ECLI:NL:GHAMS:2026:2015

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
23-001981-25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling met toediening van meerdere trappen aan slachtoffer op de grond

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter in eerste aanleg bevestigd, met uitzondering van de opgelegde taakstraf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, die het hof heeft herzien.

De verdachte werd schuldig bevonden aan medeplegen van mishandeling door samen met een medeverdachte meerdere malen tegen het hoofd en lichaam van het slachtoffer te trappen terwijl deze op de grond lag. Het letsel bestond uit diverse blauwe plekken, zwellingen en bloeduitstortingen, welke niet aannemelijk door een val zijn veroorzaakt. Het hof achtte de bewijsvoering overtuigend, mede op basis van getuigenverklaringen.

De straf is verhoogd ten opzichte van de politierechter: het hof legde een taakstraf van 120 uren op, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend gelet op de ernst van het geweld en de omstandigheden. De vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer is vastgesteld op €600, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 12 oktober 2023, waarbij rekening is gehouden met reeds door de medeverdachte betaalde €100.

Het hof benadrukte dat het onderliggende conflict nog niet is opgelost en dat de verdachte nog gevoelens van boosheid heeft, wat mede aanleiding was voor het voorwaardelijke deel van de straf. De overige onderdelen van het vonnis van de politierechter blijven ongewijzigd.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur waarvan 40 uur voorwaardelijk en een schadevergoeding van €600 aan het slachtoffer.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001981-25
datum uitspraak: 21 mei 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 26 augustus 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-372593-24 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 mei 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, diens raadsvrouw en de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde taakstraf en de beslissing op de vordering benadeelde partij – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
  • de bewijsconstructie aanvult met de onderstaande bewijsoverweging;
  • de bewijsmiddelen van de politierechter vervangt met de bewijsmiddelen die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden uitgewerkt in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Aanvullende bewijsoverweging

Uit het dossier, waaronder de medische verklaring die als bijlage bij de vordering benadeelde partij is overgelegd, blijkt dat het letsel van de aangever bestond uit drukpijn bij de nekwervels, een contusie bij de ribben gelegen aan de rechter voorzijde van het lichaam, zwelling en een bloeduitstorting op en rondom het oor en een blauwe plek op het voorhoofd.
Dat dit letsel zou zijn veroorzaakt door een val tegen de muur, zoals de verdachte heeft verklaard, acht het hof niet aannemelijk. De verwondingen passen bij de door de getuigen Swart en Boon beschreven toedracht, namelijk dat de verdachte en de medeverdachte de aangever meerdere keren tegen het gezicht en lichaam hebben getrapt.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van mishandeling door samen met een ander meerdere keren tegen het hoofd en het lichaam van de aangever te trappen, terwijl deze op de grond lag. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever en hem pijn en letsel toegebracht.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Daarbij is rekening gehouden met de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het hof acht daarbij in het bijzonder van belang dat de verdachte en zijn mededader tegen het hoofd en lichaam van de aangever hebben getrapt. Dergelijk geweld kan, gelet op de aard en de ernst daarvan, worden aangemerkt als geweld dat vergelijkbaar is met mishandeling gepleegd met behulp van een slagwapen dan wel een kopstoot, zodat het hof aansluiting zoekt bij het daarvoor geldende oriëntatiepunt, te weten een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
Voorts overweegt het hof dat het aan de mishandeling ten grondslag liggende conflict nog niet is opgelost. Ter terechtzitting is het hof gebleken dat de verdachte nog met gevoelens van boosheid kampt. Het hof ziet daarin aanleiding om een deel van de op te leggen straf voorwaardelijk op te leggen, teneinde de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarbij ziet het hof geen aanleiding om de proeftijd vast te stellen op één jaar, zoals door de raadsvrouw is verzocht.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 120 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 700,00. De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 700,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
De raadsvrouw heeft verzocht de vordering benadeelde partij – indien de verdachte niet wordt vrijgesproken – vast te stellen op € 100,00, nu dit bedrag ook is vastgesteld in de zaak van de medeverdachte. Voor het geval het hof dit verweer passeert, heeft de raadsvrouw verzocht het bedrag te matigen met € 100,00, nu dit bedrag in de zaak van de medeverdachte is toegewezen.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 600,00, nu € 100,00 reeds is vergoed door de medeverdachte.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, nu de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het hof stelt deze schade naar maatstaven van billijkheid vast op een bedrag van € 600,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 12 oktober 2023. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. Daartoe overweegt het hof dat uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat in de zaak van de medeverdachte € 100,00 schadevergoeding is toegewezen, en dat de medeverdachte dit bedrag reeds heeft voldaan. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde taakstraf en de beslissing op de vordering benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 600,00 (zeshonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 600,00 (zeshonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 6 (zes) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 12 oktober 2023.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J. Roos, mr. M.J.A. Plaisier en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 mei 2026.
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
_______________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001981-25
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 21 mei 2026.
Tegenwoordig zijn:
mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, raadsheer,
B.F.A. van Drie, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. D. Kruimel, advocaat-generaal.
De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.
De verdachte is
wel / nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.
Raadsman/raadsvrouw is
wel / nietaanwezig.
(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:
Tolk is
wel / nietaanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:
De raadsheer spreekt het arrest uit.
De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld.
(indien de VTE is verschenen)
De verdachte heeft
wel / geenafstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak.
(indien VTEin deze zaakis gedetineerd)
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.