ECLI:NL:GHAMS:2026:1907

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
200.350.388/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 lid 1 RvArt. 6 lid 1 EVRMArt. 843a Rv (oud)Art. 22 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing incidentele vordering tot aanhouding hoofdzaak in dividendbelastinggeschil

SKAT, de Deense douane- en belastingdienst, vordert een verklaring voor recht dat geïntimeerden onrechtmatig hebben gehandeld door bij te dragen aan onjuiste dividend-teruggaafverzoeken van Canadese pensioenfondsen, wat SKAT voor miljoenen heeft benadeeld. In eerste aanleg werd de hoofdzaak en de incidenten aangehouden in afwachting van procedures in Denemarken en Canada.

In hoger beroep betoogt SKAT dat de aanhouding onredelijke vertraging veroorzaakt en dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Het hof constateert dat de Deense procedure inmiddels onherroepelijk is afgerond en dat de Canadese procedure nog jaren kan duren. Omdat de aansprakelijkheid van geïntimeerden ook los van de Canadese pensioenfondsen kan worden beoordeeld, is aanhouding niet gerechtvaardigd.

Het hof vernietigt het bestreden vonnis, wijst de incidentele vordering tot aanhouding af, veroordeelt geïntimeerden tot terugbetaling van ontvangen bedragen met rente en in de proceskosten. De procedure kan dus worden voortgezet zonder verdere vertraging.

Uitkomst: De incidentele vordering tot aanhouding wordt afgewezen en geïntimeerden worden veroordeeld tot terugbetaling en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.350.388/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/345485 / HA ZA 23-606
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 juli 2026
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon naar buitenlands recht
SKATTEFORVALTNINGEN,
de douane- en belastingdienst van het Koninkrijk Denemarken,
appellante,
advocaat: mr. G.A. Smit te Amsterdam,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,

wonend in de gemeente [plaats 1] ,
2.
STICHTING [geïntimeerde 2],
gevestigd in [plaats 2] ,
3.
MF Finance Holding B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
4.
All-In Group Holding B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
5.
All-In Structured Finance B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
6.
Waterline Capital B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
7.
All-In Finance Holding B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
8.
GSFS Asset Management B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
9.
MOA Trading (Dubai) Ltd.,
gevestigd in Dubai, Verenigde Arabische Emiraten,
geïntimeerden,
advocaat: mr. J. Hagers te Amsterdam.
Partijen worden hierna SKAT en [geïntimeerden] genoemd.

1.De zaak in het kort

SKAT is de douane- en belastingdienst van Denemarken. Zij vordert in de hoofdzaak een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] naar Deens recht onrechtmatig hebben gehandeld vanwege hun bijdrage aan onjuiste dividend-teruggaafverzoeken die zouden zijn ingediend door Canadese pensioenfondsen en waardoor SKAT voor miljoenen zou zijn benadeeld. Daarnaast vordert zij in een incident inzage in bescheiden. Over het al dan niet rechtmatig verzoeken om teruggave van dividendbelasting spe(e)l(d)en tussen SKAT en de Canadese pensioenfondsen een Deense fiscale procedure en een Canadese civiele procedure. [geïntimeerden] hebben in eerste aanleg een aantal incidentele vorderingen ingesteld. Zij hebben onder andere gevorderd dat de incidenten en de hoofdzaak worden aangehouden totdat in zowel de Deense procedure als de Canadese procedure onherroepelijk is beslist. De rechtbank heeft die vordering toegewezen. Het hof is van oordeel dat op dit moment onvoldoende aanleiding bestaat voor aanhouding van de incidenten en de hoofdzaak en wijst de incidentele vordering van [geïntimeerden] alsnog af.

2.Het geding in hoger beroep

SKAT is bij dagvaarding van 19 december 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 24 juli 2024 van de rechtbank Noord-Holland in het incident tot aanhouding, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen SKAT als eiseres in conventie in de hoofdzaak, eiseres in conventie in het incident en verweerster in reconventie in de incidenten en [geïntimeerden] als gedaagden in conventie in de hoofdzaak, verweerders in conventie in het incident en eisers in reconventie in de incidenten (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord.
Op 1 juli 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben de zaak laten toelichten aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd: SKAT door mrs. T.L. Schasfoort en B.C. Elion, advocaten te Amsterdam, en [geïntimeerden] door hun advocaat en mr. L.A.H. Jie Sam Foek, advocaat te Amsterdam. Partijen hebben nog producties in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.De feiten

