ECLI:NL:GHAMS:2026:1847

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
200.362.050/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 lid 4 BWArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling opbouwende zorgregeling voor jongste minderjarige met verdeling halen en brengen

De zaak betreft een geschil tussen ouders over de zorgregeling voor hun jongste kind, [minderjarige 3], die twee jaar oud is. De rechtbank had een zorgregeling vastgesteld waarbij de jongste minderjarige pas vanaf 3,5 jaar dezelfde regeling krijgt als haar oudere broers en zus. De moeder verzocht om een eerdere uitbreiding van de zorgregeling vanaf 2,5 jaar, terwijl de vader vanwege medische beperkingen een beperktere zorgregeling wenst.

In hoger beroep heeft het hof de medische situatie van de vader meegewogen en geoordeeld dat een opbouwende zorgregeling passend is. Totdat [minderjarige 3] drie jaar oud is, verblijft zij om de week op dinsdag enkele uren bij de vader met videobelcontact in de weken daartussen. Vanaf drie jaar wordt de zorgregeling uitgebreid met een weekendverblijf en vanaf 3,5 jaar geldt dezelfde regeling als voor de oudere kinderen.

Daarnaast heeft het hof het verzoek van de vader gehonoreerd om het halen en brengen van de kinderen gelijk te verdelen vanaf het moment dat [minderjarige 3] 3,5 jaar is. Het verzoek van de moeder om het halen en brengen van de hobby’s van de oudere kinderen te verdelen is afgewezen omdat deze activiteiten tijdens haar zorgtijd plaatsvinden.

Het hof benadrukt dat de ouders goed samenwerken en dat de regeling in het belang is van de kinderen, waarbij rekening is gehouden met de fysieke beperkingen van de vader en het belang van een hechte band tussen vader en kinderen.

Uitkomst: Het hof stelt een opbouwende zorgregeling vast voor de jongste minderjarige met gelijk verdeelde haal- en brengmomenten vanaf 3,5 jaar.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.362.050/01
zaaknummer rechtbank: C/15/363753 / FA RK 25-1696
beschikking van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. B. Wernik te Haarlem ,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. M.S. Gerson te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] ,
- de minderjarige [minderjarige 3] , hierna: [minderjarige 3] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Raad [plaats B] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) tussen de vader en [minderjarige 3] (2 jaar). De rechtbank heeft voor [minderjarige 3] een andere, beperktere zorgregeling bepaald dan voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Vanaf het moment dat [minderjarige 3] de leeftijd van 3,5 jaar bereikt zal voor [minderjarige 3] dezelfde regeling als die voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gelden. Ook heeft de rechtbank een vakantieregeling vastgesteld.
1.2
De moeder is het daarmee niet eens en wil dat [minderjarige 3] al eerder, te weten vanaf het moment dat zij 2,5 jaar oud is, na een opbouw, volgens dezelfde zorgregeling die geldt voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader verblijft. Daarnaast wil de moeder dat de vader een deel van het halen en brengen van en naar de hobby’s van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op zich neemt.
1.3
De vader is het ook niet eens met de bestreden beschikking. Hij wil niet elke week maar om de week de zorg voor [minderjarige 3] dragen. Ook verzoekt de vader het hof te bepalen dat het halen en brengen van de kinderen bij helfte wordt verdeeld.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 27 november 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van
1 september 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).
2.2
De vader heeft op 20 februari 2026 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De moeder heeft op 19 maart 2026 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast een bericht van de zijde van de vader ontvangen van 26 maart 2026 met productie 3.
2.5
De zitting heeft op 8 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door mr. A.A.I. Ghonim, advocaat te Haarlem , waarnemend voor
mr. Wernik;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe.
De advocaat van de moeder heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2016 in de gemeente [plaats A] ;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2018 in de gemeente [plaats B] , en
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2024 in de gemeente [plaats B] (hierna gezamenlijk: de kinderen).
De ouders hebben tot 2018 een relatie met elkaar gehad.
