Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De twee zaken in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten in beide zaken
.
en de Gemeente zullen een exploitatie-overeenkomst met elkaar sluiten waarin de wederzijdse rechten en verplichtingen worden geregeld met betrekking tot het in bouwexploitatie brengen van gronden van de planrealisator binnen de (exploitatie)plangebieden “Kagerweg-Noord”, “Kagerweg-Zuid”, en “Wijkermeerpolder”, waaronder begrepen de gemeentelijke medewerking op verzoek van de planrealisator tot het treffen van voorzieningen van openbaar nut. (…)
Zoals ook uit de rest van de toelichting zal blijken, zijn voor het gebied van de beheersverordening Groene Oostrand binnen de planperiode van 10 jaar geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voorzien. Evenmin worden in de beheersverordening nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt.
4.Procedure bij de kantonrechter
- De grond moet worden beschouwd als “warme grond”, dat wil zeggen grond waaraan naast de agrarische waarde een verwachtingswaarde wordt toegekend.
- De percelen zijn in het verleden door Delta aangekocht met het uitdrukkelijke doel om deze op enig moment in de (verre) toekomst te ontwikkelen tot bedrijventerrein.
- De percelen zijn strategisch gelegen omdat ze naast de bedrijventerreinen aan de andere kant van de A-9 liggen, in de directe omgeving van het Noordzeekanaal.
- De percelen zijn feitelijk de enige gronden binnen de gemeente Beverwijk waarop redelijkerwijs nog uitbreiding of ontwikkeling van bedrijventerreinen kan plaatsvinden.
- De Structuurvisie 2015, waarin is vastgelegd dat de Wijkermeerpolder moet dienen als groene buffer tussen de gemeente Beverwijk en de gemeente Zaanstad, hoeft niet in de weg te staan aan een ontwikkeling van de percelen tot bedrijventerrein.
- De gemeente Beverwijk heeft zich ook na vaststelling van de structuurvisie in 2009 nog actief ingezet voor de mogelijke ontwikkeling van de percelen tot bedrijventerrein.
- De gemeente Beverwijk heeft in het verleden (in de jaren negentig (zie r.o. 2.4. van het vonnis in de hoofdprocedure) expliciet toegezegd zich te zullen inspannen om een bedrijventerrein op de percelen mogelijk te maken.
- De ontwikkeling van de percelen tot bedrijventerrein, past goed in de gemeentelijke strategie ten aanzien van de haven.
- Op het tijdstip van de gedoogbeschikking rustte er een inspanningsverplichting op de gemeente Beverwijk om mee te werken aan een bestemmingswijziging van de percelen.
- Waren er op de peildatum kenbare ruimtelijke plannen of planologische documenten (waaronder bestemmingsplannen, structuurvisies, verordeningen etc.) op basis waarvan verwacht mocht worden dat de grond een bedrijvenbestemming krijgt?
- Was er op de peildatum sprake van kenbare ontwikkelingen binnen het gebied waarin de gronden liggen en kwamen de onderhavige percelen daarbij in beeld?
- Zijn er andere professionele marktpartijen in het gebied actief en is daarbij zichtbaar dat er (voor percelen met een verwachtingswaarde) een hogere waarde dan de agrarische waarde wordt betaald?
- Waren er, afgezien van de hiervoor beschreven uitgangspunten, andere aanwijzingen waaraan ontleend kan worden dat er een ontwikkeling tot bedrijventerrein te verwachten was?
- De toezeggingen over een bestemmingswijziging van de percelen zijn namens de gemeente Beverwijk gedaan door toenmalige bestuurders van de gemeente Beverwijk, niet door de gemeenteraad.
- Indien en voor zover de bestemming van de percelen in de toekomst wordt gewijzigd, is onduidelijk op welke termijn dat zal gebeuren.
- De mate van vraag vanuit de markt; is er sprake van schaarste?
- Het risico van de investering in verhouding tot de potentiële opbrengst van de gronden.
