ECLI:NL:GHAMS:2026:1833

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
200.352.027/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:99 BWArt. 3:105 BWArt. 3:107 lid 1 BWArt. 3:108 BWArt. 3:109 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over eigendom grondstrook en inbezitneming tussen buren

Appellant en geïntimeerden zijn buren met een geschil over een grondstrook van circa 700 m2 nabij hun kadastrale erfgrens. De kantonrechter had geoordeeld dat geïntimeerden de grondstrook door verkrijgende verjaring hadden verkregen, maar het hof neemt de kadastrale grens als uitgangspunt omdat inbezitneming niet is aangetoond.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat geïntimeerden geen ondubbelzinnig bezit hebben gehad en dat de gronden voor verkrijgende verjaring ontbreken. Het hof stelt vast dat de handelingen van geïntimeerden, zoals onderhoud van bomen en gebruik als speelplek, niet voldoende zijn om bezit aan te tonen. Het plaatsen van het hek was een handeling van appellant, niet van geïntimeerden.

Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter, wijst de vorderingen van geïntimeerden af en veroordeelt hen tot terugbetaling van door appellant betaalde bedragen. Tevens worden geïntimeerden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van geïntimeerden af, waarbij de grondstrook eigendom blijft van appellant.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.352.027/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 11157917 CV 24-7328
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juli 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [plaats] ,
appellante,
advocaat: mr. L.W. van de Wetering te Almelo,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,

2.
[geïntimeerde 2],
beiden wonend in [plaats] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. M.S.F. Loor te Alkmaar.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] (in mannelijk enkelvoud) genoemd. Geïntimeerden worden afzonderlijk [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd.

1.De zaak in het kort

[appellant] en [geïntimeerden] zijn buren van elkaar en hebben een geschil over een grondstrook van 700m2 gelegen nabij de kadastrale erfgrens. Het hof komt, anders dan de kantonrechter, tot de conclusie dat de kadastrale erfgrens tot uitgangspunt dient te worden genomen, omdat inbezitneming door [geïntimeerden] niet is komen vast te staan. Het beroep op verkrijgende en bevrijdende verjaring door [geïntimeerden] slaagt dus niet.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding inhoudende grieven en producties van 26 februari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 28 november 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerden] als eiser en [appellant] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
[geïntimeerden] heeft hierna een memorie van antwoord met productie ingediend.
Op 17 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. [appellant] heeft nog producties in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

Onder 1.1 tot en met 1.11 heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Tegen deze vaststelling is niet gegriefd zodat ook het hof die feiten tot uitgangspunt neemt, aangevuld met nadere relevante feiten die in hoger beroep tussen partijen niet in geschil zijn.
3.1.
[geïntimeerde 1] is sinds 1992 eigenares van de woning op het adres [straat] 6 te [plaats] en het bijbehorende perceel land. [geïntimeerde 2] is sinds 2018 mede-eigenaar.
3.2.
[appellant] is sinds 1989 eigenares van het naastgelegen perceel met woning op het adres [straat] 6A, kadastraal bekend als perceel 283 te [plaats] .
3.3.
[appellant] exploiteerde in het verleden een dierenpension op haar terrein.
3.4.
Omstreeks 1995 heeft [appellant] op verzoek van [geïntimeerden] haar terrein afgesloten door middel van een hek in verband met loslopende honden.
3.5.
[appellant] heeft recht van weg om te komen en gaan naar de openbare weg over het terrein van [geïntimeerden]
3.6.
In de ruilverkavelingsakte van 4 oktober 2002 is vermeld dat [appellant] het gehele perceel D283 in eigendom heeft. Tot dat perceel behoort volgens het Kadaster ook een strook grond (weiland) van ongeveer 700 m2 achter het door [appellant] geplaatste hek aan de zijde van het perceel van [geïntimeerden] (hierna: de grondstrook).
3.7.
[geïntimeerden] heeft in 2022 aan [appellant] gevraagd eraan mee te werken dat de kadastrale situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. Bij brief van 6 juli 2023 heeft de (vorige) gemachtigde van [appellant] [geïntimeerden] bericht dat [appellant] eigenares is van de grondstrook en hem gesommeerd het onrechtmatig gebruik ervan te staken. Bij brief van 28 juli 2023 heeft [geïntimeerden] daarop gereageerd met de mededeling dat de feitelijke situatie is ontstaan door de plaatsing van het hek, dat beide partijen tot in 2022 in de veronderstelling hebben geleefd dat het hek op de kadastrale erfgrens stond en dat [geïntimeerden] de grondstrook al 30 jaar in bezit heeft en door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden.
3.8.
Medio februari 2024 heeft [appellant] een hek langs de kadastrale grens laten plaatsen. Dit hek is ter uitvoering van het bestreden vonnis verwijderd.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1.
Samengevat heeft [geïntimeerden] bij de kantonrechter gevorderd om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij vonnis te bepalen dat de erfgrens loopt langs het door [appellant] omstreeks 1995 geplaatste hek en [appellant] te veroordelen het door haar nieuw geplaatste hek te verwijderen op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, vermeerderd met rente en nakosten.
4.2.
De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerden] toegewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten, met nakosten en rente. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat ook als wordt uitgegaan van 4 oktober 2002 als aanvang van de verjaring, geldt dat deze is voltooid op 4 oktober 2012 op grond van het bepaalde in artikel 3:99 lid 1 laatste Pro zin van het Burgerlijk Wetboek (BW). Goede trouw aan de zijde van [geïntimeerden] is door [appellant] onvoldoende betwist. De stelling dat het hek door [appellant] op de betreffende locatie is geplaatst, omdat onvoldoende materiaal voorhanden was voor een langer hek op de kadastrale grens komt onaannemelijk voor. Veeleer valt aan te nemen dat beide partijen er destijds van uitgingen dat het hek op de erfgrens is geplaatst. De door [geïntimeerden] gestelde bezitsdaden zijn eveneens onvoldoende betwist gebleven, aldus de kantonrechter.

