Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant] ,
2.[X] B.V.,
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
- verweerschrift, tevens incidenteel beroep, met producties;
- verweerschrift in incidenteel beroep; en
- nadere producties van de zijde van [geïntimeerde] .
3.Feiten
“aan Werknemer de wettelijke Transitievergoeding wordt betaald doch minimaal een vergoeding van drie bruto maandsalarissen, in welke vergoeding dan de Transitievergoeding zal zijn begrepen die dus niet additioneel meer door Werknemer gevorderd kan worden. (…)”.
Artikel 7. Leaver Calloptie
(…) de effectieve beëindiging van de arbeidsovereenkomst (…) tussen die Manager (of zijn/haar managementvennootschap) en de betrokken Groepsmaatschappij; (…)”
- dat VEP niet tevreden is met de commerciële executie en ziet dat de financiële situatie van de onderneming onder druk komt te staan door aanhoudende tegenvallende omzet;
- dat zij onder andere als oorzaken ziet dat:
- dat het voor haar essentieel is dat zij over anderhalve maand kan laten zien dat er commerciële potentie is, dat het commerciële team en de executie daar hard aan zullen moeten trekken om dat te realiseren;
- dat zij zich kan voorstellen dat [appellant] een nog actievere rol op zich neemt in dit domein, zodra de operationeel manager weer terug is; en
- dat zij een overleg inplant op 23 mei om met [appellant] en de overige aandeelhouders de commerciële aanpak en het team te herevalueren.
- dat de cijfers achterblijven, dat de afspraken met de financier niet kunnen worden nagekomen en dat er onvoldoende cash wordt gegenereerd om de lopende verplichtingen na te komen;
- dat er moet worden onderhandeld met de financierder over een bijstorting;
- dat het van existentieel belang is dat er meer omzet komt en dat het essentieel en urgent is om binnen enkele dagen inzicht te krijgen in de reden dat de marge lager is dan verwacht;
- dat het van existentieel belang is dat de organisatie doorgroeit naar 1000 of 1050 uitzendkrachten;
- dat dit de allerhoogste prioriteit heeft en dat al het andere hiervoor moet wijken, en dat het vertrouwen van de stakeholders in het bedrijf en in de directie hier volledig van afhangt;
- dat er urgent een sluitende verklaring moet komen voor de lagere marge in P4, vóór 22 mei;
- dat toekomstige rapportages een top-down inzicht moeten geven over afwijking tussen forecast en realiteit met volledige afdekking;
- dat het MT/direct de indirecte structuur reviewt en met een onderbouwd voorstel komt voor aan alternatieve structuur waarin besparingen gevonden kunnen worden; en
- dat het voorgaande wordt besproken op 12 of 17 juni 2024.
4.De procedure in eerste aanleg
5.De verzoeken in hoger beroep
dertien grievenop. De grieven 1 tot en met 11 en 13 lenen zich voor gezamenlijke behandeling en strekken ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog het verzoek van [appellant] zal toewijzen om [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding ter hoogte van € 583.996,-- bruto en € 7.200,-- netto aan werkkostenregeling. Grief 12 strekt tot toewijzing alsnog van de vordering van [X] om [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 221.713,-- tegen levering aan [geïntimeerde] van 535 door haar gehouden certificaten in [bedrijf 1] en terugbetaling van de lening van € 50.000,-- aan [bedrijf 2] B.V., alle bedragen vermeerderd met rente, en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties. [appellant] en [geïntimeerde] hebben inmiddels overeenstemming bereikt over het concurrentie- en relatiebeding, zodat deze bedingen in hoger beroep geen onderdeel meer uitmaken van het geschil.
vier grieven. Ook deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
6.Beoordeling
wij kunnen ons voorstellen dat je een nog actievere rol op je neemt in dit domein, zodra [naam 4] weer terug is.” en ”
Wij plannen een overleg in op 23 mei om met jou en de overige aandeelhouders de commerciële aanpak en het team te herevalueren.”. Hieruit volgt volgens het hof niet dat het ‘vijf voor twaalf’ was en dat [appellant] er serieus rekening mee moest houden dat een (onherstelbare) vertrouwensbreuk dreigde te ontstaan en/of dat de arbeidsverhoudingen (onherstelbaar) verstoord dreigden te raken.
Kamerstukken II2013/14, 33818, nr. 7, pag. 130). Het hof stelt voorop dat niet iedere discussie tussen een bestuurder en een aandeelhouder over de uitvoering van beleid direct een verschil van inzicht in de zin van de hgrond oplevert. Het moet gaan om omstandigheden van zodanige ernst - bijvoorbeeld een onoverbrugbaar verschil van inzicht - dat dit tot gevolg heeft dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 40). Uit de in de parlementaire geschiedenis genoemde voorbeelden en toelichtingen blijkt dat het moet gaan om een duidelijk en uitzonderlijk laakbaar handelen of nalaten, dat valt te kwalificeren als duidelijk strijdig met goed werkgeverschap en op één lijn te stellen met de daarin genoemde voorbeelden. De lat voor het aannemen van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten ligt dus hoog.
- i) [naam 1] had onvoldoende kennis van de uitzendsector in arbeidsmigranten, van de onderneming en van dossiers;
- ii) [naam 1] luisterde niet goed en voelde zaken dikwijls niet goed aan, en hij was niet duidelijk en transparant in zijn communicatie;
- iii) [naam 1] hield zich niet aan de werkafspraken;
- iv) [naam 1] passeerde [appellant] dikwijls, ook op operationeel gebied; en
- v) [naam 1] verzuimde dikwijls om follow up te geven, hij had geen
Het derde lid regelt dat in gedingen op grond van de artikelen 7:671b, 7:671c, 7:672, negende lid, 7:673, 7:673a, 7:673b, 7:673c, 7:677, vierde en vijfde lid, 7:681 en 7:682 BW de daarmee verband houdende vorderingen met een verzoekschrift in plaats van een dagvaarding worden ingeleid. De met elkaar samenhangende geschilpunten kunnen op grond van de voorgestelde bepaling dus in één gerechtelijke procedure worden beslecht. Het gaat daarbij om alle mogelijke vorderingen die bij beëindiging van een arbeidsovereenkomst of herstel daarvan kunnen worden ingesteld, zoals een vordering uit achterstallig loon, uit hoofde van een tussen partijen aangegaan concurrentiebeding of rond (de terugbetaling van) een aan de werknemer toegekende transitievergoeding. Ook kunnen in dat verband bij verweerschrift incidentele verzoeken worden gedaan. Zodoende wordt een dubbele rechtsgang voorkomen. Dat scheelt tijd en geld. Ook het gerechtelijke apparaat wordt daarmee minder zwaar belast (één in plaats van twee afzonderlijke procedures).”(
Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 121) Uit de parlementaire geschiedenis volgt verder dat het ter beoordeling van de rechter is wat precies onder ‘daarmee verband houdende andere vorderingen’ dient te worden begrepen. Uit de memorie van toelichting kan worden afgeleid dat artikel 7:686a lid 3 BW ruim moet worden uitgelegd.