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling
ten tijde vande gedoogbeschikking heeft Delta de stelling ingenomen dat de grond een reële ontwikkelingsverwachting had. Zij heeft in dat verband het volgende aangevoerd:
náhet nemen van de gedoogbeschikking stelt Delta niet alleen dat, als gevolg van de gedoogbeschikking c.q. de aanleg en de instandhouding van de hoogspanningsverbinding, de verwachtingswaarde nihil is, maar ook dat het gebruik als landbouwgrond wordt gefrustreerd door de aanleg en instandhouding van de hoogspanningsverbinding: de percelen zijn door de hoogspanningsmast dwars door midden gesneden, een zeer brede strook onder het tracé is hierdoor onbruikbaar geworden, en op de grond ter plaatse van het opstijgpunt en de masten is landbouwvoering niet meer mogelijk. Door de verlegging van een sloot zijn de gebruiksmogelijkheden verder verminderd. Tot slot is het land moeilijker bewerkbaar geworden omdat de gebruikelijke werkrichtingen zijn doorsneden. Door dit alles is het land niet (adequaat) bewerkbaar en mist Delta pachtopbrengsten, aldus Delta.
op de peildatum(dat wil zeggen: vóór de gedoogbeschikking) was. Bij het bepalen van die waarde dient te worden uitgegaan van de prijs, tot stand gekomen bij een veronderstelde koop in het vrije commerciële verkeer tussen de eigenaar van de percelen als redelijk handelende verkoper en een redelijk handelende koper in het vrije commerciële verkeer, dat wil zeggen een koper die, bij het bepalen van de koopprijs, mede rekening houdt met op de peildatum bij hem bestaande, voldoende reële, verwachtingen over een wijziging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan (zie naar analogie Hoge Raad 16 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1874, rov. 4.2).
direct ná de peildatum.
[d]e grond moet worden beschouwd als “warme grond”, dat wil zeggen grond waaraan naast de agrarische waarde een verwachtingswaarde wordt toegekend’(zie eerste bullet point onder punt 4.4) heeft het onderzoek van de rechtbankdeskundige dan ook een valse start gegeven. De beantwoording van de vraag of (en zo ja, welke) verwachtingswaarde de percelen hadden, zou de slotsom van het onderzoek van de deskundige moeten zijn, niet het vertrekpunt. Deze instructie kan naar het oordeel van het hof dus niet als uitgangspunt dienen.
bovenopde agrarische waarde’ (vraag 1) als op de
totale waardevan de grond (laatste deel van vraag 2).
‘afstand neemt van mogelijke ontwikkeling van bedrijventerreinen en havens’.Ook in de planologische documenten die op de Structuurvisie 2015 zijn gevolgd valt naar het oordeel van het hof geen aanwijzing te vinden die erop duidt dat de percelen in de toekomst zouden kunnen worden ontwikkeld tot bedrijventerrein, al dan niet ter uitbreiding van de haven. In de Structuurvisie Noord-Holland 2040 van juni 2010 (zie punt 3.10 hierboven) is weliswaar overwogen dat in de Wijkermeerpolder geen onomkeerbare ontwikkelingen kunnen plaatsvinden die een eventuele uitbreiding van de haven onmogelijk maken, maar deze overwegingen zijn daarna achterhaald door de Visie Noordzeekanaalgebied 2040 van november 2013 (zie punt 3.12 hierboven). Hierin staat immers expliciet:
‘De stuurgroep schrapt de reservering van de Wijkermeerpolder als mogelijke locatie voor havenuitbreiding (…)’. Hiermee is ook achterhaald de relevantie van de Startnotitie integrale effectrapportage bedrijventerrein Wijkermeerpolder d.d.1997 (zie punt 3.8 hierboven) waar Delta zich eveneens op beroept. Verder heeft Delta nog betoogd dat uit artikel 23 van Pro de Provinciale Ruimtelijke Verordening (hierna: PRV) volgt dat de provincie de Wijkermeerpolder had aangewezen als mogelijke locatie voor de realisatie van (nat) bedrijventerrein. Het is het hof echter niet duidelijk hoe dit uit de PRV kan worden afgeleid. Delta heeft in dit verband artikel 23 PRV Pro geciteerd maar in dit artikel zoals geciteerd door Delta is niet meer bepaald dan dat voor de gronden in de Wijkermeerpolder een bestemmingsplan niet voorziet in industriële bebouwing.