3.2
De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen wonen bij de moeder.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, een zorgregeling vastgesteld waarin [minderjarige 3] bij de vader verblijft:
totdat zij 3,5 jaar oud is:
- iedere week op dinsdag van 11:00 uur tot 17:00 uur;
- gedurende de helft van de feestdagen, in onderling overleg te verdelen;
vanaf dat zij 3,5 jaar oud is:
- om het weekend van vrijdagmiddag uit school (of zolang zij nog niet naar
school gaat: vrijdagmiddag rond het einde van de schooldag van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,
waarbij de vader haar bij de moeder ophaalt) tot zondagavond 19:00 uur;
- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, waaronder het Suikerfeest en
het Offerfeest, in onderling overleg te verdelen.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, dat wordt bepaald dat:
- de vader de zorg voor [minderjarige 3] heeft vanaf het moment dat zij 2,5 jaar oud is;
- de zorgregeling wordt vastgesteld zoals deze ook voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door de rechtbank is bepaald;
- de zorgregeling van [minderjarige 3] daarna geleidelijk wordt opgebouwd van één dag in de week naar dezelfde regeling als voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
- de vader een van de twee hobby's van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op zich neemt voor wat betreft het halen en brengen.
4.3
De vader verzoekt het hof de verzoeken van de moeder, voor zover daar niet mee is ingestemd, af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vader de bestreden beschikking deels te wijzigen en te bepalen dat:
I. hij om de week op dinsdag van 11:00 uur tot 17:00 uur de zorg voor [minderjarige 3] heeft, totdat zij de leeftijd van 3,5 jaar heeft bereikt, en dat de vader daarna om het weekend van vrijdagmiddag uit school (of zolang zij nog niet naar school gaat: van vrijdagmiddag rond het einde van de schooldag van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ) tot en met zondagavond 19:00 uur, alsmede gedurende de helft van de vakanties, de zorg voor haar zal dragen;
II. primair dat het halen en brengen van de kinderen bij helfte dient te worden verdeeld,
waarbij de moeder de kinderen naar vader brengt en de vader de kinderen weer naar moeder terug brengt, of subsidiair, indien moeder dat wenst, wordt bepaald dat de vader de kinderen bij de moeder ophaalt en de moeder de kinderen na het zorgmoment weer bij de vader ophaalt.
4.4
De moeder verzoekt het hof het incidenteel hoger beroep van de vader af te wijzen. Daarnaast heeft de moeder het hof in haar verweerschrift in incidenteel hoger beroep verzocht te bepalen dat de vader de financiële bijdrage voor één van de twee hobby’s van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , voor zijn rekening neemt. Ter zitting heeft de moeder dit verzoek ingetrokken, zodat dit verzoek niet langer ter beoordeling aan het hof voorligt.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
De standpunten
In het principaal hoger beroep
5.2
De moeder vindt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de zorgregeling die geldt voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , voor [minderjarige 3] pas gaat gelden als zij 3,5 jaar oud is. De moeder stelt dat de zorgregeling voor [minderjarige 3] al moet worden uitgebreid vanaf het moment dat zij 2,5 jaar oud is. Vanaf dan kan [minderjarige 3] zelf lopen en eten en heeft ze alleen nog hulp nodig bij lichte handelingen, zoals omkleden. Uit de medische stukken blijkt niet dat de vader hiertoe niet in staat is. Bovendien heeft hij, toen partijen nog een relatie hadden, ook de zorg gedragen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toen zij die leeftijd hadden en heeft hij meerdere keren op alle drie de kinderen tegelijk gepast. Het is voor de vader mogelijk om meer voor [minderjarige 3] te zorgen vanaf het moment dat zij 2,5 jaar oud is. Verder heeft de vader een netwerk dat hem kan ondersteunen en ook de moeder is bereid om met hem mee te denken en hem te ondersteunen, mocht dat nodig blijken. De door de rechtbank bepaalde zorgregeling valt niet aan de kinderen uit te leggen. De kinderen hebben onderling een goede band en het doet hen verdriet om apart van elkaar naar de vader te gaan. [minderjarige 3] blijft nu bij de moeder, terwijl [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar de vader gaan. Ook wil de moeder dat de verantwoordelijkheid voor de hobby’s van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt verdeeld tussen de ouders. Het is bovendien goed voor de band tussen de vader en de kinderen dat de vader de verantwoordelijkheid neemt voor het brengen naar en halen van één van de twee activiteiten.
