en maakt daarbij een onderscheid tussen de aansluitingen [bedrijf 2] en [bedrijf 3] .
[bedrijf 2]
6.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] de leveringsovereenkomst voor aansluiting [bedrijf 2] in de brief van 29 september 2021 heeft opgezegd per 1 november 2021. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat [appellanten] uit de brief van [geïntimeerde] van 7 oktober 2021 had moeten begrijpen dat de leveringsovereenkomst toch niet werd beëindigd en vanaf 1 november 2021 zou worden voortgezet. Dat [appellanten] dit zo zou hebben begrepen, volgt volgens [geïntimeerde] ook uit de omstandigheid dat [bedrijf 1] op 30 november 2021 beide leveringsovereenkomsten heeft opgezegd per 1 februari 2022. Het hof volgt [geïntimeerde] hierin niet. [appellanten] heeft uit de inhoud van de brief van 7 oktober 2021 niet hoeven begrijpen dat [geïntimeerde] terug wilde komen op de eerdere (ondubbelzinnige) opzegging van de leveringsovereenkomst voor aansluiting [bedrijf 2] , nog daargelaten welk rechtsgevolg dat terugkomen in dit concrete geval dan zou hebben. Niet gebleken is dat [appellanten] en [geïntimeerde] nadien een nieuwe overeenkomst voor aansluiting [bedrijf 2] hebben gesloten. Dit kan ook niet worden afgeleid uit de opzegging door [bedrijf 1] op 30 november 2021.
6.6.
Dat betekent dus dat voor eventuele leveringen van elektriciteit door [geïntimeerde] aan [appellanten] vanaf 1 november 2021 voor aansluiting [bedrijf 2] geen contractuele grondslag bestond. [geïntimeerde] heeft voor haar vordering tot betaling van de factuur van de eindafrekening voor aansluiting [bedrijf 2] uitsluitend een contractuele grondslag aangevoerd, zoals ook op de zitting in hoger beroep door haar advocaat is bevestigd. Het gevolg hiervan is dat de factuur van de eindafrekening voor aansluiting [bedrijf 2] niet volledig toewijsbaar is. Voor de periode 1 november 2021 tot en met 31 januari 2022 bestaat geen contractuele grondslag voor de vordering. Alleen het gedeelte van de factuur dat ziet op de periode 1 juni 2021 tot en met 31 oktober 2021 komt voor toewijzing in aanmerking; voor die periode is niet in geschil dat er tussen partijen een leveringsovereenkomst van kracht was. Het hof kan aan de hand van de overgelegde stukken niet vaststellen welk bedrag [appellanten] voor de genoemde periode verschuldigd is. [geïntimeerde] krijgt de gelegenheid om bij akte haar vordering op dit punt aan te passen. Zij zal daarin, onder overlegging van een aangepaste en gespecificeerde eindafrekening voor de genoemde periode, uiteen moeten zetten welk bedrag [appellanten] volgens haar over de periode 1 juni 2021 tot en met 31 oktober 2024 verschuldigd is. [appellanten] krijgt daarna de gelegenheid te reageren op de akte van [geïntimeerde] .
[bedrijf 3]
6.7.
De brief van 29 september 2021 ziet alleen op aansluiting [bedrijf 2] . [appellanten] heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat DBG (ook) de leveringsovereenkomst voor deze aansluiting heeft opgezegd. Dat betekent dat voor aansluiting [bedrijf 3] moet worden aangenomen dat [bedrijf 1] op 30 november 2021 de leveringsovereenkomst namens [appellanten] heeft opgezegd per 1 februari 2022. Het gevolg hiervan is dat [appellanten] gehouden is tot betaling van de elektriciteit die [geïntimeerde] tot 1 februari 2022 aan haar heeft geleverd. [geïntimeerde] heeft voor aansluiting [bedrijf 3] een factuur met een eindafrekening gestuurd voor een bedrag van € 2.193,29. [appellanten] heeft geen grief gericht tegen de omvang van deze factuur en de daarover verschuldigde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW. De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] dus in zoverre terecht toegewezen.
De verklaring voor recht
6.8.
Uit het voorgaande volgt dat de verklaring voor recht die [appellanten] heeft gevorderd bij gelegenheid van het eindarrest zal worden toegewezen voor zover die ziet op aansluiting [bedrijf 2] en zal worden afgewezen voor zover die ziet op aansluiting [bedrijf 3] . Het hof leidt uit het dossier af dat [appellanten] tot nu toe de facturen waar het om gaat niet heeft betaald, zodat er geen aanleiding is [geïntimeerde] tot restitutie te veroordelen. Indien deze veronderstelling niet juist is, kunnen partijen dat in hun aktes aan de orde stellen.
Afronding
6.9.
Het hof verwerpt de bewijsaanbiedingen van partijen. Zij hebben geen bewijs aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
6.10.
De vordering van [geïntimeerde] tot betaling van de factuur voor aansluiting [bedrijf 2] is niet volledig toewijsbaar. [geïntimeerde] krijgt de gelegenheid bij akte haar vordering voor aansluiting [bedrijf 2] aan te passen op de overwegingen van het hof hierover. [appellanten] mag daarop bij akte reageren.
De vordering van [geïntimeerde] tot betaling van de factuur voor aansluiting [bedrijf 3] is terecht toegewezen. De verklaring voor recht die [appellanten] in hoger beroep heeft gevorderd is alleen toewijsbaar voor aansluiting [bedrijf 2] . Deze beslissingen zullen in het dictum van het eindarrest worden opgenomen.
6.11.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

7.Beslissing

Het hof:
alvorens verder te beslissen:
7.1.
verwijst de zaak naar de rol van 17 maart 2026 voor akte aan de zijde van [geïntimeerde] als bedoeld in rov. 6.6;
7.2.
bepaalt dat de zaak daarna zal worden verwezen naar de rol voor antwoordakte aan de zijde van [appellanten] op een termijn van vier weken;
7.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. K.A.J. Bisschop, S.M. Evers en M. Chébti en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.