Voor zover van belang in het incident tot aanhouding gaat het in deze zaak om het volgende.
3.1.
SKAT is de douane- en belastingdienst van het Koninkrijk Denemarken.
3.2.
[geïntimeerde 1] is direct of indirect bestuurder van geïntimeerden 2 tot en met 9.
3.3.
In Denemarken kunnen buitenlandse aandeelhouders recht hebben op gehele of gedeeltelijke teruggaaf van ingehouden dividendbelasting als aan bepaalde nationaalrechtelijke voorwaarden is voldaan en als dit voortvloeit uit een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Denemarken en het land van vestiging van de buitenlandse aandeelhouder. Tussen Canada en Denemarken geldt een bilateraal belastingverdrag dat de verdeling van belastingheffingsrechten tussen de twee landen regelt en beoogt dubbele belastingheffing en het ontgaan van belasting te voorkomen.
3.4.
In de periode tussen 18 juni 2013 en 8 april 2015 hebben de in Canada gevestigde pensioenfondsen Koutroulakis & Co. Corporate Pension Plan, GSA Trading (Canada) Corporate Pension Plan en Oranje Canada Corporate Pension Plan (hierna samen: de Canadese pensioenfondsen) verschillende verzoeken tot teruggave van dividendbelasting bij SKAT ingediend.
3.5.
SKAT heeft op de teruggaafverzoeken positief beslist en in totaal een bedrag van DKK 94.870.037,43 (ongeveer € 12,7 miljoen) aan de Canadese pensioenfondsen uitgekeerd.
3.6.
Bij besluiten van 3 april 2020 en 14 augustus 2020 heeft SKAT haar eerdere besluiten tot teruggaaf ingetrokken. De Canadese pensioenfondsen hebben hiertegen bij het Deense National Tax Tribunal administratief beroep aangetekend (hierna: de Deense procedure).
3.7.
Op 14 september 2020 is SKAT bij de Superior Court of Justice in Ontario een civiele procedure begonnen tegen onder meer de Canadese pensioenfondsen (hierna: de Canadese procedure). In deze procedure stelt SKAT dat de verzoeken tot teruggaaf van dividendbelasting onterecht waren en de Canadese pensioenfondsen naar Deens recht onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld. SKAT vordert terugbetaling van het aan de Canadese pensioenfondsen uitgekeerde bedrag van DKK 94.870.037,43. Deze procedure loopt nog.
3.8.
Op 23 mei 2023 heeft SKAT conservatoir bewijsbeslag laten leggen onder [geïntimeerden] waarbij forensische (volledige) kopieën zijn gemaakt van diverse gegevensdragers. De in beslag genomen (digitale) bescheiden bevinden zich in gerechtelijke bewaring bij DigiJuris.
3.9.
Op 13 mei 2025 heeft het Deense National Tax Tribunal de hiervoor (3.6) genoemde besluiten van SKAT bevestigd en het beroep van de Canadese pensioenfondsen daartegen verworpen op de grond dat de Canadese pensioenfondsen naar nationaal Deens recht niet zijn geslaagd in de bewijslast ter zake van het eigenaarschap van de aandelen of de ontvangen dividenden. Deze besluiten van SKAT zijn onherroepelijk.

4.De procedure bij de rechtbank

4.1.
SKAT vordert in de hoofdzaak – kort gezegd – een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] aansprakelijk zijn voor de door SKAT geleden schade als gevolg van het onrechtmatige handelen van [geïntimeerden] , en veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Daarnaast vordert SKAT in een incident op de voet van artikel 843a Rv (oud) inzage en afgifte van bescheiden.
4.2.
[geïntimeerden] hebben incidentele vorderingen ingesteld strekkend tot (i) aanhouding, (ii) oproeping in vrijwaring en (iii) toepassing van artikel 22 Rv Pro, althans (voorwaardelijk) tot inzage en afgifte op de voet van artikel 843a Rv (oud). De incidentele vordering tot aanhouding strekt ertoe te bewerkstelligen dat pas wordt voortgeprocedeerd in de overige incidenten en de hoofdzaak als onherroepelijk is beslist in de Deense procedure en de Canadese procedure.
4.3.
De rechtbank heeft de incidentele vordering van [geïntimeerden] tot aanhouding toegewezen en zowel de hoofdzaak als de overige incidenten verwezen naar de parkeerrol omdat een goede rechtsbedeling naar het oordeel van de rechtbank vergde dat de hoofdzaak en de incidenten worden aangehouden in afwachting van de uitkomst van de Deense procedure en de Canadese procedure.

5.Het hoger beroep

5.1.
SKAT concludeert dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de incidentele vordering van [geïntimeerden] tot aanhouding alsnog wordt afgewezen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [geïntimeerden] (i) tot terugbetaling van wat SKAT op basis van het bestreden vonnis heeft voldaan en (ii) in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.
5.2.
[geïntimeerden] concluderen dat het hof het bestreden vonnis bekrachtigt, met veroordeling van SKAT in de kosten van het geding in hoger beroep.

