ECLI:NL:GHAMS:2026:1804
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- D.A.C. Koster
- A.M. Koolen - Zwijnenburg
- P.H.M. Kuster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens intrekking door verdachte
De verdachte stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de politierechter van 4 december 2024. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep op 22 mei 2026 heeft de advocaat van de verdachte een akte ingediend waarin het hoger beroep werd ingetrokken. Hierdoor wordt geacht dat de verdachte zijn bezwaren tegen het vonnis heeft ingetrokken.
Het hof heeft vervolgens de vordering van de advocaat-generaal behandeld, die streed tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Omdat de verdachte het hoger beroep niet handhaaft en er geen ander rechtens te respecteren belang is gebleken, verklaart het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 22 mei 2026. Een van de rechters was niet in staat het arrest mede te ondertekenen.
Uitkomst: Het hoger beroep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking en gebrek aan belang.