5.Procedure in hoger beroep

5.1.
[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerden] , met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties vermeerderd met nakosten. [appellant] heeft in hoger beroep tevens gevorderd [geïntimeerden] te veroordelen om aan [appellant] terug te betalen al hetgeen [appellant] naar aanleiding van het bestreden vonnis aan [geïntimeerden] heeft betaald, met rente.
5.2.
[geïntimeerden] concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep vermeerderd met rente.

6.Beoordeling

6.1.
De grieven van [appellant] strekken tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerden] Grieven I en II hebben betrekking op de vraag of sprake is van inbezitneming van de grondstrook door [geïntimeerden] en lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Grief III is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter over de goede trouw aan de zijde van [geïntimeerden]
6.2.
Het hof komt tot de conclusie dat de grondstrook geen eigendom van [geïntimeerden] is geworden en nog altijd eigendom is van [appellant] . [geïntimeerden] heeft niet gemotiveerd onderbouwd dat aan de vereisten van verkrijgende verjaring in de zin van artikel 3:99 BW Pro dan wel van bevrijdende verjaring in de zin van artikel 3:105 BW Pro is voldaan. Daartoe acht het hof het volgende redengevend.
Geen inbezitneming grondstrook
6.3.
De grieven I en II zien op het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van inbezitneming van de grondstrook door [geïntimeerden] Het hof stelt het volgende voorop.
6.4.
Artikel 3:107 lid 1 BW Pro definieert ‘bezit’ als “het houden van een goed voor zichzelf”. Of sprake is van bezit, wordt bepaald aan de hand van artikel 3:108 BW Pro: of iemand een goed houdt voor een ander of voor zichzelf, moet worden beoordeeld naar verkeersopvatting, met inachtneming van de wettelijke regels die volgen uit artikel 3:109 BW Pro e.v. en overigens op grond van uiterlijke feiten. Het beoordelingscriterium is dus de verkeersopvatting. Dit is een objectieve maatstaf: het gaat erom of naar algemene maatstaven uit gedragingen een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen. Indien het gebruik plaatsvindt zonder toestemming, dan moet naar verkeersopvatting beoordeeld worden, met inachtneming van artikel 3:113 BW Pro, of de uiterlijke feiten meebrengen dat iemand zich heeft gedragen als rechthebbende van een bepaald goed. Beoordeeld moet worden of uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang bezien, volgt dat naar verkeersopvatting sprake is van (in)bezit(neming) en dat (daarmee) het bezit van de oorspronkelijke bezitter is geëindigd. In het begrip ‘bezit’ ligt besloten dat dit openbaar en ondubbelzinnig is. Er is sprake van ‘niet-dubbelzinnig bezit’ wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn.
6.5.
[geïntimeerden] heeft niet voldoende gemotiveerd onderbouwd op basis waarvan sprake was van gepretendeerd bezit zijnerzijds.
6.6.
Nog daargelaten of, rekenend vanaf 1995, aan de tienjaarstermijn wordt voldaan, gelet op de ruilverkaveling die op 4 oktober 2002 heeft plaatsgevonden en die een titelzuiverende werking heeft, heeft [geïntimeerden] onvoldoende onderbouwd dat sprake is geweest van inbezitneming van de grondstrook en op welk moment dat bezit dan zou zijn aangevangen.
6.7.
