ECLI:NL:GHAMS:2026:191

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
23-002985-19
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 140 SrArt. 420bis Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen witwassen en zonder vergunning betaaldienstverlening

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het medeplegen van witwassen van een bedrag van €459.650, deelneming aan een criminele organisatie die zich bezighield met witwassen en het zonder vergunning uitoefenen van betaaldienstverlening. Het onderzoek betrof het ondergrondse bankieren binnen een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband.

Bewijsmateriaal bestond uit observaties, heimelijke doorzoekingen, camerabeelden en financiële administratie. De verdachte gaf geen concrete verklaring over de herkomst van de geldbedragen, wat het hof overtuigde van de betrokkenheid bij witwassen. De verdachte maakte gebruik van een besloten vennootschap en leaseauto’s met verborgen ruimtes.

De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, maar het hof matigde dit tot 16 maanden vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte werd vrijgesproken van enkele andere tenlastegelegde geldbedragen. Het hof benadrukte de ernst van witwassen en het belang van toezicht op betaaldienstverleners.

De straf zal volledig worden uitgevoerd in een penitentiaire inrichting, met inachtneming van mogelijke deelname aan penitentiaire programma’s of voorwaardelijke invrijheidstelling. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het arrest van het hof is bindend.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 16 maanden gevangenisstraf voor medeplegen witwassen en zonder vergunning betaaldienstverlening.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002985-19
datum uitspraak: 26 januari 2026
TEGENSPRAAK (art. 279 Sv Pro)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-729060-15 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
adres: [adres 1] ).
De strafzaak onder parketnummer 23-002985-19 komt voort uit het opsporingsonderzoek dat bekend is onder de naam ‘Fa’. In dit onderzoek is sprake van meer verdachten, onder wie [verdachte] , die hierna wordt aangeduid als ‘de verdachte’ dan wel ‘ [verdachte] ’. De medeverdachten worden hierna (ook) aangeduid als [medeverdachte 1] en ( [medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
8 en 9 december 2025 en 12 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks de periode van 11 juli 2015 tot en met 17 november 2015 te Amsterdam en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich (meermalen althans eenmaal) schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans schuldwitwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (van) een of meerdere geldbedrag(en), te weten (onder meer):
- een geldbedrag van ongeveer EUR 459.650,- (zaak [zaak] ), althans een geldbedrag en/of
- een geldbedrag van ongeveer EUR 30.000,- (kantoorpand [adres 2] ) en/of
- een of meerdere geldbedrag(en) met een totale waarde van ongeveer EUR 17.484.180,-, (althans EUR 17.153.380 exclusief het geldbedrag van EUR 330.800,- uit de Mercedes) en/of EUR 17.442.498,- (kasboek) en/of
- de opbrengsten en/of verdiensten van het zonder vergunning in het kader van het bedrijf van betaaldienstverlener handelen met betrekking tot geldbedragen,
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op genoemde voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) was en/of genoemde voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden had
en/of
verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van een of meerdere voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) gebruik gemaakt,
terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
2.
hij in of omstreeks de periode van 11 juli 2015 tot en met 17 november 2015 te Amsterdam en/of Rotterdam, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
- ( gewoonte)witwassen, althans schuldwitwassen, van een of meerdere geldbedragen, te weten:
van een of meerdere geldbedragen de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verbergen en/of verhullen, althans verbergen en/of verhullen wie de rechthebbende op genoemd(e) geldbedrag(en) was en/of genoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden had
en/of
het verwerven en/of voorhanden hebben en/of overdragen en/of omzetten en/of gebruik maken van een of meer geldbedrag(en) uit enig misdrijf afkomstig (artikelen 420ter/bis/quater Wetboek van Strafrecht) en/of
- het opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:3a Wet op het financieel toezicht jo artikel 1 sub Pro 2, 2 en 6 Wet op de economische delicten;
welke deelneming bestaat uit het uitvoeren van geldtransacties en/of het bijhouden van het kasboek van de organisatie;
3.
