ECLI:NL:GHAMS:2026:1753

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
200.363.340
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WwftArt. 5 lid 3 WwftArt. 35 ABVArt. 2 ABVArt. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen spoedeisend belang bij voortzetting bancaire relatie en verwijdering interne registratie

Appellanten vorderden in kort geding dat ABN AMRO haar bancaire relatie met hen ongewijzigd voortzet of opnieuw aangaat, en dat hun registratie op de interne Client Acceptance and Anti Money Laundering-lijst (CAAML) wordt verwijderd. De voorzieningenrechter wees deze vorderingen af wegens onvoldoende informatieverstrekking door appellanten over de herkomst van hun gelden.

In hoger beroep stelde het hof vast dat appellanten geen spoedeisend belang hebben bij de gevorderde voorzieningen, omdat zij inmiddels een betaalrekening bij een andere bank hebben geopend. Het hof oordeelde dat het gebruik van de bevoegdheid tot opzegging van de bankrelatie door ABN AMRO, gelet op de wettelijke verplichtingen uit de Wwft en de Algemene Bankvoorwaarden, niet onaanvaardbaar is.

Het hof ging niet in op de inhoudelijke grieven omdat het spoedeisend belang ontbrak. Appellanten werden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige kamer van het Gerechtshof Amsterdam op 30 juni 2026.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het ontbreken van spoedeisend belang vaststelt en wijst de vorderingen van appellanten af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.363.340/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/776751 / KG ZA 25-813
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 juni 2026
in de zaak van

1.[appellant 1] ,

2.
[appellant 2],
3.
[appellant 3],
alle gevestigd te [plaats] ,
appellanten,
advocaat: mr. L.E.I.K. Jaminon te Heerlen,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. B.W. Wijnstekers te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellanten] (en ieder voor zich [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] ) en ABN AMRO genoemd.

1.De zaak in het kort

[appellanten] vorderen in dit kort geding dat ABN AMRO haar bancaire relatie met hen ongewijzigd voortzet dan wel opnieuw aangaat. Ook vorderen zij verwijdering van hun
registratie op de interne CAAML-lijst van ABN AMRO. [appellanten] menen dat zij ABN AMRO voldoende heeft geïnformeerd over de herkomst van hun gelden. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen. Het hof oordeelt dat [appellanten] geen (spoedeisend) belang hebben bij de gevorderde voorzieningen, omdat zij in plaats van de betaalrekening bij ABN AMRO een rekening bij [bedrijf 3] hebben.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
[appellanten] zijn bij dagvaarding van 16 december 2025 in hoger beroep gekomen van een kortgedingvonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam op 18 november 2025, onder bovenvermeld zaaknummer heeft gewezen tussen [appellanten] als eisers in conventie/verweerders in voorwaardelijke reconventie en ABN AMRO als gedaagde in conventie/eiseres in voorwaardelijke reconventie.
2.2
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord, met productie.
2.3
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

3.1
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2
Op 15 augustus 2022 nam [naam] via [bedrijf 1] de aandelen in het kapitaal van de rechtsvoorganger van [appellant 1] en haar werkmaatschappijen [appellant 2] en [appellant 3] over voor een bedrag van € 4.350.000,00 (hierna: de transactie). [naam] is (indirect) enig bestuurder en aandeelhouder van [appellanten]
3.3
[appellant 1] is de holdingmaatschappij. [appellant 2] is een 100% dochteronderneming
van [appellant 1] . [appellant 2] verleent op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning huishoudelijke ondersteuning en ambulante begeleiding. [appellant 3] is een 100% dochteronderneming van [appellant 2] . De ruim 300 personeelsleden van [appellant 3] worden (uitsluitend) gedetacheerd bij [appellant 2] .
3.4
[appellanten] bankierden bij ABN AMRO. Op de bancaire relaties zijn de Algemene
Bankvoorwaarden (hierna: ABV) van toepassing.
3.5
Van juli 2023 tot juli 2025 heeft ABN AMRO op grond van artikel 3 Wet Pro ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme klantenonderzoek (Wwft) naar [appellanten] verricht. De bank heeft onder meer vragen gesteld over de:
  • i) herkomst van de financiering van de koopprijs voor de transactie:
  • ii) vijf overboekingen zonder omschrijving van [appellant 2] aan [appellant 3] tussen
  • iii) vermoedelijke betrokkenheid van K. El Otmani, de broer van [naam] , die naast [naam] bestuurder was van [appellant 1] van 15 augustus 2022 tot 26 april 2023 en van [appellant 2] van 23 augustus 2022 tot 15 maart 2023;
  • iv) overboekingen van [appellant 3] aan [bedrijf 2] tussen 10 maart 2023 en 12 juli 2023 van in totaal € 71.903.79 en aan [bedrijf 2] vanaf 2024.
3.6
Na een eerdere niet definitieve opzegging in 2024, heeft ABN AMRO in haar brief van
31 juli 2025 de bankrelaties met [appellanten] per 1 oktober 2025 op grond van artikel 5 lid 3 Wwft Pro en artikel 35 ABV Pro beëindigd. In de brieven is per entiteit van [appellanten] toegelicht dat de vier hiervoor genoemde onderdelen aanleiding hebben gegeven tot beëindiging. [appellanten] zijn daarnaast geregistreerd op de interne Client Acceptance and Anti Money Laundering-lijst van ABN-AMRO (hierna: CAAML-lijst) voor een periode van vijf jaar.
3.7
De bankrelaties zijn op 1 oktober 2025 daadwerkelijk beëindigd. De gelden zijn overgeschreven naar een bankrekening bij [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ) die [appellanten] ondertussen hadden geopend.