6.De beoordeling

6.1.
Partijen nemen terecht tot uitgangspunt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.
6.2.
SKAT komt met vier grieven op tegen het bestreden vonnis. Deze grieven slagen. Het hof licht dat als volgt toe.
6.3.
De rechter kan een procedure aanhouden in verband met een andere procedure waarin dezelfde rechtsvraag speelt. Daarbij moet de rechter tot zijn oordeel komen aan de hand van onder meer het voorschrift dat onredelijke vertraging van de procedure dient te worden voorkomen (artikel 20 lid 1 Rv Pro en artikel 6 lid 1 EVRM Pro), de belangen van partijen en de eisen van de proceseconomie (HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590). De toewijsbaarheid van de incidentele vordering tot aanhouding moet
ex nunc, dus naar de stand van zaken ten tijde van het wijzen van dit arrest worden beoordeeld.
6.4.
De Deense procedure is inmiddels geëindigd. Daarmee staat vast dat de Canadese pensioenfondsen geen recht hadden op teruggaaf van dividendbelasting. De Deense procedure vormt dus geen reden meer de onderhavige procedure aan te houden.
6.5.
De Canadese procedure en de hoofdzaak strekken tot terugvordering van de onterecht teruggegeven dividendbelasting. SKAT heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep toegelicht dat de Canadese procedure nog niet ver gevorderd is, dat onbekend is wanneer deze zal zijn afgerond en dat het nog jaren zal kunnen duren voordat de Canadese procedure zal zijn geëindigd met een definitieve uitspraak. Ook heeft SKAT toegelicht dat [geïntimeerden] naar Deens recht aansprakelijk kunnen zijn jegens SKAT, ook als de Canadese pensioenfondsen dat niet zijn. De vraag over de aansprakelijkheid van de Canadese pensioenfondsen hoeft dus strikt genomen niet te worden beantwoord om tot aansprakelijkheid van [geïntimeerden] te komen, aldus SKAT. [geïntimeerden] hebben dat laatste onvoldoende weersproken. Wel hebben zij aangevoerd dat zij het lastig voor te stellen vinden dat [geïntimeerden] aansprakelijk zijn jegens SKAT als in de Canadese procedure wordt geoordeeld dat de Canadese pensioenfondsen niet onrechtmatig jegens SKAT hebben gehandeld en dat de inzagevordering van SKAT voor [geïntimeerden] vrij bewerkelijk is, en het vervelend zou zijn als achteraf blijkt dat alle moeite voor niets is geweest. [geïntimeerden] menen daarom dat het praktischer is te wachten op een uitspraak in de Canadese procedure.
6.6.
Gelet op de verwachting dat een onherroepelijk oordeel in de Canadese procedure nog geruime tijd – te weten: jaren – op zich laat wachten en het feit dat een oordeel in de Canadese procedure niet strikt noodzakelijk is voor de beoordeling van de vorderingen van SKAT jegens [geïntimeerden] in deze procedure, ziet het hof onvoldoende aanleiding voor aanhouding van de incidenten en de hoofdzaak in afwachting van een onherroepelijk oordeel in de Canadese procedure. Een dergelijke aanhouding leidt tot onredelijke vertraging van deze procedure. Het (praktische) belang dat [geïntimeerden] hebben bij aanhouding, is onvoldoende voor een ander oordeel.
6.7.
Het hoger beroep heeft succes. Bij aparte bespreking van de grieven bestaat geen belang. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en de incidentele vordering van [geïntimeerden] tot aanhouding alsnog afwijzen. [geïntimeerden] zullen worden veroordeeld terug te betalen wat zij op basis van het bestreden vonnis van SKAT hebben ontvangen. [geïntimeerden] zijn in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten in het geding in beide instanties. Het hof stelt deze proceskosten als volgt vast:
Eerste aanleg
- salaris advocaat € 1.228,00
Hoger beroep
- explootkosten € 135,97
- griffierecht € 827,00
- salaris advocaat € 2.580,00tarief II, 2 punten)
Totaal € 3.542,97

7.De beslissing

Het hof:
7.1.
vernietigt het bestreden vonnis, en doet opnieuw recht:
7.2.
wijst de vordering van [geïntimeerden] tot aanhouding af,
7.3.
veroordeelt [geïntimeerden] om aan SKAT terug te betalen wat SKAT op basis van het bestreden vonnis heeft betaald aan [geïntimeerden] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door SKAT;
7.4.
veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten in beide instanties: € 1.228 voor de eerste aanleg en € 3.542,97 voor het hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de proceskostenveroordeling is voldaan;
7.5.
veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling van € 178 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
7.6.
verklaart de veroordelingen onder 7.3, 7.4 en 7.5 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, Y. Steeg-Tijms en M. Ferrier en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.