hij in of omstreeks de periode van 11 juli 2015 tot en met 17 november 2015 te Amsterdam en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandse Bank het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend, als bedoeld in artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het financieel toezicht, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) ten behoeve van en/of op verzoek van (een onbekend gebleven) begunstigde(n) en/of (een onbekend gebleven) betaler(s) en/of een of meer (onbekend gebleven) ander(en) een of meerdere (contante) geldtransactie(s) en/of een of meerdere geldtransfer(s) uitgevoerd en/of voor rekening van een of meer van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) ontvangen en/of aan een of meerdere van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) beschikbaar gesteld en/of voor een of meer van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) gehouden, te weten:
- een geldbedrag van ongeveer EUR 459.650,- (zaak [zaak] ), althans een geldbedrag en/of
- een geldbedrag van ongeveer EUR 30.000,- (kantoorpand [adres 2] ) en/of
- een of meerdere geldbedrag(en) met een totale waarde van ongeveer EUR 17.484.180,- (althans EUR 17.153.380 exclusief het geldbedrag van EUR 330.800,- uit de Mercedes) en/of EUR 17.442.498,- (kasboek).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3. Het onder 1 tenlastegelegde geldbedrag van € 459.650,00, de opbrengsten of verdiensten van de werkzaamheden als geldkoerier en de onder 2 tenlastegelegde (niet nader genoemde) geldbedragen zijn afkomstig uit enig misdrijf. Uit het dossier blijkt niet uit welk misdrijf of welke misdrijven de geldbedragen afkomstig zijn, maar daaruit blijkt wel dat sprake is van ondergronds bankieren en (daarmee) van een vermoeden van witwassen. Dan mag van de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van de geldbedragen worden verwacht. Die verklaring heeft de verdachte niet gegeven. Dat brengt met zich dat kan worden bewezen dat die geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte die geldbedragen heeft witgewassen. Er is geen sprake van gewoontewitwassen, omdat slechts één transactie kan worden bewezen. Die geldtransactie vond wel plaats binnen een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband waarbij de rol van [verdachte] die van geldkoerier was.
Aanleiding van het onderzoek
Op 12 maart 2015 wordt in het kader van een ander strafrechtelijk onderzoek een observatie uitgevoerd op het perceel [adres 3] . Daar wordt gezien dat twee onbekende mannen (NNI en NN2) in een Audi A3 (hierna: de Audi) met Duits kenteken [kenteken 1] aankomen bij de [adres 3] . NNI loopt met een lege [winkel 1] -tas naar de Audi en pakt gevulde plastic zakken met het AH-logo uit de kofferbak die hij in de [winkel 1] -tas stopt. NNI gaat vervolgens met de volle tas de flat aan de [adres 3] in. Uit onderzoek naar het kenteken in de politiesystemen blijkt dat er verschillende registraties zijn op dit kenteken. De bestuurder van de auto is dan steeds [verdachte] . Uit een van de registraties komt naar voren dat [verdachte] in november 2014 is gecontroleerd. In de auto was toen ook [medeverdachte 2] aanwezig. Bij een volgende observatie van [adres 3] , op 6 mei 2015, zien observanten dat NNI en NN2 in een Volkswagen Jetta met kenteken [kenteken 2] (hierna: de Jetta) wegrijden van de [adres 3] en een ontmoeting hebben met inzittenden van een Volkswagen Passat (hierna: de Passat) met kenteken [kenteken 3] . NNI en NN2 blijken later [verdachte] en zijn broer [medeverdachte 3] te zijn. De Passat is op naam gesteld van [persoon 1] , die in 2008 twee verdachte moneytransfers heeft gedaan naar [persoon 2] . Deze [persoon 2] wordt door de politie gezien als de spil in diverse internationale criminele organisaties voor het invoeren van grondstoffen voor synthetische drugs en de vervaardiging en levering hiervan. In december 2014 is [persoon 3] bestuurder geweest van deze Passat. [persoon 3] op zijn beurt is eerder in Ierland veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar voor het bezit van cocaïne en XTC ter waarde van 150.000,00 Engelse ponden. Hij zou deel uitmaken van een bekende Ierse criminele organisatie. Naar aanleiding van deze observaties en bevindingen is het onderzoek 13FA gestart.
Op grond van de bewijsmiddelen zoals deze in het geval dat beroep in cassatie wordt ingesteld tegen dit arrest in een nadere aanvulling zullen worden opgenomen, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Bij diverse observaties is gezien dat de Audi regelmatig geparkeerd staat in de omgeving van de [adres 4] . [medeverdachte 1] staat, samen met zijn zoon [verdachte] en zijn echtgenote [persoon 4] , ingeschreven op het adres [adres 4] . Op 3 juni 2015 wordt gezien dat [verdachte] om 12.50 uur bij de [adres 2] in Amsterdam naar binnen gaat. Op 10 juni 2015 gaat hij om 11.38 uur de [adres 2] in.