4.Procedure in eerste aanleg

4.1.
[appellanten] hebben gevorderd (kort gezegd) dat ABN AMRO wordt geboden om binnen zeven dagen na het bestreden vonnis nieuwe overeenkomsten met [appellanten] aan te gaan in de vorm waarin en onder de voorwaarden waaronder deze bestonden ten tijde van de beëindiging van de oude overeenkomsten, en dat het ABN AMRO wordt verboden om de gegevens van [appellanten] op te nemen in het interne verwijzingsregister, althans om daarin vast te leggen dat sprake is van onacceptabele integriteitsrisico’s.
4.2
Aan die vorderingen hebben [appellanten] ten grondslag gelegd dat zij ABN AMRO alle gevraagde informatie hebben verschaft, dat ABN AMRO niet duidelijk heeft gemaakt welke informatie zij nog nodig had noch op welke grond zij de overeenkomsten met [appellanten] hebben beëindigd, dat de bankrekening bij [bedrijf 3] slechts een noodvoorziening is en niet geschikt is voor langdurig gebruik, en dat zij geen andere bankrekening kunnen openen, omdat zij door ABN AMRO worden aangemerkt als een onaanvaardbaar risico.
4.3
ABN AMRO heeft als verweer aangevoerd dat [appellanten] haar vragen onvoldoende hadden beantwoord, dat zij daardoor niet aan haar verplichtingen onder artikel 3 Wwft Pro kon voldoen en dat zij verplicht (artikel 5 lid 3 Wwft Pro) dan wel bevoegd (artikel 35 ABV Pro) was om tot opzegging over te gaan. Onder de voorwaarde dat de vordering van [appellanten] tot het aangaan van nieuwe rekeningovereenkomsten wordt toegewezen, heeft ABN AMRO in reconventie gevorderd dat daaraan de voorwaarde wordt verbonden dat [appellanten] binnen vier weken een bodemprocedure tegen ABN AMRO starten, en ten behoeve van het klantenonderzoek van ABN AMRO binnen vier weken alle gegevens verstrekken die ABN AMRO op grond van de Wwft moet opvragen en verifiëren.
4.4
In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de door [appellanten] gevorderde voorzieningen afgewezen, omdat [appellanten] niet de op grond van artikel 3 Wwft Pro vereiste informatie hebben verstrekt. Aan de vorderingen in voorwaardelijke reconventie is de voorzieningenrechter daarom niet toegekomen. [appellanten] is veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie. De kosten van de procedure in voorwaardelijke reconventie zijn gecompenseerd.

5.Vordering in hoger beroep

5.1
[appellanten] hebben onder aanvoering van zeven grieven hoger beroep ingesteld. Zij
vorderen vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog - uitvoerbaar bij voorraad -
toewijzing van hun vorderingen in conventie en afwijzing van de vorderingen in voorwaardelijke reconventie.
5.2
De grieven laten zich als volgt samenvatten. Grieven I tot en V zijn gericht tegen het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellanten] onvoldoende informatie hebben verstrekt met betrekking tot de herkomst van de gelden waarmee de koopprijs van
€ 4.350.000,- is voldaan en dat de vorderingen alleen daarom al niet toewijsbaar zijn. Grief VI heeft tot doel dat alle stellingen van [appellanten] alsnog worden beoordeeld. Grief VII is de slotsom van alle grieven en is erop gericht dat de vorderingen van [appellanten] alsnog worden toegewezen.
5.3
Volgens ABN AMRO moet het hof de grieven van [appellanten] verwerpen en het bestreden kortgedingvonnis bekrachtigen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, met rente. Mocht het hof de gevorderde voorzieningen van [appellanten] toewijzen, dan vragen [appellanten] dat te doen onder de voorwaarden als aangevoerd in de voorwaardelijke reconventie.