5.3
De vader voert gemotiveerd verweer. De vader stelt dat hij vanwege zijn medische problematiek, als gevolg van een verkeersongeluk in 2017, beperkt is. Hij mist kracht in zijn armen en handen en heeft veel pijnklachten. De vader woont op drie hoog en hij heeft vanwege zijn medische problematiek moeite met het de trap op tillen van [minderjarige 3] . Dit kan ook gevaarlijk voor [minderjarige 3] zijn. Ook is het reizen in het openbaar vervoer met [minderjarige 3] zwaar voor de vader. De inspanningen tijdens de zorgmomenten hebben een negatief effect op zijn welzijn. Zijn netwerk kan hem onvoldoende helpen en de zorg voor [minderjarige 3] mag niet bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] komen te liggen. De vader heeft bewust verzocht de zorgregeling pas uit te breiden als [minderjarige 3] 3,5 jaar is en zelfstandiger is. Het verschil in de zorgregeling voor [minderjarige 3] enerzijds en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] anderzijds kan volgens de vader aan hen uitgelegd worden. De fysieke beperkingen van de vader zijn een gegeven en het is belangrijk daar open over te zijn en de kinderen te leren daarmee om te gaan. De vader kan zich vinden in een zorgregeling met opbouw, maar merkt wel op dat een opbouwregeling voor meer reismomenten zorgt. De reismomenten zijn belastend voor hem en het lukt hem niet om meer reiskosten te betalen omdat hij moet rondkomen van een bijstandsuitkering. Om diezelfde redenen lukt het hem niet om het brengen naar en halen van een van de hobby’s van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor zijn rekening te nemen.
In het incidenteel hoger beroep
5.4
De vader heeft ervaren dat de huidige zorgregeling, gelet op zijn beperkingen te zwaar voor hem is en hij wil daarom dat de zorgregeling tussen [minderjarige 3] en hem wordt beperkt naar één keer in de twee weken. Het is belangrijk dat hij de kans krijgt rust te nemen, zodat hij tijdens de zorgmomenten de zorg kan dragen en de veiligheid van de kinderen kan waarborgen. De moeder heeft aangeboden dat de vader bij haar thuis voor [minderjarige 3] kan zorgen maar de vader vindt dit gezien het verleden van de partijen niet wenselijk. Bovendien zal hij dan nog steeds met het openbaar vervoer moeten reizen en dat is (te) belastend voor hem. Daarnaast wil de vader dat het halen en brengen van de kinderen gelijk verdeeld wordt tussen de ouders. De vader is nu belast met zowel het ophalen als het terugbrengen van de kinderen en dat is zowel fysiek als financieel zeer belastend voor hem. De vader verwijst naar een uitspraak van het hof waarin het uitgangspunt is dat ouder gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het halen en brengen in het kader van een zorgregeling, tenzij er goede redenen zijn om hiervan af te wijken (ECLI:NL:GHAMS:2025:1501).
5.5
De moeder voert verweer in het door vader ingestelde incidenteel appel. De vader loopt slechts één of twee keer per dag de trap op en af met [minderjarige 3] en zij kan dit ook steeds beter zelf. Tijdens de reis met het openbaar vervoer moet [minderjarige 3] in de kinderwagen blijven zitten, zodat vader haar niet op schoot hoeft te nemen of haar hoeft op te tillen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen de vader bovendien ondersteunen. Het is in het belang van de kinderen dat zij zo veel mogelijk samen zijn, dit willen zij zelf ook het liefst. De moeder heeft ook een bijstandsuitkering en daarmee dient rekening gehouden te worden. Zij vindt het belangrijk dat de omgang met [minderjarige 3] opgebouwd en niet afgebouwd wordt.
