De zaak betreft een ontnemingsvordering tegen de betrokkene, veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van witwassen. Na eerdere vonnissen en een arrest van het hof, vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
Het hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €279.585,80, gebaseerd op witwaspraktijken waarbij grote geldbedragen via Hongaarse vennootschappen en een Duitse rekening werden verplaatst. De betrokkene speelde een wezenlijke rol bij het verkrijgen van bankgegevens en het ophalen van contant geld in Duitsland, wat het hof aannemelijk achtte op grond van bewijsmiddelen en eerdere veroordelingen.
De verdediging voerde aan dat er geen wettige bewijzen waren en stelde een veel lager voordeel vast, maar dit werd verworpen. Het hof hield rekening met de rolverdeling binnen de criminele organisatie en schatte het voordeel van de betrokkene op €280.000, minus gemaakte reiskosten.
De betalingsverplichting werd verminderd met €10.000 vanwege een uitzonderlijke overschrijding van de redelijke termijn. Het hof verwierp het draagkrachtverweer omdat onvoldoende concreet bewijs was geleverd dat de betrokkene niet zou kunnen betalen. De betrokkene is verplicht tot betaling van €269.585,80 aan de Staat.