A. [geïntimeerde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant 1] en [appellant 2] te betalen een bedrag van € 16.774,99,-- inclusief BTW, dan wel een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, met wettelijke rente;
B. [geïntimeerde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant 1] en [appellant 2] te betalen een bedrag van € 72.916,65 aan gederfde huur over de periode januari t/m mei 2024, dan wel een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, met wettelijke rente;
C. [geïntimeerde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant 1] en [appellant 2] te betalen een bedrag van € 14.583,33 per maand vanaf juni 2024 tot en met de maand dat [appellant 1] en [appellant 2] onder gelijke condities een huurder voor [straat] [nummer] te [plaats 3] hebben gevonden, met wettelijke rente;
D. [geïntimeerde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [appellant 1] en [appellant 2] te betalen een bedrag van € 1.955,-- aan gemaakte buitengerechtelijke incassokosten, dan wel een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
E. [geïntimeerde] te veroordelen tot vergoeding van de werkelijk gemaakte buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten ad € 25.008,47 voor de gevoerde buitengerechtelijke werkzaamheden en procedures (twee kort gedingen) die noodzakelijk zijn geweest om [geïntimeerde] te dwingen tot de levering aan [appellant 1] en [appellant 2] van [straat] [nummer] te [plaats 3] ;
F. [geïntimeerde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant 1] en [appellant 2] te betalen een bedrag van € 20.763,60,-- inclusief BTW, dan wel een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, met wettelijke rente;
H. [geïntimeerde] te veroordelen tot vergoeding van de kosten van deze procedure inclusief de beslagkosten, met wettelijke rente, en de nakosten.