6.Beoordeling

6.1
De eerste vraag die moet worden beantwoord is of [appellanten] voldoende spoedeisend belang hebben bij de door hen gevorderde voorzieningen. Daarvan is sprake als van [appellanten] niet kan worden gevergd dat zij de beslissing van de bodemrechter afwachten. Dat is hier niet het geval. Daartoe is het volgende redengevend.
6.2
Op grond van de Wwft is ABN AMRO verplicht om cliëntenonderzoek te doen. Op grond van de ABV waren [appellanten] verplicht daaraan mee te werken. Als ABN AMRO haar cliëntenonderzoek niet kan voltooien omdat [appellanten] onvoldoende informatie geven en daarmee niet kan voldoen aan haar verplichting op grond van artikel 3 Wwft Pro, is zij wettelijk verplicht om de relatie met [appellanten] te beëindigen (artikel 5 lid 3 Wwft Pro). Artikel 35 ABV Pro bepaalt dat ABNAMRO de relatie kan opzeggen en dat zij daarbij de zorgvuldigheid moet betrachten als bedoeld in artikel 2 ABV Pro.
6.3
Het gebruikmaken van een in wet of overeenkomst voorziene bevoegdheid tot opzegging kan gelet op alle omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (artikel 6:248 lid 2 BW Pro). Bij de toetsing van de opzegging van een bankrelatie aan artikel 6:248 lid 2 BW Pro komt betekenis toe aan de belangen van partijen en ook aan de bancaire zorgplicht op grond waarvan de bank bij haar dienstverlening de zorgvuldigheid in acht moet nemen. Het belang van de rekeninghouder, namelijk dat het zonder betaalrekening vrijwel onmogelijk is om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en om een bedrijf te exploiteren, moet bij deze beoordeling zwaar wegen. Dit geldt ook bij de beoordeling van de vraag of ABN AMRO kan worden verplicht om aan [appellanten] een (nieuwe) betaalrekening aan te bieden, zoals [appellanten] met hun vordering kennelijk beogen.
6.4
Vaststaat dat ABN AMRO relatie met [appellanten] hebben beëindigd en dat zij per
1 oktober 2025 bij [bedrijf 3] een betaalrekening hebben en via die rekening kunnen deelnemen aan het maatschappelijke verkeer. Dat de bankrekening bij [bedrijf 3] slechts een noodvoorziening is en niet geschikt is voor langdurig gebruik, zoals [appellanten] in eerste aanleg hebben betoogd, blijkt nergens uit. Dit betekent dat [appellanten] in het licht van de hiervoor onder 6.3 omschreven belangenafweging, geen spoedeisend belang hebben bij de gevorderde voortzetting en/of vernieuwing van hun bankrelatie met ABN AMRO. Dat de service van [bedrijf 3] niet van hetzelfde niveau is als dat van ABN AMRO, zoals [appellanten] in hoger beroep betogen, is voor het aannemen van een spoedeisend belang niet voldoende.
6.5
Dit geldt ook voor het doorhalen van de registratie van [appellanten] op de interne CAAML-lijst. Die registratie heeft er kennelijk niet toe geleid dat [bedrijf 3] [appellanten] hebben geweigerd. Dat deze interne registratie mogelijk andere negatieve gevolgen heeft voor [appellanten] en dat als gevolg daarvan een eventuele bodemprocedure niet kan worden afgewacht, is gesteld noch gebleken.
6.6
Omdat een voldoende spoedeisend belang bij beide gevorderde voorzieningen ontbreekt, komt het hof niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de grieven. Het hof zal het vonnis van de voorzieningenrechter daarom bekrachtigen en [appellanten] hoofdelijk veroordelen in de proceskosten van ABN AMRO.
Slotsom en kosten
6.7
Het hoger beroep heeft geen succes. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. [appellanten] zijn in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 851,-
- salaris advocaat
€ 1.290,-(tarief II, 1 punt)
Totaal € 2.141,-

7.Beslissing

Het hof:
7.1
bekrachtigt het bestreden vonnis;
7.2
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 2.141,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
7.3
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk tot betaling van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan en betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
7.4
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
7.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.H. Molin, R.E. Weening en A.C. van Schaick en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.