[bedrijf]
Uit onderzoek blijkt dat een bedrijfsunit op de [verdieping] verdieping van de [adres 2] is verhuurd aan de besloten vennootschap [bedrijf] BV (hierna: [bedrijf] ). Deze vennootschap is op 21 mei 2013 in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven. [bedrijf] heeft als bedrijfsomschrijving “groothandel in textielwaren en schoenen”. [persoon 5] en [medeverdachte 2] zijn bestuurders, waarbij laatstgenoemde ook is ingeschreven als directeur. Tussen 21 mei 2013 en 25 november 2014 was [verdachte] bevoegd tot € 5.000,00, blijkt uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel. Het bij de Kamer van Koophandel vermelde telefoonnummer eindigend op * [nummer 1] staat op naam van [medeverdachte 1] . [bedrijf] heeft als bezoekadres [adres 5] , maar huurt per 1 april 2015 kantoorunit [unit] op de [verdieping] verdieping van de [adres 2] in Amsterdam. In de huurovereenkomst staat dat [medeverdachte 2] contactpersoon is van [bedrijf] , met een telefoonnummer eindigend op * [nummer 2] . Aan [bedrijf] zijn drie toegangspassen verstrekt. Onderzoek wijst uit dat op 3 juni 2015 om 12.49 uur een van de toegangspassen van [bedrijf] is gebruikt, evenals op 10 juni 2015 om 11.33 uur.
Observaties [adres 2]
Op 22 juli 2015 is heimelijk een videocamera geplaatst in de centrale hal van de [verdieping] etage van [adres 2] , gericht op de ingang van unit [unit] , het kantoor van [bedrijf] . Uit de beelden blijkt dat de ruimte wordt gebruikt door [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] waarbij [medeverdachte 1] en [verdachte] een sleutel van de ruimte hebben en [medeverdachte 2] niet. Uit de beelden blijkt ook dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] , al dan niet vergezeld door onbekende personen, regelmatig met gevulde tassen het kantoor in dan wel uit gaan. Het vermoeden van de politie is dat de tassen gevuld zijn met contant geld en dat het kantoor van [bedrijf] bedoeld is om geld in ontvangst te nemen en weer door te leveren. Uit de camerabeelden is ook gebleken dat de kantoorruimte aan de [adres 2] sinds eind augustus 2015 kennelijk niet meer als kantoor in gebruik is.
Heimelijke doorzoeking [bedrijf] , [adres 2]
Omdat bij herhaling is gezien dat ogenschijnlijk gevulde tassen het kantoor van [bedrijf] in- en uitgaan, heeft op 4 augustus 2015 een heimelijke doorzoeking plaatsgevonden in het kantoor. Bij de doorzoeking zijn lege [winkel 2] -tassen, opengescheurde plastic tasjes en drie gebundelde pakketten van 20 euro biljetten aangetroffen. Elk gebundeld pakket bestond uit 5 aparte pakketjes. In totaal bleek het – na vluchtige telling – om € 30.000,00 te gaan. Ook lagen er losse biljetten van € 10,00, € 20,00,
€ 50,00, € 100,00 en € 200,00 in een la. Verder zijn er een kantooragenda met daarin geschreven getallen of bedragen, een geldtelmachine, kladjes met aantekeningen van namen/woorden en getallen of bedragen, een rekenmachine, zwarte plastic tasjes met kleine gouden logo’s (het hof begrijpt: een goudkleurig stippenpatroon) en een kladblok met aantekeningen, namen en bedragen/getallen aangetroffen. Daarnaast waren er twee kilozakken elastiekjes, die identiek waren aan de elastiekjes waarmee de bundels geld waren gebundeld, aanwezig.
Nieuwe locatie, andere werkwijze
[medeverdachte 2] heeft per 1 september 2015 een bedrijfspand aan [adres 6] gehuurd op naam van [bedrijf] . Vanaf die datum werkt hij vanuit zijn woonadres aan de [adres 7] . Op 3 september 2015 komt hij bij ‘ [persoon 6] , afrekenmachines en vacuümmachines’ met een pakket naar buiten en neemt dit mee zijn woning in. Bij de doorzoeking van de woning is een geldtelmachine aangetroffen. Ook schaft [medeverdachte 2] , op naam van [bedrijf] , een nieuwe leaseauto aan, een Mercedes Benz. Onder de Mercedes wordt een baken geplaatst. Uit de bakengegevens en uit observaties wordt waargenomen dat [medeverdachte 2] veelvuldig naar Rotterdam op en neer rijdt.
