ECLI:NL:GHAMS:2026:1832
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Uitwinning zakelijke borgtocht na faillissement hoofdschuldenaar niet onrechtmatig
Appellant stond borg voor de verplichtingen van SCF-Solutions B.V., waarvan hij medebestuurder en aandeelhouder was. Na het faillissement van SCF sprak de bank appellant aan op de borgstelling van maximaal €250.000. Appellant weigerde te betalen, waarna de bank beslag legde in België en een procedure startte.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de beslaglegging onzorgvuldig en onrechtmatig was, dat de bank een zorgplicht had verzaakt door geen pandrecht op intellectuele eigendomsrechten te vestigen, en dat de bank onrechtmatig had gehandeld. Het hof oordeelde dat de beslaglegging rechtmatig was, dat de bank niet gehouden was tot vestiging van een pandrecht op IE-rechten, en dat appellant geen schadevergoeding kon verrekenen met zijn borgstelling.
Het hof bevestigde dat de wettelijke rente vanaf 30 april 2015 verschuldigd is en wees het hoger beroep af. Appellant werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het arrest werd uitgesproken op 7 juli 2026 door het Gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt appellant tot betaling van €250.000 borgtocht met rente en proceskosten.