Advies van de raad
5.6
De raad heeft ter zitting bij het hof aangegeven dat het lastig is om een concreet advies te geven. De raad kan niet beoordelen wat wel en niet mogelijk is voor de vader. De raad benadrukt dat het eigenlijk heel goed tussen deze ouders gaat. Het moet heel verdrietig zijn voor de vader dat hij minder tijd met zijn kinderen kan doorbrengen door lichamelijke klachten, terwijl hij wel meer contact wil. Tegelijkertijd ziet de raad ook dat het voor de moeder belastend is dat zij minder op de vader kan rekenen. Het is van belang dat er een regeling komt die haalbaar is voor beide ouders zodat de regeling ook daadwerkelijk wordt nagekomen. Gelet op de leeftijd van [minderjarige 3] acht de raad het wenselijk dat [minderjarige 3] haar vader meerdere keren per week ziet, zodat zij een band met hem kan blijven opbouwen. Eén keer per week is eigenlijk het minimum. Wanneer er meer tijd tussen de contactmomenten zit moet [minderjarige 3] telkens aan de vader wennen. Verder merkt de raad op dat het verdrietig kan zijn voor [minderjarige 3] om te zien dat haar broer en zus wel met de vader meegaan en zij niet. Een alternatief zou kunnen zijn dat de vader [minderjarige 3] één keer in de twee weken bij de moeder thuis ziet. Dit moet uiteraard wel mogelijk en veilig zijn. Videobellen is ter aanvulling op de omgangsmomenten ook een optie, waarbij deze gesprekken niet lang kunnen duren vanwege de jonge leeftijd van [minderjarige 3] . Het zou goed zijn als de vader meer betrokken is bij verschillende aspecten van de levens van de kinderen, zodat hij gericht met hen over school en hobby’s kan praten. Ook hiervoor geldt dat de raad de mogelijkheden en onmogelijkheden van de vader niet goed kan inschatten.
Beoordeling van het hof
Zorgregeling
5.7
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep hierna gezamenlijk behandelen, gelet op de onderlinge samenhang. Het hof is gebleken dat de ouders goed in staat zijn met elkaar samen te werken en gezamenlijk beslissingen te nemen die in het belang van de kinderen zijn. Dit is positief. Partijen verschillen echter van mening over de invulling van de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 3] . Het hof overweegt als volgt. Op grond van de door de vader overlegde medische stukken en hetgeen ter zitting in hoger beroep door hem naar voren is gebracht, acht het hof het voldoende aannemelijk dat de vader door zijn medische klachten op dit moment beperkingen ondervindt bij de verzorging van [minderjarige 3] . Zij is, gelet op haar jonge leeftijd, nog erg bewegelijk en onder meer het regelmatig optillen van [minderjarige 3] en het dragen van haar is belastend voor de vader. Hoewel het hof het met de raad eens is dat het wenselijk zou zijn dat de vader [minderjarige 3] vaker zou zien, acht het hof in de huidige situatie een regeling waarbij [minderjarige 3] tot zij 3 jaar oud is eenmaal per twee weken op dinsdag bij de vader verblijft het meest passend. In de week waarin [minderjarige 3] en de vader elkaar niet zien, zal, zoals ook ter zitting in hoger beroep is besproken, een videobelmoment tussen [minderjarige 3] en de vader plaatsvinden. Het hof gaat ervan uit dat de ouders hiervoor in onderling overleg een geschikt moment afspreken.