Transactie € 459.650,00 (zaak [zaak] )
Tijdens de observaties en op de camerabeelden van 11 augustus 2015 is het volgende waargenomen. Om 10.53 uur komt [verdachte] aan bij het kantoor van [bedrijf] aan de [adres 2] (hierna ook: het kantoor). Hij heeft een plastic [winkel 2] -tas bij zich met een vulling van het formaat van een grote schoenendoos. Om 12.00 uur komt [medeverdachte 1] met een oudere grijze man aan bij de [adres 2] en zij gaan daar naar binnen. Om 12.12 uur gaat [verdachte] het kantoor uit en tien minuten later gaat hij het kantoor weer in. Om 13.20 uur gaat hij het kantoor weer uit. Gezien wordt dat [verdachte] om 13.23 uur de parkeergarage aan de zijde van de [adres 8] uitkomt met een telefoon in zijn handen. Om 13.24 uur stapt hij als passagier in een Citroën Cl (hierna: de Citroën). Om 13.27 uur stopt de Citroën voor de parkeergarage aan de [adres 8] . [verdachte] opent de deuren van de parkeergarage en de Citroën rijdt naar binnen. Op de camerabeelden is te zien dat [verdachte] om 13.30 uur met een persoon bij het kantoor komt. De man heeft niets bij zich. Vijf minuten later verlaten [verdachte] en deze persoon het kantoor. De man heeft een shoppertas van [winkel 2] bij zich. De tas lijkt zwaar en minstens voor de helft gevuld. Om 13.37 uur komt [verdachte] terug bij het kantoor en gaat daar naar binnen. Vervolgens wordt geobserveerd dat de eerdergenoemde man om 13.38 uur de parkeergarage in komt lopen met de [winkel 2] -shoppertas. Even later rijdt de Citroën de parkeergarage uit. Vlak na het leveren van de tas aan de hiervoor bedoelde man komt de verdachte het kantoor in en zijn [medeverdachte 1] en de verdachte samen op kantoor. Vervolgens wordt de Citroën onder observatie genomen. Hierbij wordt gezien dat de Citroën richting Buitenveldert rijdt. Op twee momenten parkeert de bestuurder de Citroën en stapt uit en in. Om 14.22 uur wordt de Citroën geparkeerd op de [adres 9] ter hoogte van de [adres 10] . De bestuurder stapt uit. Gezien wordt dat hij de kofferbak van de Citroën opent en hier een grote blauwe shoppertas van het merk [winkel 2] uit pakt. Hij loopt met de tas weg richting Backershagen. De tas is zichtbaar zwaar. Om 14.25 uur wordt de bestuurder van de Citroën aangehouden. De bestuurder bleek te zijn [naam] . In de [winkel 2] -shoppertas zaten onder meer twee zwarte plastic tassen voorzien van een goudkleurig stippenpatroon. In beide tassen zaten diverse bundels met geld. Elke bundel was bijeengebonden met elastiekjes. In de eerste zwarte tas zaten uitsluitend biljetten van € 50,00 (5500 biljetten) met een gezamenlijke waarde van € 275.000,00. In de tweede tas zaten eurobiljetten van diverse coupures (2091 biljetten van € 50.00, 403 biljetten van
€ 100,00 en 199 biljetten van € 200,00) met een gezamenlijke waarde van € 184.650,00. In totaal is een bedrag van € 459.650,00 aangetroffen in de [winkel 2] tas. Bij [naam] is een BlackBerry telefoon in beslag genomen, waarop encrypted mails staan opgeslagen. Met de rechtbank concludeert het hof dat [verdachte] de [winkel 2] -tas met het geld aan [naam] heeft overhandigd. Gezien is dat [naam] zonder tas samen met [verdachte] het kantoor aan de [adres 2] binnengaat. Als hij het kantoor verlaat heeft hij een grote, zware [winkel 2] -shopper bij zich, soortgelijk aan de tas waarin het geld is aangetroffen. [naam] is tot aan zijn aanhouding onder observatie geweest. Niet gebleken is dat de kofferbak van de Citroën geopend is geweest tot vlak voor zijn aanhouding. Uit het vorenstaande volgt dat [verdachte] het geldbedrag van € 459.650,00 heeft overgedragen aan [naam] . Hij levert de tas vanuit het kantoor van [bedrijf] en na de levering is hij samen met [medeverdachte 1] in het kantoor.
