ECLI:NL:GHAMS:2026:1869

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
23-002570-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling mishandeling en vernieling door gerechtshof Amsterdam

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 26 juni 2026 het vonnis van de politierechter vernietigd en in hoger beroep de verdachte veroordeeld voor mishandeling en vernieling gepleegd op 15 december 2023.

De verdachte werd beschuldigd van het mishandelen van het slachtoffer door hem in het gezicht te slaan en het vernielen van een deur die toebehoorde aan het slachtoffer of een ander. De verdediging voerde onder meer aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk was voor het vernielingsfeit en dat er onvoldoende bewijs was voor mishandeling, met alternatieve scenario's voor het letsel van het slachtoffer.

Het hof verwierp het niet-ontvankelijkheidsverweer en achtte de alternatieve scenario's niet aannemelijk. Op basis van verklaringen van getuigen en politieconstateringen werd wettig en overtuigend bewezen geacht dat de verdachte het slachtoffer mishandelde en de deur vernielde. De verdachte werd veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 30 uur met een proeftijd van twee jaar, waarbij het hof rekening hield met de ernst van de feiten, de persoon van de verdachte en het feit dat de familiebetrekkingen zijn hersteld.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 30 uur met een proeftijd van twee jaar voor mishandeling en vernieling.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002570-24
datum uitspraak: 26 juni 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 oktober 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-334447-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 juni 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 15 december 2023 te Amsterdam [slachtoffer 1] heeft mishandeld door deze in het gezicht te slaan/stompen;
2.
hij op of omstreeks 15 december 2023 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een deur, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield en/of beschadigd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman primair betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat voor de tenlastegelegde vernieling een aangifte dan wel een klacht van de (hoofd) bewoner van de woning, [slachtoffer 2], vereist zou zijn.
Het hof overweegt hierover als volgt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de deur is vernield. Anders dan de raadsman heeft betoogd, vereist de wet niet dat aangifte wordt gedaan of een klacht wordt ingediend door de (hoofd)bewoner van de woning. Voor zover de raadsman heeft gemeend dat de artikelen 353 jo. 316 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn, ziet het hof noch in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd noch in het dossier grond voor die toepasselijkheid.
Het hof verwerpt daarom het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Bewijsoverweging

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Volgens de raadsman kan niet worden vastgesteld dat de verdachte de aangever heeft mishandeld. De raadsman heeft alternatieve scenario’s geschetst voor het ontstaan van de bloedneus van de aangever, namelijk dat deze het gevolg zou zijn geweest van boosheid van de aangever dan wel van diens cocaïnegebruik. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor de mishandeling. In dat verband heeft hij in het bijzonder gewezen op de verklaring van [slachtoffer 2], de moeder van de aangever, en bepleit dat die buiten beschouwing dient te blijven omdat deze zou zijn gedicteerd door de aangever.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman subsidiair betoogd dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestaat voor de tenlastegelegde vernieling.
Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde
Het hof acht de door de verdediging aangedragen alternatieve scenario’s voor het ontstaan van de bloedneus van de aangever niet aannemelijk. Voor die scenario’s ontbreekt een objectieve onderbouwing en ook overigens biedt het dossier daarvoor onvoldoende aanknopingspunten.
Voor wat betreft het bewijs van de mishandeling overweegt het hof dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verbalisanten die na de melding als eerste ter plaatse zijn hebben waargenomen dat de aangever een bebloed shirt droeg en dat zijn gezicht en neus rood waren. De aangever heeft verklaard dat hij door de verdachte in zijn gezicht is geslagen waardoor hij pijn aan zijn neus had en zag dat er bloed van zijn gezicht op zijn shirt terecht kwam. [slachtoffer 3] heeft tegenover de ter plekke verschenen verbalisanten verklaard te hebben gezien dat de verdachte haar broer een vuistslag op zijn gezicht gaf. Ook [slachtoffer 2] heeft verklaard te hebben gezien dat de verdachte de aangever sloeg en dat hij op zijn neus werd geraakt.
Het hof ziet geen aanleiding de verklaring van [slachtoffer 2] buiten beschouwing te laten. Uit het proces-verbaal blijkt dat zij in de [taal] is gehoord door een verbalisant die de [taal] beheerst. Het hof ziet geen reden om eraan te twijfelen dat de verbalisant en [slachtoffer 2] elkaar hebben kunnen verstaan. Evenmin ziet het hof reden om eraan te twijfelen dat [slachtoffer 2] haar eigen verklaring heeft afgelegd. Dat in een ander proces-verbaal kennelijk is geconstateerd dat de aangever op enig moment tussen [slachtoffer 2] en de verbalisant kwam, maakt dat niet anders.
Gelet op het voorgaande, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de aangever heeft mishandeld.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde
Wat betreft het subsidiaire bewijsverweer overweegt het hof dat [slachtoffer 3] tegenover de politie heeft verklaard te hebben gezien dat de verdachte de deur vernielde, terwijl een foto van de vernielde deur in het procesdossier is opgenomen. Daarnaast heeft [slachtoffer 2] verklaard dat de verdachte tegen de badkamerdeur had geslagen. Ook dit verweer wordt verworpen.
Het hof is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de deur heeft vernield.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op 15 december 2023 te Amsterdam [slachtoffer 1] heeft mishandeld door deze in het gezicht te slaan/stompen;
2.
hij op 15 december 2023 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een deur die aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander, toebehoorde heeft vernield.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren.
De raadsman heeft verzocht om bij een bewezenverklaring een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van het slachtoffer, de broer van zijn partner, door hem met zijn vuist in het gezicht te slaan. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en bij hem pijn en letsel veroorzaakt. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van een deur. Daarmee heeft hij blijk gegeven van een gebrek aan respect voor andermans eigendommen.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 mei 2026 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat de gebeurtenissen inmiddels binnen de familie zijn uitgepraat, dat hij nog steeds samen is met de zus van aangever, en dat de familiebetrekkingen weer goed zijn. Het hof acht een onvoorwaardelijke straf niet meer opportuun maar vindt het, gelet op de context waarin de feiten zijn begaan, wel van belang dat aan de verdachte een voorwaardelijke straf wordt opgelegd die kan dienen als stok achter de deur om te voorkomen dat de verdachte opnieuw de fout in gaat.
Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
15 (vijftien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. M.J.A. Duker en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mr. R.C.E. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 juni 2026.
Mr. B. de Wilde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
_______________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002570-24
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 26 juni 2026.
Tegenwoordig zijn:
mr. A.E. Kleene-Krom, raadsheer,
C. Tomopawiro, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. A.H. Buijsman, advocaat-generaal.
De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.
De verdachte is
wel / nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.
Raadsman/raadsvrouw is
wel / nietaanwezig.
(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:
Tolk is
wel / nietaanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:
De raadsheer spreekt het arrest uit.
De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld.
(indien de VTE is verschenen)
De verdachte heeft
wel / geenafstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak.
(indien VTEin deze zaakis gedetineerd)
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.