ECLI:NL:GHAMS:2026:1745

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
23-000923-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 33 SrArt. 33a SrArt. 36f SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor gewapende woningoverval met bedreiging en schadevergoeding

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor een gewapende woningoverval waarbij hij samen met een mededader, vermomd als pakketbezorgers, een woning binnendrong, slachtoffers bedreigde, vastbond en waardevolle goederen stal. De rechtbank legde een gevangenisstraf van vijf jaar op en kende schadevergoedingen toe aan de benadeelden.

In hoger beroep bevestigde het hof de bewezenverklaring, maar matigde de straf tot 58 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hof nam de verklaring van de verdachte mee als aanvullend bewijsmiddel en benadrukte de ernst van de feiten, de impact op de slachtoffers en de samenleving, en de jeugdige leeftijd van de verdachte.

De schadevergoedingen aan de twee benadeelde partijen werden verhoogd met aanvullende medische kosten en immateriële schadevergoeding van €5.000 per partij, gebaseerd op geestelijk letsel en paniekaanvallen. De verdachte werd hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade en de wettelijke rente. De vorderingen boven het toegewezen bedrag werden afgewezen en verwezen naar de burgerlijke rechter.

Het hof bepaalde dat de opgelegde straf volledig in detentie wordt uitgevoerd, met aftrek van voorarrest, en legde een gijzelingstermijn vast voor het geval de schadevergoeding niet wordt voldaan. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 30 juni 2026.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 58 maanden gevangenisstraf en hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor schadevergoedingen aan de slachtoffers.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000923-24
datum uitspraak: 30 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 april 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-274379-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
thans gedetineerd in [detentieadres] .

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de straf en de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de navolgende zin op pagina’s 6 en 7 van het vonnis uit de bewijsoverweging van de rechtbank schrapt: “
De rechtbank heeft op de gevoegde camerabeelden met als titel '21-105 154-156 Buiten-2023-08-25 17-18-57-330’ op minuut 1.10 en minuut 1.11 waargenomen dat NN2 een vooruitstekend baardje heeft en dat [persoon] en gelijkend baardje heeft. Ter terechtzitting heeft de rechtbank ook waargenomen dat [persoon] langer is dan [verdachte] .”en een aanvullend bewijsmiddel opneemt.

Aanvullend bewijsmiddel

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 16 juni 2026.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
‘Ik was aanwezig in het huis aan de [plaats 1] .
Ik heb daar aangebeld en ben naar binnen gegaan. Ik heb gezien dat het slachtoffer op de grond lag en was vastgebonden met tiewraps. Toen de vrouw thuiskwam heb ik haar begeleid naar dezelfde kamer waar het slachtoffer was.
Ik heb gevraagd waar het geld en de horloges lagen. Ik heb de vitrine met horloges gevonden, gepakt en in de tas gestopt.
Ik kwam in een groene auto aan op het [plaats 2] en ben daar in de witte bus overgestapt. Ik moest een pleister op mijn wang plakken en als postbezorger verkleed gaan. Ik ben uit dat huis weggegaan met de tas en weer met het busje weggereden.’

