ECLI:NL:GHAMS:2026:1754

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
23-002296-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:106 BWArt. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor mishandeling en bedreiging met taakstraf en gevangenisstraf

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 1 juli 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen verdachte, die werd beschuldigd van mishandeling en bedreiging van een willekeurig slachtoffer in het openbaar vervoer op 28 juni 2025.

De rechtbank had verdachte eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 dagen, waarvan 19 voorwaardelijk, en een taakstraf van 40 uur. Het hof vernietigde dit vonnis en kwam tot een andere bewezenverklaring: verdachte werd vrijgesproken van het slaan tegen het hoofd, maar schuldig bevonden aan het slaan tegen de schouder en het uiten van bedreigingen met woorden van gelijke strekking als "I am going to kill you".

Het hof legde een gevangenisstraf van 2 dagen op, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van 110 uur, mede vanwege eerdere veroordelingen van verdachte. De vordering van het slachtoffer tot materiële schadevergoeding van €129,95 werd toegewezen, maar de immateriële schade wegens pijn werd afgewezen omdat er geen objectief vast te stellen letsel was.

De strafrechtelijke beoordeling was gebaseerd op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden, en het strafblad van verdachte. Het hof legde geen bijzondere voorwaarden op bij de taakstraf, omdat verdachte niet gemotiveerd was voor begeleiding. De wettelijke rente over de toegewezen schadevergoeding gaat in vanaf 28 juni 2025.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 2 dagen gevangenisstraf en 110 uur taakstraf voor mishandeling en bedreiging, met gedeeltelijke toekenning van schadevergoeding.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002296-25
datum uitspraak: 1 juli 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 september 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-195928-25 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, zijn raadsman en de gemachtigde van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij, op of omstreeks 28 juni 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meermaals, in elk geval eenmaal
-tegen zijn hoofd te slaan, en/of
-tegen zijn schouder, althans zijn lichaam te slaan;
2.
hij, op of omstreeks 28 juni 2025 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] voornoemd dreigend de woorden toe te voegen "I am going to kill you", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis van de politierechter