5.8
Het hof acht het voor de ontwikkeling van de band tussen [minderjarige 3] en de vader van belang dat, zodra [minderjarige 3] de leeftijd van 3 jaar heeft bereikt, de zorgregeling tussen haar en de vader wordt uitgebreid. Hierdoor krijgen [minderjarige 3] en de vader dan meer gelegenheid om tijd met elkaar door te brengen en kan [minderjarige 3] zich meer aan haar vader hechten. Het hof neemt hierbij mede in overweging dat op grond van artikel 1:247, vierde lid, BW kinderen van ouders met het gezamenlijk gezag over hen, recht hebben op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. Daarnaast is het waardevol voor [minderjarige 3] om samen met haar oudere broer en zus naar de vader te gaan, zodat zij zich onderdeel kan voelen van het gezin dat zij gezamenlijk bij hem vormen. Het hof acht daarom een uitbreiding van de zorgregeling, vanaf het moment dat [minderjarige 3] 3 jaar oud is, waarbij zij eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag tot zaterdag bij de vader verblijft, het meest in haar belang. Vanaf het moment dat [minderjarige 3] 3,5 jaar oud is, zal voor haar dezelfde zorgregeling gelden als voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het hof overweegt hierbij dat [minderjarige 3] , naarmate zij ouder wordt, naar verwachting minder hulp en ondersteuning nodig zal hebben, waardoor de zorg voor de vader minder belastend zal zijn. Het hof zal op grond van het voorafgaande de bestreden beschikking vernietigen ten aanzien van de zorgregeling voor [minderjarige 3] en beslissen als na te melden.
Halen en brengen
5.9
Het hof is verder van oordeel dat, overeenkomstig het verzoek van de vader, het halen en brengen ten aanzien van de zorgregeling gelijk verdeeld dient te worden. Niet alleen wordt door een verdeling de vader minder belast, ook laat het verdelen van het halen en brengen van de kinderen zien dat beide ouders betrokken zijn bij de regeling en gezamenlijk de verantwoordelijkheid hiervoor dragen. Deze wijziging zal ingaan vanaf het moment dat [minderjarige 3] 3,5 jaar oud is, zodat de moeder voldoende tijd en gelegenheid heeft om zich daaraan aan te passen. Ten aanzien van het verzoek van de moeder om het halen en brengen naar de hobby’s van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eveneens over de ouders te verdelen, overweegt het hof dat de hobby’s plaatsvinden tijdens de zorgtijd van de moeder. Dit brengt mee dat het halen en brengen naar deze activiteiten tot haar verantwoordelijkheid behoort. Het hof zal dit verzoek daarom afwijzen.
5.1
Ten overvloede overweegt het hof dat de ouders ten aanzien van de oudste twee kinderen hebben laten zien goed in staat te zijn met elkaar te communiceren en uitvoering te geven aan een zorgregeling die in het belang van de kinderen is. Gelet daarop heeft het hof er vertrouwen in dat ook de zorgregeling voor [minderjarige 3] op een goede wijze zal worden uitgevoerd.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van 1 september 2025 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem ten aanzien van de zorgregeling voor [minderjarige 3] , en in zoverre opnieuw rechtdoende:
stelt een zorgregeling vast waarbij [minderjarige 3] bij de vader verblijft:
vanaf heden:
- om de week op dinsdag van 11:00 uur tot 17:00 uur, waarbij [minderjarige 3] en de vader in de week dat [minderjarige 3] niet bij de vader verblijft contact hebben door middel van videobellen;
vanaf het moment dat [minderjarige 3] 3 jaar oud is:
- één keer in de 14 dagen van vrijdagmiddag, rond het einde van de schooldag van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , tot zaterdag 17:00 uur, waarbij de vader [minderjarige 3] haalt en brengt;
- gedurende de helft van de feestdagen;
vanaf het moment dat [minderjarige 3] 3,5 jaar oud is:
- om het weekend van vrijdagmiddag uit school (of zolang zij nog niet naar school gaat: vrijdagmiddag rond het einde van de schooldag van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ) tot zondagavond
17:00 uur, waarbij de vader de kinderen van school haalt en de moeder hen bij de vader ophaalt;
- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, waaronder het Suikerfeest en het Offerfeest, een en ander in onderling overleg te verdelen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, mr. A.N. van de Beek en
mr. J. Schoemaker, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 7 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.