Witwassen (feiten 1 en 2): uit enig misdrijf afkomstig
Het hof is van oordeel dat kan worden bewezen dat het onder 1 tenlastegelegde geldbedrag van
€ 459.650,00 en de opbrengsten en verdiensten van de werkzaamheden als geldkoerier - en daarmee de onder 2 bedoelde geldbedragen - afkomstig zijn uit enig misdrijf. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Uit het dossier blijkt niet uit welk misdrijf of uit welke misdrijven de geldbedragen afkomstig zijn. Daaruit blijkt wel van een vermoeden van witwassen. Dat volgt uit de volgende feiten en omstandigheden:
  • het geldbedrag dat is aangetroffen bij [naam] betreft een hoog contant geldbedrag,
  • bij de overdracht, het vervoer of de bewaring van geldbedragen van de hoogte als dat is aangetroffen bij [naam] , mag worden verwacht dat daarbij voor een deugdelijke beveiliging wordt gezorgd. Hiervan is niet gebleken,
  • de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] maakten voor onder meer de huur van kantoorruimte en de lease van auto’s gebruik van de besloten vennootschap [bedrijf] , waarvan de in het handelsregister van de Kamer van Koophandel vermelde bedrijfsactiviteiten en bestuurders niet overeenkwamen met de werkelijkheid,
  • de bij [medeverdachte 2] aangetroffen biljetten van € 5,00, het door [medeverdachte 2] en zijn toenmalige vriendin op 5 oktober 2015 gevoerde telefoongesprek over een biljet van € 5,00 en de in de slaapkamer van de verdachte aangetroffen notitie wijzen op het gebruik van tokens, waarmee geldbedragen anoniem kunnen worden overgedragen, hetgeen het vermoeden versterkt dat het gaat om geld afkomstig uit misdrijf,
  • de geldbedragen die zijn aangetroffen bij [naam] en in het kantoor van [bedrijf] B.V. aan de [adres 2] – waarvan de verdachte de beschikking over een sleutel heeft gehad – waren gebundeld op een wijze die gebruikelijk is in het criminele circuit, namelijk in stapels van 100 biljetten van een gelijk bedrag met elastiekjes om iedere stapel en vervolgens in bundels van een aantal stapels met elastiekjes om iedere bundel,
  • [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] maakten gebruik van PGP-telefoons, waarvan de communicatie destijds niet door de politie kon worden ontsleuteld,
  • de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] maakten gebruik van twee (lease)auto’s met een ingebouwde verborgen ruimte (een Mercedes met kenteken [kenteken 4] en een Volkswagen met kenteken [kenteken 2] ), en
  • de door de politie in dit onderzoek inbeslaggenomen contante geldbedragen zijn tot nu toe niet door enig vermeend rechthebbende opgeëist.
Deze feiten en omstandigheden brengen met zich dat van de verdachte mag worden verwacht dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van de geldbedragen. Dat heeft hij niet gedaan. De verdachte heeft bij de politie geen inhoudelijke verklaring afgelegd en is niet verschenen op de terechtzittingen bij de rechtbank en het hof.
Bij de hiervoor weergegeven stand van zaken is het hof van oordeel dat de conclusie is gerechtvaardigd dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat de verdachte en – voor zover het hen aangaat - de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] dit wisten.
Overeenkomstig het vonnis van de rechtbank en het requisitoir zal de verdachte worden vrijgesproken van de op de tenlastelegging onder feit 1 en 3 opgenomen geldbedragen uit het kantoor aan de [adres 2] (€ 30.000,00) en het kasboek (€ 17.484.180,00/ € 17.153.380,00/ € 17.442.498,00).
