ECLI:NL:GHAMS:2026:2019

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
23-000492-25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 SrArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gevangenisstraf na schietpartij en afwijzing beroep op noodweerexces

Op 9 maart 2024 vond een schietincident plaats in Zwanenburg waarbij de verdachte betrokken was. De rechtbank Noord-Holland veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van 7 jaar. De verdachte ging in hoger beroep tegen dit vonnis.

Tijdens de behandeling in hoger beroep op 7 juli 2026 voerde de verdediging aan dat sprake was van noodweer en subsidiair noodweerexces, omdat de verdachte zich verdedigde tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Het hof voegde aanvullend bewijsmateriaal toe, waaronder verklaringen van getuigen en de verdachte zelf. Na beoordeling verwierp het hof het beroep op noodweer en noodweerexces, omdat de aanval was beëindigd toen de verdachte het vuurwapen trok en schoot.

De benadeelde partij vorderde schadevergoeding voor materiële en immateriële schade. Het hof kende een deel van de materiële schade toe, waaronder verlies van verdienvermogen voor drie maanden, en de kosten van een boekhouder en psycholoog. De gevorderde kosten voor het opknappen van het huurpand werden afgewezen wegens gebrek aan causaal verband. De immateriële schadevergoeding werd vastgesteld op €8.000. De totale toegewezen schadevergoeding bedraagt €31.395,61, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 9 maart 2024.

Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank, veroordeelde de verdachte tot 7 jaar gevangenisstraf en legde een schadevergoedingsmaatregel op. De benadeelde partij werd voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en verwezen naar de burgerlijke rechter voor verdere schadeclaims.

Uitkomst: De gevangenisstraf van 7 jaar wordt bevestigd en de schadevergoeding aan de benadeelde partij wordt deels toegewezen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000492-25
datum uitspraak: 21 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 21 februari 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-083750-24 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
thans gedetineerd in [gevangenis].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, de raadsman van de verdachte en de benadeelde partij en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

De behandeling van de strafzaak van de verdachte in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot een ander inzicht en oordeel op het punt van de bewezenverklaring en de strafoplegging dan de rechtbank. Daarbij komt dat alle door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweren op het punt van het bewijs worden weerlegd door de inhoud van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen. Daaruit volgt dat de verdachte de schutter is.
Het hof verenigt zich dus met het vonnis waarvan beroep en zal dit bevestigen met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
- de overweging van de rechtbank ten aanzien van het beroep op noodweer op blad 4 van het vonnis vervangt door de navolgende overweging en twee bewijsmiddelen toevoegt in verband daarmee.

Bespreking van het beroep op noodweer(exces)

