Uitspraak
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
Zoals eerder afgesproken zouden wij dit memo met het voorstel om in 2022 de schenking aan[hof: de broer]
te doen nader met u bespreken op 16 maart 2022 bij u thuis samen met[hof: de broer]
, maar omdat[het hof begrijpt dat hier had moeten staan: ‘u’]
en[hof: de broer]
al met het concept d.d. 10 maart 2022 akkoord zijn was er geen noodzaak en/of behoefte meer om het memo te bespreken.
de scans van het door u op 14/3/2022 voor akkoord getekende memo. Op basis hiervan zullen wij de aangifte schenkbelasting 2022 voor[hof: de broer]
verzorgen van uw schenking van € 182.502 aan[hof: de broer]
per 1 april 2022.”
Wij gaan eerst eens kijken hoe dit dossier zo gegaan is.
is op de hoogte en zij constateert dat een medewerkster op verzoek van je zwager een ontwerp heeft gemaakt dat 1 juli jl. is verzonden. (…)”
(…) Reden waarom uw zuster verzocht heeft om mijn bijstand zijn de recentelijke ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan met betrekking tot het welzijn van uw moeder. Zoals u bekend, is er aan de zijde van uw moeder sprake van een geriatrische aandoening, zijnde dementie. Uw moeder heeft daardoor last van wanen en kan de gevolgen van haar handelen niet goed overzien.
aangezien zij declaraties ontving van [bedrijf] en de notaris voor werkzaamheden waarvan zij zich niet kan herinneren daarvoor opdracht te hebben gegeven. De indruk is ontstaan dat in opdracht van u, moeder is bewogen om de leningen die aan u in het verleden zijn verstrekt (die ook zichtbaar zijn in de aangifte erfbelasting van uw in begin 2021 overleden vader) kwijt te schelden.
en haar zoon hebben op mijn kantoor volmachten getekend op 1 augustus vorig jaar.
4.De klacht
5.Beoordeling
Hiervoor zou, dat was voor erflaatster van belang, geen betaling van erflaatster nodig zijn”, alsmede: “
Deze verhuizing was voor erflaatster overigens ook een reden om daarvoor de beoogde schenking te doen, omdat daarmee haar vermogen verkleind werd en een lagere bijdrage verschuldigd zou zijn”ter zitting bij de kamer weer heeft ingetrokken. De notaris heeft aldaar verklaard dat erflaatster dit (toch) niet tegen hem heeft gezegd.
niet is komen vast te staan dat de notaris erflaatster zelf heeft gesproken over de inhoud van de akte, laat staan op welke wijze dit is gebeurd” als juist moet worden aangemerkt. De notaris heeft onvoldoende kunnen onderbouwen dat hij erflaatster zelf heeft gesproken over de inhoud van de akte en voor zover hij dit wel zou hebben gedaan waarom hij, gegeven de onder rov. 5.5. genoemde omstandigheden, geen nader onderzoek behoefde in te stellen naar haar wilsbekwaamheid. De (enkele) verklaring van de notaris dat hij (en zijn medewerkster) niet heeft getwijfeld aan de wilsbekwaamheid van erflaatster is in dit geval onvoldoende. Klachtonderdeel a is gegrond.
ernstigheeft veronachtzaamd. Notariële kernwaarden als ‘onafhankelijkheid’, ‘onpartijdigheid’ en ‘zorgvuldigheid’ zijn door de notaris op grove wijze geschonden. Bij de totstandkoming van de volmacht en de schenkingsakte heeft de notaris niet en al helemaal niet met de onder de gegeven omstandigheden vereiste mate van zorgvuldigheid onderzocht of erflaatster wilsbekwaam was, noch of zij haar wil vrij kon vormen en uiten. Daarnaast heeft de notaris niet aan zijn informatie- en Belehrungsp(f)licht voldaan. De notaris heeft op geen enkele wijze oog gehad voor de kwetsbare positie van erflaatster. Door enkel en alleen af te gaan op de informatie van de belastingadviseurs (van de broer) en de daaropvolgende instructies van de broer, nota bene een direct belanghebbende bij de betreffende akte, heeft hij zich niet zoals vereist kritisch en onderzoekend opgesteld ten opzichte van diensten die van hem werden verlangd. De notaris heeft in hoger beroep weliswaar erkend dat zijn handelwijze niet erg zorgvuldig is geweest, maar hij heeft ook toen nog steeds onvoldoende inzicht getoond in de ernst van zijn gedragingen. Het hof rekent hem dit alles zwaar aan. Dat geldt ook voor het feit dat vast is komen te staan dat hij in eerste aanleg in een tegen hem aangespannen tuchtrechtelijke procedure onjuiste verklaringen heeft afgelegd. Dat hij – zoals door hem ter zitting in hoger beroep is verklaard – niet de bedoeling heeft gehad om de kamer voor te liegen maakt dit niet anders. Gelet op de ernst van de aan de notaris gemaakte verwijten en in het belang van het maatschappelijk vertrouwen in een integere en zorgvuldige uitoefening van het ambt van notaris is het hof van oordeel dat een zware maatregel op zijn plaats is en dat beslist niet kan worden volstaan met de door de kamer opgelegde maatregel van waarschuwing. Het hof ziet in de ernst van de gebleken gedragingen aanleiding om aan de notaris de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van drie maanden op te leggen.
Uitgangspunten proceskostenveroordeling in hoger beroep’ (te raadplegen op de website van dit hof).