Het hof komt tot bewezenverklaring van het onder feit 3 ten laste gelegde bankieren zonder vergunning. Zowel de verdachte als zijn medeverdachten beschikten op geen enkel moment in de ten laste gelegde periode over een vergunning voor het verlenen van betaaldiensten.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 11 juli 2015 tot en met 17 november 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader(s) geldbedragen, te weten:
- een geldbedrag van EUR 459.650,00 (zaak [zaak] ), en
- de opbrengsten of verdiensten van het zonder vergunning in het kader van het bedrijf van betaaldienstverlener handelen
verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen
terwijl hij en zijn mededader(s) wisten, dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;
2.
hij in de periode van 11 juli 2015 tot en met 17 november 2015 te Amsterdam heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
- gewoontewitwassen van geldbedragen, te weten:
het verwerven en/of voorhanden hebben en/of overdragen van geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig en
- het opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:3a Wet op het financieel toezicht jo artikel 1 sub Pro 2, 2 en 6 Wet op de economische delicten;
welke deelneming bestaat uit het uitvoeren van geldtransacties;
3.
hij in de periode van 11 juli 2015 tot en met 17 november 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandse Bank het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend, als bedoeld in artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het financieel toezicht, immers hebben hij en zijn mededader(s) ten behoeve van en/of op verzoek van een onbekend gebleven begunstigden en/of onbekend gebleven betalers een (contante) geldtransactie uitgevoerd, te weten:
- een geldbedrag van EUR 459.650,00 (zaak [zaak] ).
Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Opbrengsten of verdiensten
Anders dan de rechtbank, en met de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat de onder 1 bewezenverklaarde ‘opbrengsten of verdiensten van het zonder vergunning in het kader van het bedrijf van betaaldienstverlener handelen met betrekking tot geldbedragen’ niet onmiddellijk, maar middellijk uit misdrijf afkomstig zijn, omdat deze afkomstig zijn uit geldbedragen die uit misdrijf afkomstig zijn. Dat brengt met zich dat het verwerven en/of voorhanden hebben van deze opbrengsten of verdiensten (ook) strafbaar is.
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van het opzettelijk zonder vergunning uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van een aanzienlijk geldbedrag. Witwassen is een ernstig strafbaar feit. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit begunstigd en in stand gehouden. Criminelen worden in staat gesteld met hun illegaal verdiende geld bezittingen te verwerven die zij niet behoren te hebben en het witwassen van crimineel vermogen draagt er aan bij dat criminele organisaties kunnen blijven voortbestaan en misdrijven kunnen blijven plegen. Witwassen tast bovendien de integriteit van het formele, aan regels gebonden financieel-economische verkeer aan en vormt een bedreiging voor het vertrouwen dat de samenleving in de integriteit daarvan behoort te kunnen stellen. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het uitvoeren van een grote (contante) geldtransactie zonder de vereiste vergunning. Daarmee heeft hij zich onttrokken aan het toezicht dat op zogenoemde betaaldienstverleners wordt uitgeoefend en heeft hij anderen ondersteund die op deze wijze hun criminele handel konden uitvoeren en financieren. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie die zich bezig hield met het witwassen van geld en het verlenen van betaaldiensten zonder vergunning. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft het hof in het bijzonder gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht op het gebied van fraude, de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de straffen die het hof aan de medeverdachten oplegt. Gelet op de ernst van de feiten acht het hof in beginsel de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 18 maanden passend en geboden.
Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten met zich brengen dat aan de verdachte een lagere straf wordt opgelegd dan aan de medeverdachte [medeverdachte 2] . Het hof betrekt daarbij in het bijzonder dat onvoldoende is gebleken of de verdachte betrokken was bij het witwassen van de geldbedragen die zijn opgenomen in de bij die medeverdachte aangetroffen administratie.
Het hof stelt vast dat het recht van de verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht, als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is geschonden. Als uitgangspunt geldt dat de berechting van de zaak in zowel eerste aanleg als in hoger beroep steeds behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren. Op 13 januari 2016, de datum waarop de verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel is aangehouden, is de redelijke termijn aangevangen. De rechtbank heeft op 25 juli 2019 vonnis gewezen. Hieruit volgt dat in eerste aanleg de redelijke termijn is overschreden met ongeveer één jaar en zes maanden. Op 6 augustus 2019 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van 12 januari 2026 einduitspraak. Dat tijdsverloop valt niet aan de verdediging toe te rekenen. Hieruit volgt dat in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer vier jaar en vijf maanden. Het hof is van oordeel dat dit matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben. Daarom wordt de verdachte een gevangenisstraf van 16 maanden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 63, 140 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
16 (zestien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, mr. J.L. Bruinsma en mr. C. Beuze, in tegenwoordigheid van mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
26 januari 2026.
=========================================================================
[…]