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig zijn pleitnotities aangevoerd dat de verdachte ten aanzien van feit 1 een beroep op noodweer toekomt. De verdediging heeft hiertoe – kort samengevat – aangevoerd dat de verdachte door de aangever fysiek de winkel werd uitgeduwd en buiten nog een trap van hem heeft gekregen, wat een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding was waartegen de verdachte zich mocht en moest verdedigen, zelfs met een vuurwapen. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat sprake is van noodweerexces nu bij de verdachte door de fysieke confrontatie sprake was van hevige emoties.
Toevoeging bewijsmiddelen
Het hof voegt de hierna volgende bewijsmiddelen toe.
Een proces-verbaal 17 december 2025, opgemaakt door mr. [naam 1], raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof Amsterdam, doorgenummerde pagina’s 1-5.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 17 december 2025 tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van
de getuige [getuige]:
U vraagt mij wat ik mij nog kan herinneren van mijn bezoek aan [naam 2]
(het hof begrijpt: het bedrijfspand van de aangever, [slachtoffer]) aan de [adres] op 9 maart 2024. Toen ik ben aangekomen ben ik alleen naar binnen gegaan. Mijn zoon
(het hof begrijpt: de verdachte, [verdachte]) was daar al.
Mijn zoon is toen naar buiten gegaan. [slachtoffer] en ik zijn tot een compromis gekomen. [slachtoffer] liep naar buiten nadat hij mij een hand had gegeven. Buiten ontstond een woordenwisseling tussen hem en mijn zoon. Voor ik het wist waren ze aan elkaar aan het trekken en duwen. Ik heb ze uit elkaar gehaald.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 7 juli 2026.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
U houdt mij de verklaring van mijn vader bij de raadsheer-commissaris voor, dat er een woordenwisseling ontstond tussen [slachtoffer] en mij en dat wij voordat hij het wist aan elkaar aan het trekken en duwen waren en hij ons uit elkaar heeft gehaald. Zo is het gegaan.
Verwerping verweren
Het hof verwerpt het beroep op noodweer en overweegt hiertoe als volgt.
Uit het dossier volgt dat de verdachte het bedrijfspand is uitgegaan waarna de aangever – zoals hij zelf heeft verklaard – de verdachte buiten een schop heeft gegeven. Of de verdachte uit het bedrijfspand is geduwd en of die schop door de aangever een reactie is geweest op twee klappen die de verdachte aan hem zou hebben uitgedeeld in het bedrijfspand laat het hof in het midden. Naar het oordeel van het hof kan de schop door de aangever worden aangemerkt als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Evenwel volgt uit de verklaringen van de vader van de verdachte, van de verdachte zelf ter terechtzitting in hoger beroep en van de aangever dat de vader na deze schop de verdachte en de aangever uit elkaar heeft gehaald. Daarmee was de aanval beëindigd, zodat er op dat moment geen sprake (meer) was van een noodweersituatie waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs diende te verdedigen. Het trekken van een automatisch vuurwapen en de aangever in de borst schieten heeft de verdachte dus niet verricht in een situatie waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Reeds daarom faalt het beroep op noodweer.
Het hof verwerpt ook het beroep op noodweerexces. De verdachte heeft niet verklaard over een hevige gemoedsbeweging bij hem die een beroep op noodweerexces zou kunnen rechtvaardigen en ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een ‘hevige gemoedsbeweging’ als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr.
Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 99.306,40. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 33.839,60, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 99.063,60, bestaande uit € 91.063,60 materiële schade en € 8.000 immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij heeft hij de schade voor het opknappen van het pand in verband met de opzegging van de huur in te ver verwijderd verband van het strafbare feit geacht en is hij uitgegaan van een periode van in ieder geval 12 maanden waarin de benadeelde partij ten gevolge van dit feit niet heeft kunnen werken.
De raadsman heeft primair bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, primair gelet op het verweer strekkende tot vrijspraak dan wel noodweer(exces) en voorts omdat de post verlies van verdienvermogen een onevenredige belasting van het strafgeding zou vormen. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde inkomensschade onvoldoende is onderbouwd. Meer subsidiair is het vereiste rechtstreekse causaal verband tussen het bewezenverklaarde en de gevorderde schade onvoldoende vast komen te staan. Ook de gevorderde kosten van de boekhouder en de psycholoog zijn onvoldoende onderbouwd. De gevorderde immateriële schadevergoeding is eveneens onvoldoende onderbouwd, subsidiair dient deze te worden gematigd.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
De benadeelde partij heeft vergoeding van zijn materiële schade gevorderd, bestaande uit:
- het verlies van verdienvermogen ter hoogte van primair € 90.224,00 (periode van een jaar), subsidiair € 75.186,70 (periode maart 2024 tot en met december 2024) en meer subsidiair € 45.112,02 (periode van een half jaar) (telkens uitgaande van € 7.518,- per maand aan gederfde inkomsten);
- de kosten van de boekhouder ter hoogte van € 605,00;
- de kosten van de psycholoog ter hoogte van € 234,60;
- de kosten voor het opknappen van het huurpand in verband met de opzegging van de huur ter hoogte van € 242,80.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De gevorderde materiële schade zal gedeeltelijk worden toegewezen als volgt.