‘Structuurvisie 2015, waarin is vastgelegd dat de Wijkermeerpolder moet dienen als groene buffer tussen de gemeente Beverwijk en de gemeente Zaanstad, […] niet in de weg[hoeft]
te staan aan een ontwikkeling van de percelen tot bedrijventerreinen’(vijfde bullet point in punt 4.4 hierboven) onjuist is. Immers, niet van belang is of een planologisch document in de weg staat aan een bedrijvenontwikkeling, maar of een redelijk handelend koper aan één of meerdere planologische documenten op de peildatum voldoende reële verwachtingen kan ontlenen dat de percelen een bedrijfsbestemming zouden krijgen. Daarnaast volgt uit het voorgaande dat het hof onvoldoende grond ziet voor het uitgangspunt zoals door de kantonrechter verwoord in de achtste bullet point van de instructies aan de rechtbankdeskundige (zie punt 4.4 hierboven) en die luidt: ‘
De ontwikkeling van de percelen tot bedrijventerrein, past goed in de gemeentelijke strategie van de haven.
’
na 2009nog ‘actief heeft ingezet’ voor de mogelijke ontwikkeling van de percelen tot bedrijventerrein. Het getuigenverhoor, waarop de kantonrechter dit uitgangspunt heeft gebaseerd, ziet voornamelijk op gebeurtenissen rondom de totstandkoming en uitvoering van de ontwikkelingsovereenkomst. Die overeenkomst dateert echter al uit 1998. Vaststaat dat die overeenkomst (die overigens alleen betrekking lijkt te hebben op de percelen 121 en 235 en niet op perceel 271) niet is opgevolgd door een exploitatie-overeenkomst en dat de gemeente Beverwijk in het najaar van 2009 de financiële (exploitatie)bijdrage als bedoeld in artikel 17 van Pro die overeenkomst aan TenneT heeft terugbetaald. Ter zitting heeft Delta toegelicht dat de exploitatie-overeenkomst niet meer nodig was. Er zijn geen dan wel onvoldoende feiten gesteld die dateren na 2009 en die wijzen op verdere uitvoering van de ontwikkelingsovereenkomst, dan wel andere feiten waaruit de ‘actieve inzet’ van de gemeente Beverwijk ten gunste van Delta valt af te leiden. De door de kantonrechter gehoorde getuigen Schram (voormalig advocaat van Delta), Koster (voormalig wethouder) en Van Leeuwen (voormalig burgemeester) kunnen zich volgens hun verklaringen weliswaar nog herinneren dat er op enig moment na 2009 ‘gesproken is’ over de ontwikkeling van de percelen tot bedrijventerrein maar veel concreter zijn hun herinneringen niet. Schram verklaart zelfs dat met die ontwikkeling geen haast was ‘omdat het bestaande bedrijventerrein aan de andere kant van de A9 nog niet vol was’. Koster en Van Leeuwen spreken nog over de relevantie van een ‘slotdocument’ dat in het kader van de stuurgroep Noordzeekanaal, waarvan Koster deel uitmaakte, zou zijn opgesteld, maar dat slotdocument hebben zij niet meer kunnen vinden en is door Delta ook niet in het geding gebracht. Het hof wijst er in dit verband op dat de stuurgroep Noordzeekanaal in 2013 juist heeft verklaard dat het onwenselijk is om een industriegebied te realiseren in de Wijkermeerpolder ten zuiden van de liniedijk (zie hierboven, punt 3.12).