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg feit 1 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft het hof verzocht om rekening te houden met de verklaring van de verdachte, zijn jeugdige leeftijd, de kleinere en de minder agressieve rol van de verdachte, eendaadse samenloop en de progressie die de verdachte heeft doorgemaakt gedurende zijn detentie. Gelet hierop heeft de raadsman primair verzocht te volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van de reeds ondergane detentie en subsidiair te volstaan met de reeds ondergane detentie, aangevuld met een voorwaardelijk strafdeel.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het plegen van een gewapende en gewelddadige woningoverval. De verdachte en de medeverdachte hebben – vermomd als DHL-bezorgers – bij een woning aangebeld en zijn deze vervolgens binnengedrongen. Er zijn daarna verschillende waardevolle goederen zoals een vitrine met horloges weggenomen uit de woning. Ondertussen zijn de beide slachtoffers bedreigd, op de grond geduwd, vastgebonden met tiewraps en is tape over hun mond en/of neus geplaatst. Ook is er een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van één van de slachtoffers gehouden. Door zo te handelen hebben de verdachte en zijn mededader op zeer intimiderende wijze ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers, temeer omdat een woning bij uitstek de plaats is waar mensen zich veilig moeten kunnen voelen. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaringen van de slachtoffers, waarin zij de gevolgen die de overval voor hen heeft gehad hebben beschreven, zodanig zelfs dat ze zich gedwongen voelden te verhuizen. Daarnaast dragen dergelijke misdrijven bij aan in de samenleving bestaande gevoelens van angst en onveiligheid. De verdachte heeft zich aan die gevolgen voor de slachtoffers en de samenleving in het algemeen niets gelegen laten liggen.
Uit het strafblad van de verdachte volgt dat hij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.
Het hof is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten niet anders kan worden gereageerd dan met de oplegging van een gevangenisstraf.
Het hof acht in beginsel, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren passend en geboden.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) is overschreden. Namens de verdachte is op 22 april 2024 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst op 30 juni 2026 arrest. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep met 10 maanden overschreden. Het hof zal derhalve gelet op de geconstateerde overschrijding in hoger beroep de op te leggen straf matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 10 maanden, te weten 58 maanden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 47, 55, 285 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 41.327,03. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 29.083,73, bestaande uit € 24.083,73 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade. Ook heeft de rechtbank € 3.642 aan proceskosten toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Het hof sluit zich aan bij de beslissing van de rechtbank en neemt de overweging van de rechtbank onder het kopje ‘
9.1.3 Het oordeel van de rechtbank’ over. In aanvulling daarop wijst het hof ook € 1.890,00 aan materiële schade toe voor aanvullende medische kosten voor therapie die de benadeelde partij na de zitting in eerste aanleg heeft gemaakt. De benadeelde partij heeft deze kosten opgenomen in de bijlage bij de vordering tot schadevergoeding als ‘toekomstige reis- parkeerkosten en toekomstige medische kosten’. Het hof leest de bijlage in onderlinge samenhang met de vordering. Daarbij vult het hof aan dat de toewijzing van de immateriële schade is gebaseerd op de derde categorie genoemd in art. 6:106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek, dat wil zeggen indien de benadeelde op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat in dit geval aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen zonder dat in rechte is komen vast te staan welke concrete gevolgen de benadeelde heeft ondervonden van de normschending, nu de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen (vgl. HR 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822). Op grond van de omstandigheid dat aangenomen kan worden dat de benadeelde partij door de gebeurtenis geestelijk letsel heeft opgelopen en kampt met paniekaanvallen, en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot het hof de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op een bedrag van
€ 5.000,00. Voor het meerdere zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het hof zal, net als de rechtbank, de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 48.512,88. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 22.447,88, bestaande uit € 17.447,88 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade. Ook heeft de rechtbank € 3.642 aan proceskosten toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Het hof sluit zich ook hier aan bij de beslissing van de rechtbank en neemt de overweging van de rechtbank onder het kopje ‘
9.2.3 Het oordeel van de rechtbank’ over. In aanvulling daarop wijst het hof ook € 105,00 aan materiële schade toe voor aanvullende medische kosten voor therapie die de benadeelde partij na de zitting in eerste aanleg heeft gemaakt. De benadeelde partij heeft deze kosten opgenomen in de bijlage bij de vordering tot schadevergoeding als ‘toekomstige reis- parkeerkosten en toekomstige medische kosten’. Het hof leest de bijlage in onderlinge samenhang met de vordering. Daarbij vult het hof aan dat de toewijzing van de immateriële schade is gebaseerd op de derde categorie genoemd in art. 6:106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek, dat wil zeggen indien de benadeelde op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat in dit geval aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen zonder dat in rechte is komen vast te staan welke concrete gevolgen de benadeelde heeft ondervonden van de normschending, nu de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen (vgl. HR 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822). Op grond van de omstandigheid dat aangenomen kan worden dat de benadeelde partij door de gebeurtenis geestelijk letsel heeft opgelopen en kampt met paniekaanvallen, en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot het hof de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op een bedrag van € 5.000,00. Voor het meerdere zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het hof zal, net als de rechtbank, de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de vorderingen van de benadeelde partijen en met een aanvulling van een bewijsmiddel zoals hierboven vermeld en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
58 (achtenvijftig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 30.973,73 (dertigduizend negenhonderddrieënzeventig euro en drieënzeventig cent) bestaande uit € 25.973,73 (vijfentwintigduizend negenhonderddrieënzeventig euro en drieënzeventig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
3.642,00 (drieduizend zeshonderdtweeënveertig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 30.973,73 (dertigduizend negenhonderddrieënzeventig euro en drieënzeventig cent) bestaande uit € 25.973,73 (vijfentwintigduizend negenhonderddrieënzeventig euro en drieënzeventig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 161 (honderdeenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 25 augustus 2023.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 22.552,88 (tweeëntwintigduizend vijfhonderdtweeënvijftig euro en achtentachtig cent) bestaande uit € 17.552,88 (zeventienduizend vijfhonderdtweeënvijftig euro en achtentachtig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
3.642,00 (drieduizend zeshonderdtweeënveertig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 22.552,88 (tweeëntwintigduizend vijfhonderdtweeënvijftig euro en achtentachtig cent) bestaande uit € 17.552,88 (zeventienduizend vijfhonderdtweeënvijftig euro en achtentachtig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 133 (honderddrieëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 25 augustus 2023.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, mr. J.W.P. van Heusden en mr. E.J Hofstee, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Kuvel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 juni 2026.
=========================================================================
[…]
.