Vast staat dat de benadeelde partij een eigen onderneming en opdrachten had. Naar het oordeel van het hof staat tevens vast dat de benadeelde partij ten gevolge van het onder 1 primair bewezenverklaarde niet heeft kunnen werken. Het hof is daarmee van oordeel dat er sprake is van een verlies van verdienvermogen.
Voor zover de verdediging in dit verband heeft betoogd dat de aangever zijn schadebeperkingsplicht niet heeft nageleefd door zijn bedrijf niet (langer) voort te zetten, geldt dat het bedrijf van de aangever een eenmanszaak betrof die uitsluitend door de aangever werd geëxploiteerd. Het hof acht voldoende onderbouwd dat door het onder 1 primair bewezenverklaarde de aangever niet meer in staat was de exploitatie van het bedrijf voort te zetten en genoodzaakt is geweest het bedrijf te beëindigen. Het beroep op de schadebeperkingsplicht wordt daarom verworpen.
Het hof stelt vast dat als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte de benadeelde partij fysiek letsel heeft opgelopen. Gelet op de impact van het onder 1 primair bewezenverklaarde en het gegeven dat het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden op de werkplek van de benadeelde partij, acht het hof het aannemelijk dat de benadeelde partij in ieder geval voor een periode van 3 maanden niet heeft kunnen werken. Uit het door de benadeelde partij in het geding gebrachte stuk van de boekhouder blijkt dat in 2023 de netto-inkomsten van de benadeelde partij per maand € 7.518,67 bedroegen. Het hof wijst de post van het verlies van verdienvermogen gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 7.518,67 x 3 maanden = € 22.556,01.
Voor het overige is de vordering ten aanzien van het verlies verdienvermogen te complex om in een strafgeding te beoordelen en levert behandeling van die vordering naar het oordeel van het hof een
onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal het hof bepalen dat de benadeelde partij in het meer gevorderde ten aanzien van verlies verdienvermogen niet-ontvankelijk is.
Evenals de rechtbank zal het hof de gevorderde kosten van de boekhouder ter hoogte van € 605,00 en de
gevorderde kosten van de psycholoog ter hoogte van € 234,60 toewijzen. Deze schade vloeit
rechtstreeks voort uit het onder 1 primair bewezenverklaarde en is voldoende onderbouwd.
Het hof wijst de gevorderde kosten voor het opknappen van het huurpand ter hoogte van € 242,80 af, wegens het ontbreken van een rechtstreeks verband met het onder 1 primair bewezenverklaarde. Deze schade staat in een te ver verwijderd verband van dat feit.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft daarnaast immateriële schade gevorderd ter hoogte van € 8.000,00.
Het hof stelt vast de benadeelde partij door het onder 1 primair bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen als bedoeld in artikel 6:106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek en daarmee recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade heeft het hof acht geslagen op de Rotterdamse Schaal in samenhang met de ‘Aanbevelingen rechtspraak voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW Pro’ (rechtspraak.nl). Ook heeft het hof gelet op de onderbouwing van de vordering en de aard en de ernst van het feit en het daardoor ontstane letsel. Het hof heeft tevens gelet op welke bedragen in vergelijkbare zaken worden toegewezen.
Het hof stelt alles afwegend en in onderlinge samenhang bezien – tegen de achtergrond van HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376 en HR 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822 – vast dat de totale omvang van de vergoedbare immateriële schade van € 8.000,00 billijk is.
Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 31.395,61 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen datum. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 31.395,61 (eenendertigduizend driehonderdvijfennegentig euro en eenenzestig cent) bestaande uit € 23.395,61 (drieëntwintigduizend driehonderdvijfennegentig euro en eenenzestig cent) materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 242,80 (tweehonderdtweeënveertig euro en tachtig cent) aan materiële schadeaf.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 31.395,61 (eenendertigduizend driehonderdvijfennegentig euro en eenenzestig cent) bestaande uit € 23.395,61 (drieëntwintigduizend driehonderdvijfennegentig euro en eenenzestig cent) materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 162 (honderdtweeënzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 9 maart 2024.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. J.L. Bruinsma en mr. R.A.E. van Noort, in tegenwoordigheid van
mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
21 juli 2026.
Mr. N.R.A. Meerbeek is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
_______________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000492-25
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 21 juli 2026.
Tegenwoordig zijn:
mr. M.F.J.M. de Werd, raadsheer,
I. Mutlutürk, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. D. Kruimel, advocaat-generaal.
De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.
De verdachte is
wel / nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.
Raadsman/raadsvrouw is
wel / nietaanwezig.
(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:
Tolk is
wel / nietaanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:
De raadsheer spreekt het arrest uit.
De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld.
(indien de VTE is verschenen)
De verdachte heeft
wel / geenafstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak.
(indien VTEin deze zaakis gedetineerd)
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.