Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.De procedure in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het hoger beroep
5.De motivering van de beslissing
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een geschil tussen ouders over de zorgregeling voor hun jongste kind, [minderjarige 3], die twee jaar oud is. De rechtbank had een zorgregeling vastgesteld waarbij de jongste minderjarige pas vanaf 3,5 jaar dezelfde regeling krijgt als haar oudere broers en zus. De moeder verzocht om een eerdere uitbreiding van de zorgregeling vanaf 2,5 jaar, terwijl de vader vanwege medische beperkingen een beperktere zorgregeling wenst.
In hoger beroep heeft het hof de medische situatie van de vader meegewogen en geoordeeld dat een opbouwende zorgregeling passend is. Totdat [minderjarige 3] drie jaar oud is, verblijft zij om de week op dinsdag enkele uren bij de vader met videobelcontact in de weken daartussen. Vanaf drie jaar wordt de zorgregeling uitgebreid met een weekendverblijf en vanaf 3,5 jaar geldt dezelfde regeling als voor de oudere kinderen.
Daarnaast heeft het hof het verzoek van de vader gehonoreerd om het halen en brengen van de kinderen gelijk te verdelen vanaf het moment dat [minderjarige 3] 3,5 jaar is. Het verzoek van de moeder om het halen en brengen van de hobby’s van de oudere kinderen te verdelen is afgewezen omdat deze activiteiten tijdens haar zorgtijd plaatsvinden.
Het hof benadrukt dat de ouders goed samenwerken en dat de regeling in het belang is van de kinderen, waarbij rekening is gehouden met de fysieke beperkingen van de vader en het belang van een hechte band tussen vader en kinderen.
Uitkomst: Het hof stelt een opbouwende zorgregeling vast voor de jongste minderjarige met gelijk verdeelde haal- en brengmomenten vanaf 3,5 jaar.