[geïntimeerden] baseert de inbezitneming op het op zijn verzoek plaatsen van een hek door [appellant] op haar perceel, het door [geïntimeerden] gedurende een lange periode onderhouden van de zich op de grondstrook bevindende bomen en de aangrenzende sloot, alsmede het gras maaien, het kamperen, het parkeren van een tractor van [geïntimeerden] , het gebruik als speelplek voor kinderen, het begraven van een enkel huisdier en het planten en verwijderen van fruitbomen op de grondstrook. Voor zover deze omstandigheden al komen vast te staan, volgt uit deze omstandigheden, in samenhang bezien, niet dat naar verkeersopvatting sprake is van inbezitneming en dat daarmee het bezit van [appellant] is geëindigd. Deze omstandigheden kunnen namelijk niet worden gekwalificeerd als handelingen van [geïntimeerden] waaruit [appellant] niet anders kan afleiden dan dat [geïntimeerden] pretendeert eigenaar te zijn. Met uitzondering van het plaatsen van het hek, zijn genoemde handelingen naar hun aard tijdelijk en vluchtig. Ondubbelzinnig en openbaar bezit gedurende een onafgebroken termijn kan daaruit niet worden afgeleid.
Voor wat betreft het plaatsen van het hek is van belang dat dat een handeling is geweest van [appellant] en niet van [geïntimeerden] Dat het hek is geplaatst op verzoek van [geïntimeerden] doet daar niet aan af. Het hek is immers geplaatst om te voorkomen dat de honden van [appellant] het perceel van [geïntimeerden] zouden betreden. Dat het hek is geplaatst om de erfgrens te markeren, is niet komen vast te staan.
Hierop strandt zowel het primaire beroep van [geïntimeerden] op verkrijgende verjaring als het subsidiaire beroep op bevrijdende verjaring.
6.8.
Dit betekent dat de grieven I en II slagen. Bij deze stand van zaken behoeft grief III geen bespreking. Dit leidt tot de volgende slotsom.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
6.9.
Het hoger beroep heeft succes. Het bestreden vonnis wordt vernietigd. [geïntimeerden] heeft geen bewijs aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. De vordering van [appellant] tot terugbetaling van hetgeen zij naar aanleiding van het bestreden vonnis aan [geïntimeerden] heeft betaald, zal worden toegewezen. [geïntimeerden] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties. Het hof stelt de proceskosten als volgt vast:
in eerste aanleg
- salaris advocaat € 542,00 (tarief II, 2 punten)
Totaal € 542,00
in hoger beroep
- explootkosten € 147,81
- griffierechten € 362,00
- salaris advocaat € 2.580,00 (tarief II, 2 punten)
Totaal € 3.089,81

7.Beslissing

Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis;
en opnieuw rechtdoende:
wijst af de vorderingen van [geïntimeerden] ;
veroordeelt [geïntimeerden] tot terugbetaling aan [appellant] van al hetgeen [appellant] op grond van het bestreden vonnis aan [geïntimeerden] heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door [appellant] tot de dag van terugbetaling door [geïntimeerden] ;
veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten in beide instanties. De kosten voor de eerste aanleg worden tot nu vastgesteld op € 542,00. De kosten voor het hoger beroep worden tot nu vastgesteld op € 3.089,81;
veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling van € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. Bellaart, Z.D. van Heesen-Laclé en K. van Dijk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.