Het vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor beide tenlastegelegde feiten.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van feit 2. Ten aanzien van feit 1 heeft zij betoogd dat de mishandeling wettig en overtuigend bewezen kan worden, met uitzondering van het slaan tegen het hoofd. Daarvan moet de verdachte worden vrijgesproken.
Het hof is met de verdediging van oordeel dat uit het dossier onvoldoende volgt dat de verdachte de aangever ook op zijn hoofd heeft geraakt, zodat hij van dat onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Hoewel op de beelden te zien is dat de verdachte de aangever eerst op zijn schouder slaat en te zien is dat de verdachte daarna nogmaals uithaalt in de richting van de aangever en dat een doffe klap valt te horen, is niet te zien of en waar de aangever wordt geraakt. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verklaring van de aangever op onderdelen niet overeenkomt met hetgeen op de beelden valt waar te nemen. Zo heeft de aangever verklaard dat de verdachte hem eerst klappen op de rechterzijde van zijn voorhoofd gaf en dat de verdachte hem direct daarna een paar klappen op de rechterzijde van zijn schouder gaf. Dit wijkt af van wat de verbalisant op de beelden heeft waargenomen en heeft gerelateerd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op 28 juni 2025 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] tegen zijn schouder te slaan;
2.
hij op 28 juni 2025 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "I am going to kill you", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 dagen, waarvan 19 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en bijzondere voorwaarden, en een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
De verdediging heeft het hof primair verzocht om een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een taakstraf zoals is opgelegd door de politierechter. Subsidiair heeft zij verzocht om – mocht het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen – daarbij een kortere proeftijd te bepalen en/of een kortere taakstraf op te leggen. Daarbij is verzocht om in ieder geval geen bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te leggen, nu de verdachte meent geen begeleiding van de reclassering nodig te hebben.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich in het openbaar vervoer schuldig gemaakt aan een mishandeling en bedreiging van de aangever, een compleet willekeurig slachtoffer. Terwijl de aangever nietsvermoedend de tram in liep, rende de verdachte uit het niets achter hem aan, waarbij hij met zijn vuist richting hem uithaalde. Het slachtoffer is daarbij geraakt en heeft daar pijn door ondervonden. Daarnaast heeft de verdachte hem ook bedreigd. Door het handelen van de verdachte heeft hij gevoelens van onveiligheid bij het slachtoffer en omstanders veroorzaakt. Ook heeft hij inbreuk gemaakt op diens lichamelijke integriteit.
Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 juni 2026 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor mishandeling en bedreiging. Het hof weegt dit in strafverzwarende zin mee.
Het hof is van oordeel dat een straf gelijk aan het ondergane voorarrest en een taakstraf van 40 uren onvoldoende recht doen aan de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte niet gemotiveerd is zich aan bijzondere voorwaarden te houden. Het hof zal dan ook geen voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden opleggen. Om de ernst van de feiten tot uiting te laten komen, zal het hof een hogere taakstraf opleggen dan de politierechter heeft gedaan.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 2 dagen, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van 110 uren passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 579,95, bestaande uit:
  • € 9,95 voor een beschadigd T-shirt;
  • € 120,00 voor een therapiesessie;
  • € 450,00 aan immateriële schade.
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 570,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van
€ 570,00.
De verdediging heeft betoogd dat de kosten voor het T-shirt niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu uit het dossier onvoldoende volgt dat dit is beschadigd. Tegen toewijzing van de kosten voor de therapiesessie verzet de verdediging zich niet. Verder heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde geldbedrag aan immateriële schade niet kan worden toegewezen, omdat een grondslag daarvoor ontbreekt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat het T-shirt van de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte kapot is gegaan. Op de beelden is immers waar te nemen dat de verdachte flink aan het T-shirt trekt en dat dit daarbij ver uitrekt; ook de verbalisant heeft gerelateerd dat de verdachte het T-shirt van de benadeelde partij vast heeft waarbij het helemaal wordt uitgerekt. Het hof acht het bedrag van € 9,95, de helft van de aankoopprijs van het T-shirt, een redelijk en billijk bedrag. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden.
De schadepost voor de therapiesessie is niet betwist en is naar het oordeel van het hof het rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering is in zoverre voldoende onderbouwd en komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. De verdachte is daarom gehouden deze schade te vergoeden.
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 450,00 gevorderd wegens immateriële schade. Ter terechtzitting is door de gemachtigde van de benadeelde partij toegelicht dat de grondslag van de vordering uitdrukkelijk het lichamelijk letsel betreft. Bij de benadeelde partij is als gevolg van het handelen van de verdachte letsel ontstaan, in de vorm van pijn aan zijn hoofd en aan zijn schouder.
Nu het hof de verdachte vrijspreekt van het slaan tegen het hoofd, is de pijn aan het hoofd van de benadeelde partij niet aan te merken als schade die rechtstreeks uit het bewezenverklaarde feit voortvloeit. De pijn aan de schouder is dat wel. Het hof moet beoordelen of er een grond is voor vergoeding van die schade. Gesteld is dat er sprake is van lichamelijk letsel. Nu bij de benadeelde partij slechts sprake was van pijn, en geen verwonding, kneuzing of ander soort objectief vast te stellen letsel, oordeelt het hof dat geen sprake is van lichamelijk letsel in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof wijst de vordering tot vergoeding van immateriële schade dan ook af.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de materiële schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
110 (honderdtien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
55 (vijfenvijftig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 129,95 (honderdnegenentwintig euro en vijfennegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 129,95 (honderdnegenentwintig euro en vijfennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 28 juni 2025.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 juli 2026.
Mr. M.F.J.M. de Werd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
_______________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002296-25
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 1 juli 2026.
Tegenwoordig zijn:
mr. H.A. Stalenhoef, raadsheer,
mr. R.M. ter Horst, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. A.H. Buijsman, advocaat-generaal.
De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.
De verdachte is
nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De raadsheer spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.