ECLI:NL:GHAMS:2026:1803
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- D.A.C. Koster
- A.M. Koolen - Zwijnenburg
- P.H.M. Kuster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens intrekking door verdachte
In deze strafzaak heeft verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 september 2024. Tijdens de terechtzitting op 22 mei 2026 heeft de raadsman namens verdachte kenbaar gemaakt dat verdachte het hoger beroep niet wil handhaven. Hierdoor worden de eerder opgegeven bezwaren door verdachte ingetrokken.
Het hof heeft vervolgens overwogen dat er geen rechtens te respecteren belang bestaat bij verdere behandeling van het hoger beroep. Op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarbij één van de rechters niet in staat was het arrest mede te ondertekenen. De uitspraak is gedaan op 22 mei 2026 tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het hoger beroep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking en gebrek aan belang.